Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:2649

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2015
Datum publicatie
08-05-2015
Zaaknummer
AMS 14/3887 en AMS 14/5609
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mede gelet op de uitspraak van de ECSR van 1 juli 2014 is de rechtbank van oordeel ook meerderjarige vreemdelingen zonder geldige verblijfsstatus een onvoorwaardelijk recht hebben op toegang tot onderdak, voedsel en kleding om te voorkomen dat deze personen hun basale levensbehoeften wordt onthouden. Daarbij wijst de rechtbank erop dat op de Staat geen rechtsplicht rust om uitgeprocedeerde vreemdelingen een opvang- en verzorgingsniveau te bieden dat gelijk is aan het niveau dat zij tot dan toe in het land van verblijf hebben ontvangen dan wel dat uitstijgt boven het niveau dat nodig is ter voorkoming van een humanitaire noodsituatie. Er bestaat dus in zijn algemeenheid geen verdergaand recht dan een recht op een sobere basisvoorziening. Een aanspraak op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo bestaat niet als de noodzaak daartoe ontbreekt omdat gebruik gemaakt kan worden van een specifieke feitelijke voorziening.

Verweerder kan in beginsel volstaan te verwijzen naar een algemene voorziening. Anders dan eiser ter zitting heeft betoogd, is de rechtbank – gelet op bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 april 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM3583) – van oordeel dat maatschappelijke opvang zoals de bed-bad-broodvoorziening een algemene voorziening en geen individuele voorziening is in de zin van de Wmo. Indien deze voorziening voor eiser in verband met zijn medische problematiek niet passend of niet toereikend is, ligt het op de weg van eiser hiervoor een begin van bewijs te leveren. Eiser heeft zijn medische problematiek, te weten PTSS en slaapproblemen, met verklaringen van psychologen en een neuroloog onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat eiser in de op hem rustende bewijslast is geslaagd. Vorenstaande brengt mee dat het thans op de weg van verweerder ligt om te onderzoeken of en in hoeverre de bed-bad-broodvoorziening passend en toereikend voor eiser is te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 14/3887 en AMS 14/5609

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2015 in de zaken tussen

[naam], te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. P.I. Algoe en mr. H. Joutay).

Procesverloop

In de zaak AMS 14/3887

De rechtbank heeft op 27 juni 2014 een beroepschrift ontvangen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers aanvraag van 18 april 2014 om opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2007 (Wmo), voor zover daarop nog niet is beslist, alsmede tegen het niet tijdig nemen van een besluit op eisers bezwaarschrift van 22 april 2014.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In de zaak AMS 14/5609

Bij besluit van 28 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen de e-mail van 18 april 2014 en het besluit 30 juni 2014 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

In beide zaken

Voorafgaand aan het onderzoek ter zitting op 9 april 2015 heeft op voet van artikel 8:50 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een plaatsopneming plaatsgevonden van de bed-bad-broodvoorziening in de [adres] te Amsterdam, waarbij mr. W.G. Fischer en mr. P.I. Algoe aanwezig waren.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2015. De rechtbank heeft de zaak gevoegd behandeld met de zaken geregistreerd onder nummers AMS 14/4474, 14/5856, 14/5945, 14/6203, 14/6390, 14/7716 en 15/656. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld en mr. J. Klaas, kantoorgenoten van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de gevoegde zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1.1

De rechtbank stelt vast dat ten onrechte twee dossiers zijn aangemaakt. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt immers op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede geacht te zijn gericht tegen het bestreden besluit. Dit betreft een inhoudelijke beslissing op bezwaar. Het beroepschrift en alle stukken uit het dossier AMS 14/5609 worden aan het dossier AMS 14/3887 toegevoegd. Het door eiser betaalde griffierecht in AMS 14/5609 zal door de rechtbank aan hem worden gerestitueerd.

1.2

Omdat inmiddels reële beslissingen zijn genomen heeft eiser geen procesbelang meer bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Hij heeft immers met dat beroep bereikt hetgeen hij kon bereiken, te weten een reëel besluit.

