Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:2337

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-05-2015
Datum publicatie
15-05-2015
Zaaknummer
C-13-551629 - HA ZA 13-1557
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Verzoek wijziging legaat ex art. 4:123 BW. Verzoek ex 4:5 BW tot betaling in termijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2015/65
ERF-Updates.nl 2015-0199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 6 mei 2015

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/551629 / HA ZA 13-1557 van

1. de stichting

STICHTING LILIANE FONDS,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

nader te noemen: het Liliane Fonds

2. de stichting

STICHTING WORLD SOCIETY FOR THE PROTECTION OF ANIMALS AFDELING NEDERLAND, thans gewijzigd in

STICHTING WORLD ANIMAL PROTECTION AFDELING NEDERLAND,

gevestigd te 's Gravenhage,

nader te noemen: WSPA,

eiseressen in conventie,

verweersters in voorwaardelijke reconventie,

gezamenlijk nader te noemen: de stichtingen,

advocaat mr. A.C. Kool,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

nader te noemen: [gedaagde sub 1],

niet verschenen,

2 [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

nader te noemen: [gedaagde sub 2],

advocaat mr. M.G. Hees,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

nader te noemen: [gedaagde sub 3],

advocaat mr. M.J.P. Schipper.

gedaagden in conventie,

eiseressen in voorwaardelijke reconventie,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/560524 / HA ZA 14-248

[gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonplaats],

nader te noemen: [gedaagde sub 2],

advocaat mr. M.G. Hees,

eiseres,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

nader te noemen: [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats],

nader te noemen: [gedaagde sub 4],

gedaagden,

niet verschenen.

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/560589 / HA ZA 14-254 van

[gedaagde sub 3] ,

wonende te [woonplaats],

nader te noemen: [gedaagde sub 3],

advocaat mr. M.J.P. Schipper,

eiseres,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

nader te noemen: [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats],

nader te noemen: [gedaagde sub 4],

gedaagden,

niet verschenen.

1 De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van de stichtingen van 2 oktober 2013, met producties;

- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [gedaagde sub 2];

- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [gedaagde sub 3];

- de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident van [gedaagde sub 2];

- de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident van [gedaagde sub 3];

- het extract uit de minuten berustende ter griffie van de rechtbank Amsterdam, waarbij het [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] is vergund [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] in vrijwaring te doen dagvaarden;

- de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie van [gedaagde sub 2];

- de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie van [gedaagde sub 3];

  • -

    het tussenvonnis van 15 oktober 2014, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 februari 2015, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De procedure in de vrijwaringszaken

2.1.

Het verloop van de procedures blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in vrijwaring van [gedaagde sub 2] van 21 februari 2014, met producties;

  • -

    het herstelexploot van [gedaagde sub 2] van 3 maart 2014;

  • -

    de dagvaarding in vrijwaring van [gedaagde sub 3] van 25 februari 2014.

2.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] zijn niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend.

2.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

in de hoofdzaak en in de vrijwaring

in conventie en in reconventie

3.1.

[erflaatster] (hierna: [erflaatster]) is op [datum overlijden] overleden. [erflaatster] heeft op 24 april 2008 een testament laten verlijden. In het testament zijn [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], ieder voor een gelijk deel, benoemd tot de enige erfgenamen van [erflaatster]. [gedaagde sub 1] is benoemd tot executeur in de nalatenschap van [erflaatster] (hierna: [gedaagde sub 1] of executeur). In het testament is daarnaast aan ieder van de stichtingen een bedrag in contanten van 15% van het saldo van de nalatenschap gelegateerd.

3.2.

[gedaagde sub 3], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben de nalatenschap zuiver aanvaard. [gedaagde sub 1] heeft ook zijn benoeming tot executeur aanvaard.

3.3.

In artikel IV van het testament is het volgende opgenomen:

“Ik legateer, niet vrij van rechten en kosten, uit te keren binnen één jaar na mijn overlijden zonder bijberekening van rente, aan:

  1. de stichting: Stichting Liliane Fonds (…) een bedrag in contanten ter grootte van vijftien procent van het saldo van mijn nalatenschap, en

  2. de stichting: Stichting World Society for the Protection of Animals (…)

een bedrag in contanten ter grootte van vijftien procent van het saldo van mijn nalatenschap.