2.1

Eiser is geboren op [geboortedag] 1987 en stelt afkomstig te zijn uit Sierra Leone. Eiser heeft hier en elders in Europa aanvragen voor verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke alle zijn afgewezen. Eiser verbleef ten tijde van het bestreden besluit niet rechtmatig in Nederland in de zogenoemde Vluchtgarage, een gekraakte garage in Amsterdam-Zuidoost, waar een groep vreemdelingen sinds eind 2013 verblijft. Op 18 april 2014 heeft eiser een aanvraag gedaan om hem zo spoedig mogelijk opvang te verlenen op grond van de Wmo. Bij e‑mail eveneens van 18 april 2014 heeft [medewerker], werkzaam bij de gemeente Amsterdam, op de aanvraag van eiser gereageerd. Op 22 april 2014 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen een zinsnede uit deze e‑mail. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 25 april 2014 eiser meegedeeld dat de aanvraag met voorrang in behandeling is genomen en dat op korte termijn, afhankelijk van de medewerking van eiser aan een spoedige verstrekking van een medische toestemmingsverklaring, een besluit op de aanvraag wordt genomen. Verweerder heeft zich in die brief op het standpunt gesteld dat nog geen besluit op de aanvraag is genomen en dat de e-mail van [medewerker] niet als zodanig is op te vatten. Op 5 juni 2014 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

1.1.

Op 27 juni 2014 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag voor zover dat bij de e-mail van 18 april 2014 nog niet is gedaan dan wel op zijn bezwaarschrift van 22 april 2014.

1.2.

Bij besluit van 30 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van 18 april 2014 afgewezen. Eiser heeft op dezelfde datum daartegen bezwaar gemaakt.

2.

2.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van 22 april en 30 juni 2014 ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser vanwege zijn verblijfsstatus en gelet op het koppelingsbeginsel geen aanspraak heeft op opvang op grond van de Wmo. In het bestreden besluit is verder vermeld dat eiser zich tot de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) van het ministerie van Veiligheid en Justitie kan wenden. Daarnaast behoort eiser niet tot de categorie van kwetsbare personen, die gezien artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven.

2.2.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser stelt dat er medische redenen zijn waarom hem een eigen kamer in een rustige omgeving moet worden geboden en overlegt verklaringen van psycholoog Van Waasdorp (Traumacentrum Ongedocumenteerde Vluchtelingen) van 25 april en 15 mei 2014, waaruit blijkt dat hij lijdt aan een ernstige en acute post traumatische stress stoornis (PTSS) en ernstige slaapproblemen heeft. Voorts heeft eiser medische informatie overgelegd van neuroloog Nederkoorn van 14 oktober en 14 november 2014 en gedateerd 21 januari 2015 van psycholoog Van Heemstra van Equator, waar eiser onder behandeling is. Ter zitting heeft eiser gesteld dat de voorzieningenrechter voor vreemdelingenzaken op 15 juli 2014 in het kader van een beroep op artikel 64 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 een voorziening heeft toegewezen inhoudende dat eiser in afwachting van een advies van het Bureau Medische Advisering niet uitgezet zal worden.

3. Voor de Wmo geldt als periode in geding de periode van aanvraag tot en met de beslissing op bezwaar. Deze periode loopt daarom van 18 april 2014 tot en met 28 augustus 2014, de datum van het bestreden besluit.

4. De rechtbank overweegt dat sinds vele jaren als uitgangspunt heeft gegolden dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf gelet op het koppelingsbeginsel als onder meer tot uitdrukking gebracht in artikel 10 van de Vw 2000 geen aanspraak kunnen maken op voorzieningen, zoals maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Overigens hebben de vreemdelingen zonder verblijfsvergunning wel recht op acute medische zorg, onderwijs voor hun kinderen en juridische bijstand.

5. Op grond van artikel 8 van het EVRM kan onder omstandigheden een doorbreking van het koppelingsbeginsel aan de orde zijn. Zoals de Centrale Raad van Beroep (de Raad) in vele uitspraken heeft overwogen, merkt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als “the very essence” van het EVRM aan. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Het artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privéleven. Daarbij hebben minderjarigen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt. De rechtbank wijst bij wijze van voorbeeld van deze vaste rechtspraak op de uitspraak van de Raad van 11 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:830).