Onder “het saldo van mijn nalatenschap” versta ik de waarde van de goederen van mijn nalatenschap, verminderd met:

  1. de schulden van mijn nalatenschap die niet met mijn dood tenietgaan;

  2. de kosten van mijn begrafenis of crematie;

  3. de kosten van de vereffening van mijn nalatenschap, met inbegrip van het loon van de vereffenaar(s), en

  4. e kosten van executele, met inbegrip van het loon van de executeur,

een en ander voorzover zij van toepassing zijn. (…)”

3.4.

[gedaagde sub 2], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] hebben de volgende uitkeringen uit de nalatenschap ontvangen:

- op 27 juni 2008 ieder een bedrag van € 10.000,00;

- op 1 juni 2009 [gedaagde sub 1] een bedrag van € 48.295,00, [gedaagde sub 2] een bedrag van € 48.295,00 en [gedaagde sub 3] een bedrag van € 58.975,00;

- op 28 oktober 2010 ieder een bedrag van € 70.000,00.

3.5.

Op 24 maart 2011 heeft [gedaagde sub 2] een bedrag van € 10.169,78 en [gedaagde sub 3] een bedrag van € 11.373,78 teruggestort ten behoeve van de nalatenschap.

3.6.

Bij brief van 1 april 2011 heeft notaris mr. A.P. Roem de stichtingen op de hoogte gesteld van het aan hen toekomende legaat. De stichtingen hebben de legaten aanvaard.

3.7.

Bij brief van 21 december 2011 heeft de notaris aan de stichtingen laten weten dat de executeur in gebreke is gebleven met het storten van het volledige bedrag van het legaat op de derdengeldenrekening van de notaris.

3.8.

In december 2011 is er door de executeur aan beide stichtingen een bedrag van € 42.462,06 betaald.

3.9.

Bij brief van 8 augustus 2012 heeft het Liliane Fonds de executeur onder meer verzocht tot het afleggen van rekening en verantwoording. De executeur heeft hier niet op gereageerd.

3.10.

Bij brief van 9 januari 2013 heeft de advocaat van het Liliane Fonds de executeur gesommeerd over te gaan tot betaling van het resterende gedeelte van het legaat, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.11.

Bij brieven van 27 april 2012, 21 juni 2012 en 9 april 2013 heeft WSPA de executeur aangeschreven en verzocht contact op te nemen ten behoeve van de afwikkeling van het legaat.

3.12.

Op 26 april 2013 heeft de toenmalige raadsman van [gedaagde sub 1] gereageerd en meegedeeld dat er door de executeur ernstige fouten zijn gemaakt. De executeur heeft de stichtingen vervolgens verzocht akkoord te gaan met een betalingsregeling. De stichtingen hebben dit geweigerd.

3.13.

Bij brief van 19 juni 2013 heeft [gedaagde sub 2] [gedaagde sub 1] aansprakelijk gesteld voor alle schade die zij heeft geleden, lijdt en nog zal lijden als gevolg van het niet volledig uitbetalen van de legaten.

3.14.

In augustus 2013 heeft [gedaagde sub 1] een bedrag van € 1.456,- aan elk van de stichtingen betaald. Vanaf september 2013 heeft [gedaagde sub 1] maandelijks aan beide stichtingen een bedrag van € 728,00 betaald.

3.15.

Op 2 augustus 2013 heeft [gedaagde sub 1] een tweetal notariële akten schuldigerkenning doen passeren. Daarin erkennen [gedaagde sub 1] en zijn echtgenote [gedaagde sub 4] aan ieder van de stichtingen een bedrag verschuldigd te zijn van € 47.279,65. De akte houden tevens een volledige vrijwaring in van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ten aanzien van de vorderingen van de stichtingen.

3.16.

Bij brieven van 2 september 2013 hebben de stichtingen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] gesommeerd tot betaling van het restant van de legaten. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben hier geen gevolg aan gegeven.

3.17.

Met ingang van 22 januari 2014 is [gedaagde sub 1] als executeur ontslagen.

4 Het geschil

in de hoofdzaak

in conventie

4.1.

De stichtingen vorderen – samengevat –, na wijziging van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. te verklaren voor recht dat [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] met hun gehele vermogen aansprakelijk zijn voor de afgifte door elk van hen van één derde deel van de aan de stichtingen toekomende legaten uit de nalatenschap van [erflaatster] (geboren te Amsterdam op [geboortedatum] en overleden te Amsterdam op [datum overlijden]);

II. [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] te veroordelen tot betaling aan elk van de stichtingen van één derde deel van het bedrag van € 49.314,24, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2009;

III. [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk dan wel naar evenredigheid te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten ad € 1.788,00 en € 800,00 aan afwikkelingskosten aan elk van de stichtingen, dan wel aan de stichtingen naar evenredigheid;

IV. [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk, dan wel naar evenredigheid, te veroordelen in de kosten van deze procedure alsmede in de nakosten.

4.2.

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] voeren verweer. [gedaagde sub 1] is niet verschenen.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in (voorwaardelijke) reconventie

4.4.

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] vorderen – samengevat – in voorwaardelijke reconventie, namelijk in het geval niet kan worden volstaan met het verzoek tot opheffing, dan wel wijziging legaat en verzoek tot het toestaan tot betaling in termijnen in conventie, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de verbintenis uit legaat aan de stichtingen in conventie met terugwerkende kracht op te heffen, dan wel te wijzigen;

II. voor zover [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in conventie worden veroordeeld tot betaling aan de stichtingen, te bepalen dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] de veroordeling behoeven te voldoen in maandelijkse termijnen van € 300,00 per maand.

in de vrijwaringszaken

4.5.

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] vorderen – samengevat – dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] hoofdelijk, althans ieder bij helfte, worden veroordeeld om aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] te betalen datgene waartoe [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in de hoofdzaak jegens de stichtingen mochten worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met (hoofdelijke) veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] in de kosten van de vrijwaring inclusief nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

4.6.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] zijn niet verschenen.

5 De beoordeling

in conventie en in reconventie

5.1.

Vanwege redenen van proceseconomie zullen de vorderingen in conventie en in reconventie deels gezamenlijk worden behandeld.

5.2.

Tegen [gedaagde sub 1] is verstek verleend. Aangezien [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] wel zijn verschenen wordt dit vonnis op grond van artikel 140 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ook jegens [gedaagde sub 1] als een vonnis op tegenspraak beschouwd.

5.3.

Namens de stichtingen is ter comparitie verklaard dat zij onrechtmatige daad niet langer handhaven als grondslag voor de vordering op [gedaagde sub 1]. De rechtbank zal deze grondslag in het navolgende dan ook buiten beschouwing laten.

Verschuldigdheid legaat

5.4.

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] op grond van het testament van [erflaatster] als enige erfgenamen gerechtigd waren ieder tot één derde deel van het nalatenschapsvermogen nadat daar de nalatenschapsschulden vanaf waren getrokken en de legaten waren uitbetaald. Vast staat dat de legaten aan de stichtingen niet volledig zijn uitbetaald, maar dat er desondanks toch reeds uitkeringen aan [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn gedaan.

5.5.

In artikel 4:117 van het Burgerlijk Wetboek (BW), tweede en derde lid, is bepaald dat een legaat in beginsel ten laste van de gezamenlijke erfgenamen komt en dat de erfgenamen ieder voor een deel, evenredig aan hun erfdeel, verbonden zijn. Als uitgangspunt geldt dat de stichtingen hun legaat op grond van artikel 4:184, eerste lid, BW op (de goederen van) de nalatenschap van [erflaatster] kunnen verhalen en – gelet op de zuivere aanvaarding van de erfenis door [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] – op grond van artikel 4:184 lid 2 BW (naar evenredigheid) ook op het overige vermogen van de erfgenamen.

Wijziging legaat

5.6.

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben in conventie en (zo nodig) in voorwaardelijke reconventie verzocht het legaat op grond van artikel 4:123 BW op te heffen, dan wel te wijzigen. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben hiertoe onder meer aangevoerd dat zij er in het geheel niet van op de hoogte waren dat de executeur de legaten nog niet had uitbetaald. Zij vertrouwden er volledig op dat de executeur zich op de juiste wijze van zijn taken zou kwijten en gingen er vanuit dat zij recht hadden op de door hen ontvangen bedragen.

5.7.

Namens de stichtingen is ter comparitie verklaard dat zij er geen bezwaar tegen hebben het verzoek tot opheffing dan wel wijziging van het legaat in deze procedure te behandelen, ondanks dat dit door middel van een verzoekschriftprocedure had moeten gebeuren. De rechtbank acht zich dan ook bevoegd van dit verzoek kennis te nemen en zal het verzoek als een reconventionele vordering behandelen. De rechtbank oordeelt op dit punt als volgt.