6. De rechtbank wijst in dit verband verder op het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW5328). In rechtsoverweging 3.7.2 overweegt de Hoge Raad dat de Staat de verplichting heeft erop toe te zien dat de rechten en belangen van minderjarigen worden beschermd en geborgd en daartoe desnoods maatregelen te nemen. Op de Staat rust de verplichting te waken voor de rechten en belangen van minderjarigen die zich op zijn grondgebied bevinden, ook waar het gaat om minderjarige vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel. De Hoge Raad vindt steun voor deze conclusie in de rechtspraak van het EHRM, de aan de Opvangrichtlijn en Terugkeerrichtlijn ten grondslag liggende beginselen en het op grond van het Europees Sociaal Handvest (ESH) ingenomen standpunt van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) en Comité van Ministers. De Hoge Raad heeft in dit arrest vastgelegd dat gezinnen met minderjarige kinderen zonder geldige verblijfstitel niet op straat terecht mogen komen. Dit arrest vormde de grondslag voor het instellen van zogenoemde gezinsopvanglocaties door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (waaronder tevens verstaan zijn rechtsvoorganger).

7. Het ECSR heeft op 1 juli 2014 (gepubliceerd op 10 november 2014) een beslissing gegeven inzake Conference of European Churches (CEC) en European Federation of National Organisations working for the Homeless (FEANTSA) tegen Nederland, no. 90/2013 (EHRC 2015/24) en no. 90/2013. Het ECSR heeft onder meer als volgt overwogen:


117. The Committee observes in this connection that the scope of the Charter is broader and requires that necessary emergency social assistance be granted also to those who do not, or no longer, fulfil the criteria of entitlement to assistance specified in the above instruments, that is, also to migrants staying in the territory of the States Parties in an irregular manner, for instance pursuant to their expulsion. The Charter requires that emergency social assistance be granted without any conditions to nationals of those States Parties to the Charter who are not Member States of the Union. The Committee equally considers that the provision of emergency assistance cannot be made conditional upon the willingness of the persons concerned to cooperate in the organisation of their own expulsion.

(…)

121. It is nevertheless unable to consider that the denial of emergency shelter to those individuals who continue to find themselves in the territory of the Netherlands is an absolutely necessary measure for achieving the aims of the immigration policy. No indications on the concrete effects of this measure have been referred to by the Government.

122. The Committee observes, similarly, that the persons concerned by the current complaint undeniably find themselves at risk of serious irreparable harm to their life and human dignity when being excluded from access to shelter, food and clothing. It refers to its established case-law under the reporting procedure (see paragraphs 73, 106) and holds that access to food, water, as well as to such basic amenities as a safe place to sleep and clothes fulfilling the minimum requirements for survival in the prevailing weather conditions are necessary for the basic subsistence of any human being.

123. It considers that even within the framework of the current migration policy, less onerous means, namely to provide for the necessary emergency assistance while maintaining the other restrictions with regard to the position of migrants in an irregular situation, remain available to the Government with regard to the emergency treatment provided to those individuals, who have overstayed their legal entitlement to remain in the country. The Committee cannot accept the necessity of halting the provision of such basic emergency assistance as shelter, guaranteed under Article 13 as a subjective right, to individuals in a highly precarious situation.

124. The Committee finds that the practical and legal measures denying the right to emergency assistance accordingly restrict the right of adult migrants in an irregular situation and without adequate resources in the Netherlands in a disproportionate manner.”

(…)

144. In light of the Committee’s established case-law, shelter must be provided also to adult migrants in an irregular situation, even when they are requested to leave the country and even though they may not require that long-term accommodation in a more permanent housing be offered to them. The Committee again refers to its findings above under Article 13§4 and reiterates that the right to shelter is closely connected to the human dignity of every person regardless of their residence status. It considers that the situation, on the basis of which a violation has been found under Article 13§4, also amounts to a violation of Article 31§2.”

8. De voorzitter van de Raad heeft in de uitspraken in voorlopige voorziening van 17 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4259, ECLI:NL:CRVB:2014:4178 en ECLI:NL:CRVB:2014:4179) overwogen dat de artikelen 13 en 31 van het ESH niet kunnen worden beschouwd als een ieder verbindende bepalingen als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet. Ook zijn beslissingen van het ECSR, zoals die van 1 juli 2014 inzake CEC en FEANTSA tegen Nederland, niet rechtstreeks bindend voor de (verdrags)partij(en). Dit betekent niet zonder meer dat zij zonder betekenis zijn voor de nationale rechter om in een concreet geval tot oordeelsvorming te komen. Evenmin kan worden uitgesloten dat deze beslissingen dienen te worden betrokken bij de rechtsvinding bij de toepassing van de artikelen 3 en 8 van het EVRM. Gelet hierop heeft de voorzitter van de Raad bepaald dat verweerder ten behoeve van verzoekers dient te voorzien in nachtopvang, een douche, ontbijt en de avondmaaltijd vanaf de datum van de uitspraak tot twee maanden nadat het Comité van Ministers zijn standpunt heeft bepaald ter zake van de beslissingen van het ECSR.

9. Ook de rechtbank is van oordeel dat niet aan de beslissing van het ECSR kan worden voorbijgegaan. Hoewel geen sprake is van een juridisch bindende uitspraak, wil dat niet zeggen dat het oordeel van het ECSR zonder betekenis is. De beslissing van het ECSR moet naar het oordeel van de rechtbank worden gekenmerkt als een gezaghebbende uitspraak, inhoudende de interpretatie van algemeen geformuleerde verdragsbepalingen in een concrete situatie. Het ECSR overweegt in voormelde beslissing dat de personen die betrokken zijn bij de klacht het risico lopen op onherstelbare schade aan hun leven en menselijke waardigheid op het moment dat zij uitgesloten worden van toegang tot onderdak, voedsel en kleding. Als het om deze basale levensbehoeften gaat en de menselijke waardigheid in het geding is, zijn de daarmee samenhangende rechten volgens het ECSR universeel en afdwingbaar voor alle personen ongeacht hun (vreemdelingenrechtelijke) status. Verder overweegt het ECSR dat het voorkomen van aanzuigende werking weliswaar een legitiem doel is, maar dat dit een onvoldoende rechtvaardiging vormt om mensen basale levensbehoeften te onthouden.

10. De rechtbank is thans, mede gelet op het bepaalde in artikelen 13 en 31 van het ESH en in het licht van het standpunt van het ECSR, van oordeel dat het verstoken zijn van toegang tot (enig) onderdak, eten en kleding voor vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel het respect voor de menselijke waardigheid zodanig raakt dat dit leidt tot een situatie waarin het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op privéleven van een persoon onmogelijk wordt gemaakt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het EHRM – zoals hiervoor onder rechtsoverweging 6 overwogen – meermalen heeft geoordeeld dat hij het respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als the ‘very essence’ van het EVRM aanmerkt. Daarom geeft de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang naar het oordeel van de rechtbank geen blijk van een “fair balance” tussen het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een consequente en restrictieve immigratiepolitiek enerzijds en het belang van de illegale vreemdeling bij het recht op een menswaardig bestaan en privéleven als beschermd door artikel 8 van het EVRM. Daarbij weegt de rechtbank mee dat er andere mogelijkheden zijn voor de Staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en dat de aanzuigende werking van het verlenen van opvang niet is onderbouwd.

11. Eiser kan op grond van het ontbreken van een verblijfsrecht in Nederland niet zelfstandig in zijn levensonderhoud voorzien en heeft in beginsel evenmin aanspraak op bestaande sociale voorzieningen. Aannemelijk is derhalve dat eiser onder de door het ECSR bedoelde hulpbehoevende groep te scharen is. Gelet hierop komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat er een positieve verplichting op de Staat rust om eiser toegang tot onderdak, eten en kleding te verstrekken.

12. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het zo, dat aanspraak op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo niet bestaat als de noodzaak daartoe ontbreekt omdat gebruik gemaakt kan worden van een specifieke feitelijke voorziening, zoals bijvoorbeeld opvang in een gezinsopvanglocatie. In zo’n situatie staat artikel 2 van de Wmo aan toewijzing van een verzoek tot toelating tot maatschappelijke opvang in de weg.

13. In de uitspraak van 4 juni 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1995) heeft de Raad antwoord gegeven op de vraag welk bestuursorgaan uitvoering moet geven aan de opvang van niet-rechtmatig in een Nederland verblijvende vreemdelingen als daartoe een positieve verplichting bestaat op grond van artikel 8 van het EVRM. De Raad overweegt dat gelet op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2099), 10 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:86) en 24 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:722) aan een verzoek om maatschappelijke opvang van een vreemdeling dat uitsluitend is gebaseerd op zijn medische situatie, de voorziening op grond van artikel 3, eerste en tweede lid, van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COa) voorliggend is in de zin van artikel 2 van de Wmo. Artikel 2 van de Wmo staat niet aan toewijzing van het verzoek tot toelating tot de maatschappelijke opvang in de weg, zolang het verzoek niet uitsluitend is gegrond op de medische situatie van de vreemdeling. Eiser heeft zich in dit geval niet uitsluitend op medische omstandigheden beroepen, zodat de voorliggende voorziening van de Wet COa naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak niet aan de orde is.

14. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een specifieke feitelijke voorziening voor eiser voorhanden is nu eiser gebruik kan maken van voorzieningen in een zogenoemde vrijheidsbeperkende locatie (VBL). Vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf zijn verplicht om Nederland te verlaten. Zij kunnen zich daartoe melden bij de DT&V. Essentieel onderdeel van het onderdak in een VBL is dat wordt gewerkt aan het vertrek van de vreemdeling. Van eiser kan volgens verweerder worden verwacht dat hij van deze opvang gebruik maakt. Gelet op de feitelijke aanwezigheid van opvang in een VBL is sprake van een voorliggende voorziening, waarbij wordt voldaan aan de op de overheid rustende zorgplicht. Er bestaat dus geen aanleiding eiser (vangnet)opvang in het kader van de Wmo te bieden, aldus verweerder. De rechtbank is van oordeel dat uit de beslissing van het ECSR volgt dat de aanspraak op een basisvoorziening onvoorwaardelijk geldt en niet afhankelijk gemaakt mag worden het meewerken van de vreemdeling aan de organisatie van zijn vertrek. Indien en voor zover verweerder heeft verwezen naar de VBL kan dit daarom niet worden aangemerkt als een voorliggende voorziening.

15. De voorzitter van de Raad heeft in de uitspraken van 17 december 2014 nog overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat de beslissingen van het ECSR over de uitleg van de artikelen 13, vierde lid, en 31, tweede lid, van het ESH ook met terugwerkende kracht van invloed kunnen zijn op de inhoud van het Nederlandse opvangrecht. Bovendien merkt het EHRM respect voor de menselijke waardigheid en menselijke vrijheid aan als ‘the very essence’ van het EVRM. De daarmee samenhangende rechten zijn universeel en afdwingbaar voor alle personen ongeacht hun status. Universele mensenrechten zoals gedefinieerd in internationale verdragen zijn overal en altijd, ongeacht traditie en cultuur geldig. De rechtbank komt op grond van een en ander tot het oordeel dat het recht op een opvangvoorziening voor eiser heeft gegolden ook vóór de uitspraken van de Raad van 17 december 2014.

16. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank van oordeel is dat ook meerderjarige vreemdelingen zonder geldige verblijfsstatus een onvoorwaardelijk recht hebben op toegang tot onderdak, voedsel en kleding om te voorkomen dat deze personen hun basale levensbehoeften wordt onthouden. Daarbij wijst de rechtbank erop dat op de Staat geen rechtsplicht rust om uitgeprocedeerde vreemdelingen een opvang- en verzorgingsniveau te bieden dat gelijk is aan het niveau dat zij tot dan toe in het land van verblijf hebben ontvangen dan wel dat uitstijgt boven het niveau dat nodig is ter voorkoming van een humanitaire noodsituatie. Er bestaat dus in zijn algemeenheid geen verdergaand recht dan een recht op een sobere basisvoorziening. Overigens vloeit uit de definitiebepaling van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo voort dat het bij maatschappelijke opvang op grond van de Wmo gaat om het tijdelijk bieden van onderdak aan personen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Het betreft dus geen recht op huisvesting, zoals de Raad ook heeft overwogen in zijn uitspraak van 7 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:7).

17. Gelet op het voorgaande bevat het bestreden besluit gebreken. De rechtbank volgt verweerder immers niet in zijn in het bestreden besluit opgenomen standpunt dat eiser geen opvang hoeft te worden geboden. Indien en voor zover verweerder heeft verwezen naar de DT&V kan dit niet worden aangemerkt als voorliggende voorziening. De rechtbank volgt evenmin het standpunt van verweerder, dat de opvang in het kader van de Wmo onverplicht was.