5.8.

Op grond van artikel 4:123 BW kan een rechter de verbintenissen uit een legaat wijzigen of geheel of gedeeltelijk opheffen op grond van na het overlijden van de erflater ingetreden omstandigheden welke van dien aard zijn, dat de andere partij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van die verbintenissen niet mag verwachten.

5.9.

Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan in dit geval geen sprake. Het enkele feit dat [gedaagde sub 1] als executeur is benoemd en zich niet op de juiste wijze van zijn taken heeft gekweten, is daartoe onvoldoende. Op grond van artikel 4:117 BW geldt immers als uitgangspunt dat de legaten voor één derde deel ten laste van zowel [gedaagde sub 2] als [gedaagde sub 3] dienen te komen. Dat [gedaagde sub 1] ondanks dat de legaten nog niet (volledig) waren uitbetaald tot verdeling van de nalatenschap is overgegaan en de nalatenschap – zoals [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] stellen – door hen inmiddels (grotendeels) is geconsumeerd, is een omstandigheid die voor hun eigen rekening en risico dient te komen en die niet worden aangemerkt als een omstandigheid als bedoeld in artikel 4:123 BW.

5.10.

Dit betekent dat de rechtbank het verzoek tot opheffing dan wel wijziging van het legaat afwijst. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] (en [gedaagde sub 1]) zijn gehouden om de legaten naar evenredigheid aan de stichtingen te voldoen. Zij dienen dit bedrag te voldoen uit de nalatenschap van [erflaatster] dan wel – gelet op de zuivere aanvaarding van de erfenis – ten laste van hun overige vermogen. Het standpunt van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] dat zij enkel zijn gehouden tot betaling van hetgeen zij op grond van de regels van verdeling teveel hebben ontvangen, wordt gelet op het voornoemde uitgangspunten uit de artikelen 4:117 en 4:184 BW niet gevolgd. Voor zover de erfgenamen zich voor het overige beroepen op de bedoeling van de erflaatster kan dit beroep verder onbesproken blijven, aangezien de bedoeling van de erflaatster pas aan de orde komt bij een wijziging of opheffing van het legaat. De gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar.

Saldo van de nalatenschap

5.11.

Om de hoogte van de legaten te kunnen berekenen, dient allereerst het saldo van de nalatenschap vast te staan. In het testament van [erflaatster] is bepaald wat onder het saldo van de nalatenschap dient te worden verstaan: de waarde van de goederen van de nalatenschap verminderd met de schulden van de nalatenschap, de uitvaartkosten, de kosten van vereffening en de kosten van executele (zie 3.3).

I. Waarde goederen nalatenschap

5.12.

Uit het door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] als productie 21 bij de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie overgelegde overzicht (hierna: het overzicht saldo nalatenschap) blijkt dat er minus de waarde van de woning van [erflaatster] op het moment van overlijden in totaal een bedrag van (€ 613.332,99 -/- € 167.000,00 =) € 446.332,99 aan activa in de nalatenschap aanwezig was. Aangezien het overzicht saldo nalatenschap op dit punt door de stichtingen niet (voldoende) is betwist, zal de rechtbank hier in het navolgende vanuit gaan.

5.13.

Ten aanzien van de verkoopopbrengst van de woning geldt het volgende. Tussen partijen staat vast dat de woning van [erflaatster] bij verkoop een bedrag heeft opgeleverd van € 177.000,00. De rechtbank ziet – anders dan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben aangevoerd – geen aanleiding bij het bepalen van de waarde van de woning aan te knopen bij de WOZ-waarde van de woning. De woning is immers kort na het overlijden van [erflaatster] verkocht, zodat de rechtbank bij het bepalen van de waarde van de woning ten tijde van het overlijden zal aanknopen bij de daadwerkelijke verkoopopbrengst van de woning.

5.14.

Dit betekent dat de rechtbank de hoogte van de activa van de nalatenschap van [erflaatster] vaststelt op (€ 177.000,00 + € 446.332,99 =) € 623.332,99.

II. Schulden en kosten van de nalatenschap

5.15.