18. Verweerder heeft inmiddels per 15 december 2014 een bed-bad-broodvoorziening ingesteld. Uit het door de rechtbank ingestelde onderzoek ter plaatse is gebleken dat de per 15 december 2014 door verweerder ingestelde bed-bad-broodvoorziening voldoet aan de vereisten voor een sobere basisvoorziening. De voorziening is geopend voor vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel vanaf 17.00 uur. Zij krijgen een bed toegewezen, kunnen een warme maaltijd nuttigen en gebruik maken van de douches. Overdag, na het ontbijt, moeten zij de locatie verlaten. De gebruikers kunnen een beperkte hoeveelheid spullen bewaren op de locatie en gebruik maken van wasmachines en een wasdroger. De slaapzalen, toiletten en douches voor mannen en vrouwen zijn gescheiden. Degenen die zich melden worden gescreend, waarbij gekeken wordt of zij tot de doelgroep behoren en of de geboden voorziening toereikend en passend is.

19. De rechtbank overweegt dat eisers verzoek om opvang verband houdt met zijn medische situatie. Er geldt voor eiser, hangende het beroep over artikel 64 van de Vw 2000, een uitzetverbod. Het verzoek van eiser om opvang is gelet op dit tijdelijke uitzetverbod niet uitsluitend gebaseerd op zijn medische situatie, zodat gelet op de uitspraak van 4 juni 2014 van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2014:1995) opvang op grond van de Wmo niet is uitgesloten.

20. Verweerder kan in beginsel volstaan te verwijzen naar een algemene voorziening. Anders dan eiser ter zitting heeft betoogd, is de rechtbank – gelet op bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 15 april 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM3583) – van oordeel dat maatschappelijke opvang zoals de bed-bad-broodvoorziening een algemene voorziening en geen individuele voorziening is in de zin van de Wmo. Indien deze voorziening voor eiser in verband met zijn medische problematiek niet passend of niet toereikend is, ligt het op de weg van eiser hiervoor een begin van bewijs te leveren. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij één nacht heeft verbleven in de bed-bad-broodvoorziening, maar dat het daar ’s nachts voor hem te onrustig is. Eiser heeft zijn medische problematiek, te weten PTSS en slaapproblemen, met verklaringen van psychologen en een neuroloog onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat eiser in de op hem rustende bewijslast is geslaagd. Vorenstaande brengt mee dat het thans op de weg van verweerder ligt om te onderzoeken of en in hoeverre de bed-bad-broodvoorziening passend en toereikend voor eiser is te achten. Daarbij wijst de rechtbank erop dat eiser aan dit onderzoek de door verweerder benodigde medewerking dient te verlenen.

21. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar tegen het primaire besluit van 30 juni 2014 te nemen en stelt daarvoor een termijn van zes weken.

22. Met betrekking tot het bezwaar van eiser tegen de e-mail van [medewerker] van 18 april 2014 overweegt de rechtbank ambtshalve dat deze e-mail niet is aan te merken als een besluit in de zin van de Awb. Met de voorzieningenrechter (zie de uitspraak van 26 juni 2014, AMS 14/2389) is de rechtbank van oordeel dat het e-mailbericht geen rechtsgevolg heeft. Bovendien is een rechtsgevolg ook niet beoogd. De rechtbank verwijst naar het gestelde in de brief van 25 april 2014, die verweerder kort na het indienen van het bezwaarschrift heeft gestuurd aan eiser. Daarin staat dat de aanvraag met voorrang in behandeling is genomen en dat naar verwachting op korte termijn een besluit genomen wordt. Dit betekent dan ook dat eiser niet kan worden ontvangen in zijn bezwaar gericht tegen deze e-mail. Voor zover in het bestreden besluit het bezwaar tegen de e-mail van 18 april 2014 ongegrond is verklaard, is dit besluit ook in zoverre niet juist.

23. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

24. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Ten aanzien van de op de zitting gevoegd behandelde zaken is sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp). Dit heeft tot gevolg dat in de fase van beroep deze zaken ten aanzien van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand moeten worden beschouwd als één zaak. De rechtbank verwijst naar het bepaalde in de artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbp. Gelet op bijlage C2 bij het Bbp is de wegingsfactor 1,5. In beroep komt het bedrag aan proceskosten neer op € 1.837,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het bijwonen van het onderzoek ter plaatse met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1,5). De vergoeding voor deze proceshandelingen is reeds toegekend in de zaak [naam 1] (AMS 14/4474), zodat in deze zaak geen proceskosten meer worden toegekend.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzitter en mr. M.J. van den Bergh en mr. C. Bakker, leden, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2015.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.