Partijen twisten over de vraag welke door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] opgevoerde bedragen tot de in het testament genoemde schulden van de nalatenschap, uitvaartkosten, kosten van vereffening en kosten van executele behoren. De rechtbank oordeelt als volgt.

5.16.

In het overzicht saldo nalatenschap is opgenomen dat er facturen van de notaris zijn ontvangen voor in totaal een bedrag van (€ 701,11 + € 452,20 + € 1.118,60 =) € 2.271,91. Aangezien de stichtingen deze kosten onvoldoende hebben betwist, zal de rechtbank deze kosten als kosten van de nalatenschap vaststellen.

5.17.

In het overzicht saldo nalatenschap is verder opgenomen dat er ten aanzien van de uitvaart van [erflaatster] kosten zijn gemaakt van in totaal (€ 262,00 + € 3.500,00 + € 450,00 + € 219,00 =) € 4.431,00. Ook deze kosten zullen – als door de stichtingen onvoldoende betwist – door de rechtbank als kosten van de nalatenschap worden vastgesteld.

5.18.

In het overzicht saldo nalatenschap is voorts opgenomen dat er aan belastingen en overige schulden een bedrag door [erflaatster] verschuldigd is van in totaal (€ 77,52 + 6.208,00 + € 29,83 + 167,81 =) € 6.483,16. Ook dit bedrag zal – als door de stichtingen onvoldoende betwist – door de rechtbank als kosten van de nalatenschap worden vastgesteld.

5.19.

In het overzicht saldo nalatenschap hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ten slotte een bedrag opgenomen aan kosten executele. De stichtingen hebben gemotiveerd betwist dat de door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] opgevoerde kosten dienen te worden aangemerkt als kosten executele. De rechtbank volgt de stichtingen in dit standpunt. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben ter onderbouwing van deze kosten volstaan met de verwijzing naar allerhande facturen, maar hebben onvoldoende onderbouwd op grond waarvan deze kosten aangemerkt dienen te worden als kosten executele.

5.20.

De kosten / schulden van de nalatenschap worden derhalve vastgesteld op (€ 2.271,91 + € 4.431,00 + € 6.483,16 =) € 13.186,07.

5.21.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wordt het saldo van de nalatenschap vastgesteld op (€ 623.332,99 -/- 13.186,07=) € 610.146,92. Dit brengt mee dat de legaten van de stichtingen dienen te worden vastgesteld op 15% van € 610.146,92 = € 91.522,04 per stichting.

in conventie

Betalingen [gedaagde sub 1]

5.22.

Vast staat dat [gedaagde sub 1] – naast de eenmalige betaling van € 42.462,06 als executeur van de nalatenschap – vanaf augustus 2013 betalingen aan de stichtingen heeft verricht (zie 3.14). [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben aangevoerd dat deze betalingen – gelet op de akte van schuldigerkenning – niet in mindering strekken op hetgeen [gedaagde sub 1] zelf aan de stichtingen verschuldigd is, maar op hetgeen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] aan de stichtingen verschuldigd zijn.

5.23.

Dit standpunt wordt door de rechtbank niet gevolgd. Als uitgangspunt geldt immers dat betalingen geacht worden te zijn verricht ten behoeve van de betalende partij en niet ten behoeve van een derde partij. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] dat [gedaagde sub 1] betalingen ten behoeve van hen verrichtte. Het enkele feit dat [gedaagde sub 1] in de akten schuldigerkenning [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ten aanzien van de vorderingen van de stichtingen volledig heeft gevrijwaard, is daartoe onvoldoende. De stichtingen zijn geen partij geweest bij deze akte, zodat hetgeen in deze akte aan afspraken is neergelegd de stichtingen in beginsel niet regardeert. Bovendien kan uit de akte niet worden afgeleid dat elke door [gedaagde sub 1] verrichte betaling eerst in mindering strekt op door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] verschuldigde bedragen en niet op het door hemzelf verschuldigde bedrag. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat de stichtingen – onbetwist – hebben gesteld dat er bij de betalingen door [gedaagde sub 1] niet is vermeld op welke schuld deze in mindering strekken. Gelet op het voorgaande is voor nadere bewijslevering geen plaats.

5.24.

Het ter comparitie ingenomen standpunt van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] dat er aan de zijde van de stichtingen een verzuimsituatie ontstaat omdat de stichtingen de betalingen door [gedaagde sub 1] niet als betalingen door een derde accepteren, snijdt geen hout. De stichtingen accepteren de betalingen wel, echter niet als (deel)betalingen op het door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] verschuldigde, maar op het door [gedaagde sub 1] verschuldigde. Van een verzuimsituatie is geen sprake.

5.25.

Naar het oordeel van de rechtbank dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de betalingen die [gedaagde sub 1] heeft verricht in de periode dat hij nog benoemd was tot executeur en de betalingen die hij na zijn ontslag als executeur op 22 januari 2014 heeft verricht (zie 3.17). Alle vóór 22 januari 2014 verrichte betalingen dienen in mindering te worden gebracht op het volledige restant van de legaten verschuldigd door de gezamenlijke erven [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3].

5.26.

Vast staat dat [gedaagde sub 1] tot aan zijn ontslag een bedrag van € 4.368,00 aan ieder van de stichtingen heeft voldaan (productie 19 bij de akte overlegging producties). Gelet op de eerdere betaling aan de stichtingen van € 42.462,06 (zie 3.8), resteerde er op 22 januari 2014 dus nog een legaat aan beide stichtingen van (€ 91.522,04 -/- € 42.462,06 -/- € 4.368,00 =) € 44.691,98. Dit betekent dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in conventie een bedrag van (1/3 x € 44.691,98 =) € 14.897,33 aan ieder van de stichtingen verschuldigd zijn.

5.27.

Vast staat dat [gedaagde sub 1] vanaf 22 januari 2014 in totaal een bedrag van aan ieder van de stichtingen € 8.736,00 heeft voldaan. Deze betalingen worden in mindering gebracht op hetgeen [gedaagde sub 1] in conventie zelf aan de stichtingen verschuldigd is (€ 14.897,33 -/- € 8.736,00 = € 6.161,33). Ten overvloede merkt de rechtbank op dat – voor zover er na 22 december 2014 nog betalingen door [gedaagde sub 1] zijn verricht – de stichtingen deze betalingen op het in het navolgende ten aanzien van [gedaagde sub 1] toegewezen bedrag in mindering dient te brengen.

4:5 BW: betaling in termijnen.

5.28.

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben de rechtbank op grond van artikel 4:5 BW verzocht te bepalen dat het door hen verschuldigde bedrag in termijnen mag worden voldaan. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben daartoe aangevoerd dat zij de uit de nalatenschap ontvangen gelden nagenoeg hebben geconsumeerd en gelet op hun inkomen enkel in staat zijn tot betaling in termijnen.

5.29.

De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van artikel 4:5 BW kan de rechtbank wegens gewichtige redenen bepalen dat het door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] verschuldigde bedrag in termijnen behoeft te worden voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] onvoldoende onderbouwd dat er in onderhavig geval sprake is van dergelijke gewichtige redenen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de legaten reeds medio 2009 opeisbaar zijn geworden en dat de stichtingen thans nog steeds een groot deel van deze legaten niet uit de nalatenschap voldaan hebben gekregen.

5.30.

Ook acht de rechtbank van belang dat de executeur ten onrechte – voor de uitkering van de legaten – is overgegaan tot verdeling van de nalatenschap en dat zowel [gedaagde sub 2] als [gedaagde sub 3] als gevolg hiervan grote bedragen hebben ontvangen. Dat zij die uitkeringen – zoals zij zelf stellen – thans grotendeels hebben geconsumeerd dient voor hun eigen rekening en risico te komen en vormen geen gewichtige reden als bedoeld in artikel 4:5 BW.

Wettelijke rente

5.31.

De stichtingen hebben zich op het standpunt gesteld dat hun vorderingen – op grond van artikel IV van het testament – op 24 mei 2009 opeisbaar zijn geworden en dat [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] vanaf dat moment van rechtswege in verzuim zijn en dus wettelijke rente over het legaat verschuldigd zijn.

5.32.

Dit standpunt wordt door de rechtbank niet gevolgd. Ondanks dat de legaten op 24 mei 2009 opeisbaar zijn geworden, betekent dit niet dat [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] vanaf die datum in verzuim zijn (art. 4:125, derde lid, BW). Dat de executeur niet (tijdig) aan zijn verplichting heeft voldaan om de stichtingen zo spoedig mogelijk van het legaat op de hoogte te stellen, maakt dit niet anders. Indien komt vast te staan dat het mislopen van de rente het gevolg is geweest van het handelen van de executeur bestaat de mogelijkheid eventuele schade op de executeur te verhalen. Aangezien de stichtingen de vordering op de executeur gegrond op onrechtmatige daad hebben laten vallen, komt de rechtbank aan die beoordeling niet toe.

5.33.

Dit betekent dat voor het intreden van verzuim dient te worden teruggevallen op de hoofdregel dat verzuim intreedt na een ingebrekestelling. Namens het Liliane Fonds is op 9 januari 2013 een ingebrekestelling verzonden op grond waarvan de executeur verzocht is voor 19 januari 2013 over te gaan tot betaling (zie 3.10). De eerdere namens het Liliane fonds verstuurde brieven kunnen niet als een ingebrekestelling worden aangemerkt. Dit betekent dat de wettelijke rente ten aanzien van het Liliane fonds per 19 januari 2013 zal worden toegewezen. Het standpunt van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] dat de sommatie van 9 januari 2013 enkel gericht was tot [gedaagde sub 1] en zij daardoor niet in verzuim zijn geraakt, wordt niet gevolgd. [gedaagde sub 1] trad op die datum immers nog op als executeur van de nalatenschap, zodat een tegen hem gerichte sommatie ook als sommatie jegens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] heeft te gelden.

5.34.

Ten aanzien van WSPA geldt het volgende. De door WSPA overgelegde brieven kunnen niet als een ingebrekestelling worden aangemerkt. De wettelijke rente zal ten aanzien van WSPA dan ook worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, te weten 2 oktober 2013.

Buitengerechtelijke incassokosten

5.35.

Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten overweegt de rechtbank als volgt. De stichtingen hebben – gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] – niet voldoende onderbouwd dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Dit onderdeel van de vordering is ten aanzien van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] dan ook niet toewijsbaar.

[gedaagde sub 1]

5.36.

De vorderingen jegens [gedaagde sub 1], tegen wie verstek is verleend, komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen – met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de hoogte van de legaten, de wettelijke rente en de nakosten – worden toegewezen. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen over het door [gedaagde sub 1] per 19 januari 2013 verschuldigde bedrag worden toegewezen.

Proceskosten

5.37.

[gedaagde sub 2], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] zullen als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, met dien verstande dat [gedaagde sub 1], tegen wie immers verstek is verleend, niet gehouden is het salaris van de advocaat, voor zover betrekking hebbend op de comparitie, te voldoen. De gevorderde hoofdelijke veroordeling in de proceskosten zal bij gebreke van betwisting worden toegewezen, voor zover het kosten betreft die allen moeten betalen. De kosten in het incident zullen worden gecompenseerd.

5.38.

De kosten aan de zijde van de stichtingen worden begroot op:

- dagvaarding € 92,82

- griffierecht 1.836,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 3.716,82

5.39.

Dit betekent dat [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] – gelet op hetgeen is overwogen in 5.37 – hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.822,82 en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] daarnaast hoofdelijk tot betaling van € 894,00 aan proceskosten.

5.40.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot.

De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld. De door de stichtingen gevorderde afwikkelingskosten, worden geacht te zijn begrepen onder het toe te wijzen bedrag aan nakosten en zijn derhalve niet toewijsbaar.

in reconventie

5.41.

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zullen als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5.42.

De kosten aan de zijde van de stichtingen worden begroot op:

- salaris advocaat 894,00 (2,0 punt x 0,5 x tarief € 894,00)

Totaal € 894,00

in de vrijwaringszaak

5.43.

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hebben gesteld dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] gehouden zijn om aan hen te betalen datgene waartoe zij in de hoofdzaak jegens de stichtingen worden veroordeeld.

5.44.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] zijn niet in de procedure verschenen, zodat de rechtbank tegen hen verstek heeft verleend. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] zullen ingevolge de hoofdregel van artikel 139 Rv bij verstek worden veroordeeld, tenzij de onderhavige vordering de rechtbank onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Dat is niet het geval. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] hebben immers in de notariële akten schuldigerkenning erkend dat zij op dat moment aan ieder van de stichtingen een bedrag verschuldigd zijn van € 47.279,65. De akte houdt tevens een volledige vrijwaring in van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ten aanzien van de vorderingen van de stichtingen. De vorderingen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] zullen dan ook worden toegewezen.

5.45.

De vordering van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] omvat de veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] tot vergoeding van de proceskosten in de hoofdzaak. Het door [gedaagde sub 2] in de hoofdzaak gevoerde verweer diende mede ter verdediging van de belangen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4]. De proceskosten die in de hoofdzaak in conventie voor rekening van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn gekomen, moeten daarom door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] worden vergoed. Aangezien de vrijwaring alleen ziet op de conventionele vordering, worden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] in vrijwaring enkel veroordeeld in de proceskosten in de hoofdzaak voor zover deze betrekking hebben op de conventionele vordering.

5.46.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] zullen als de in het ongelijk gestelde partij tevens hoofdelijk in de proceskosten van deze vrijwaringsprocedure worden veroordeeld. De kosten van het herstelexploot zullen voor rekening van [gedaagde sub 2] blijven. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] worden begroot op:

- dagvaarding € 97,74

- salaris advocaat 894,00 (1,0 punt × tarief € 894,00)

Totaal € 991,74

5.47.

De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 3] worden begroot op:

- dagvaarding € 97,74

- salaris advocaat 894,00 (1,0 punt × tarief € 894,00)

Totaal € 991,74

5.48.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot.

De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

6 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

in conventie

6.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] met hun gehele vermogen aansprakelijk zijn voor de afgifte door elk van hen van één derde deel van de aan de stichtingen toekomende legaten uit de nalatenschap van [erflaatster] (geboren te Amsterdam op [geboortedatum] en overleden te Amsterdam op [datum overlijden]),

6.2.

veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan ieder van de stichtingen te betalen een bedrag van € 14.897,33 (veertienduizend achthonderd zevenennegentig euro en drieëndertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag ten aanzien van het Liliane Fonds met ingang van 19 januari 2013 en met betrekking tot WSPA met ingang van 2 oktober 2013, tot de dag van volledige betaling, te voldoen binnen 7 dagen na dagtekening van dit vonnis,

6.3.

veroordeelt [gedaagde sub 3] om aan ieder van de stichtingen te betalen een bedrag van € 14.897,33 (veertienduizend achthonderd zevenennegentig euro en drieëndertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag ten aanzien van het Liliane Fonds met ingang van 19 januari 2013 en met betrekking tot WSPA met ingang van 2 oktober 2013, tot de dag van volledige betaling, te voldoen binnen 7 dagen na dagtekening van dit vonnis,

6.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan ieder van de stichtingen te betalen een bedrag van € 6.161,33 (zesduizend één honderd eenenzestig euro en drieëndertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag ten aanzien van het Liliane Fonds met ingang van 19 januari 2013 en met betrekking tot WSPA met ingang van 2 oktober 2013 tot de dag van volledige betaling, te voldoen binnen 7 dagen na dagtekening van dit vonnis,

6.5.

veroordeelt [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van de hoofdzaak, aan de zijde van de stichtingen tot op heden begroot op € 2.822,82,

6.6.

veroordeelt [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de resterende kosten van de hoofdzaak en het incident, aan de zijde van de stichtingen tot op heden begroot op € 894,00,

6.7.

compenseert de proceskosten in het incident, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.8.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan de stichtingen te betalen ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 1.072,95,

6.9.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in (voorwaardelijke) reconventie

6.10.

wijst het gevorderde af;

6.11.

veroordeelt [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in de kosten, aan de zijde van de stichtingen tot op heden begroot op € 894,00,

in conventie en in reconventie

6.12.

veroordeelt [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 205,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

6.13.

verklaart hetgeen is opgenomen onder 6.2 tot en met 6.12 uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaken in vrijwaring

6.14.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] te betalen al hetgeen waartoe [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] in de hoofdzaak jegens de stichtingen zijn veroordeeld, waaronder de proceskosten van de hoofdzaak waarin [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn veroordeeld, aan de zijde van de stichtingen in conventie begroot op € 3.716,82,

6.15.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van de vrijwaringszaak, aan de zijde van [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op € 991,74 en aan de zijde van [gedaagde sub 3] tot op heden begroot op € 991,74, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.16.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

6.17.

verklaart dit vonnis in de vrijwaringszaken uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Aalders, rechter, bijgestaan door mr. C.E. Ganzeboom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2015.1

1 *