Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:1960

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2015
Datum publicatie
07-04-2015
Zaaknummer
KG ZA 15-92
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gevorderde verbod op de executieveiling van de woning van eiser wordt afgewezen. Aannemelijk is dat eiser geen beroep op een opschortingsrecht toekwam zodat hij ten onrechte

een hypotheekachterstand heeft laten ontstaan. Dit heeft tot een gerechtvaardigde opzegging van de hypotheek geleid. De bank heeft geen zorgplicht geschonden.

Voorts is de per 1 januari 2015 in werking getreden wetgeving m.b.t. de executoriale verkoop van onroerende zaken, in het bijzonder de artikelen 516 en 517 Rv niet van toepassing

op de executie van een onroerende zaak waarvan, zoals in onderhavige zaak, de aanzegging overeenkomstig artikel 544 Rv vóór inwerkingtreding van deze wetgeving heeft plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/580141 / KG ZA 15-92 CB/TF

Vonnis in kort geding van 2 februari 2015

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 27 januari 2015,

advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

RABOHYPOTHEEKBANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de coöperatie

[naam gedaagde 2] ,

gevestigd te [plaats],

3. de naamloze vennootschap

FRIESLAND BANK N.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagden,

advocaat mr. M.H. Berrevoets te Doesburg.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk Rabohypotheekbank, [gedaagde 2] en Friesland Bank worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 29 januari 2015 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagden hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 2 februari 2015 de beslissing gegeven en is meegedeeld dat de uitwerking daarvan op 16 februari 2015 zal volgen. Het onderstaande vormt deze uitwerking.

Ter zitting waren voor zover van belang aanwezig:

aan de zijde van [eiser]: [eiser] met mr. Loonstein,

aan de zijde van gedaagden: [naam 1] (van de Afdeling Bijzonder Beheer van Rabobank Nederland) met mr. Berrevoets.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van een woning gelegen aan [adres 1] (hierna de woning).

2.2.

Op 12 december 2005 heeft de Friesland Bank [eiser] en zijn voormalige partner [naam 2] (hierna [naam 2]) een financieringsofferte met betrekking tot de woning verstrekt welke op 22 december 2005 door [eiser] en [naam 2] is ondertekend.

2.3.

Bij onderhandse akte van 6 februari 2006 heeft de Friesland Bank [eiser] en [naam 2] een lening van € 98.000,00 en een lening van € 57.000,00 verstrekt. Bij notariële akte van dezelfde datum werd tot zekerheid een eerste hypotheekrecht op de woning gevestigd tot een totaalbedrag van € 155.000,00, te vermeerderen met rente en kosten. Bij onderhandse akte van 6 februari 2006 heeft de Friesland Bank tot meerdere zekerheid voor nakoming van de verplichtingen van [eiser] en [naam 2] een pandrecht verkregen op rechten en vorderingen voortvloeiende uit een levensverzekering.

2.4.

Op 9 juli 2007 is [naam 2] bij akte ontslagen uit haar hypotheekverplichtingen.

2.5.

Uit een op 8 april 2013 en op 3 mei 2013 namens respectievelijk Friesland Bank en [gedaagde 2] ondertekende raamovereenkomst in verband met contractsoverneming en cessie volgt dat in het kader van de overname van de aandelen Friesland Bank door Rabobank Nederland een deel van de onderneming van de Friesland Bank zal worden overgedragen aan diverse tot de Rabobank Groep behorende entiteiten. De financiële producten van Friesland Bank zullen gefaseerd worden overgedragen aan onder meer [gedaagde 2] door contractoverneming. Voorts is bepaald dat rechten, vorderingen en aanspraken die Friesland Bank heeft of mocht verkrijgen in het kader van deze producten onder meer worden gecedeerd aan [gedaagde 2].

2.6.

Bij brief van 10 oktober 2013 heeft Friesland Bank aan [eiser] meegedeeld dat afgenomen producten op 1 februari 2014 zouden worden overgedragen aan de [gedaagde 2]. Bij brief van 23 januari 2014 heeft de [gedaagde 2] aan [eiser] meegedeeld dat deze overdracht zou gaan plaatsvinden.

2.7.

Medio februari 2014 heeft [eiser] aan de [gedaagde 2] meegedeeld “uit principe” geen rentebetalingen meer aan de bank te verrichten en gesteld dat hij zich heeft aangesloten bij een beweging genaamd “One People’s Public Trust”. Bij brieven van 17 en 25 maart 2014, alsmede 10 april en 28 april 2014 is [eiser] namens gedaagden gewezen op ontstane betalingsachterstanden en op 25 juni 2014 is [eiser] schriftelijk op de hoogte gesteld van het voornemen van gedaagden om tot parate executie van haar hypotheekrecht over te gaan. In haar brief van 25 maart 2014 heeft het service centrum financieren van Rabobank Nederland onder meer aan [eiser] geschreven:
“In het verleden is aan u een hypotheeklening verstrekt voor de aankoop van de woning, gelegen aan [adres 1]. Uw visie op het door banken verstrekken van leningen heeft u schriftelijk met ons gedeeld.(…) De inhoud van uw visie laat zich samenvatten als een uiting van onvrede over het in Nederland maar ook in andere landen, gehanteerde financiële systeem. Het spreekt voor zich dat het u vrij staat uw visie hierover te ventileren. Dit doet echter niets af aan de lening overeenkomst welke u bent aangegaan. De door u geponeerde stellingen zijn feitelijk onjuist en daarnaast ziet de bank deze als niet relevant. Zij herkent zich dan ook op generlei wijze in de door u geuite beschuldigingen. U hebt van de bank in totaal een bedrag van € 155.000,00 exclusief achterstanden geleend en afgesproken is dat u maandelijks aan de overeengekomen verplichtingen voldoet. Helaas blijft u daarmee in gebreke. (…)”

2.8.

In een akte van volmacht van 5 juni 2014 is bepaald dat de raad van bestuur van Friesland Bank, in het kader van haar overname door Rabobank Nederland, volmacht verleent aan Rabobank Nederland en Rabohypotheekbank haar te vertegenwoordigen in onder andere - kort gezegd - alle rechtshandelingen (beheers- en beschikkingshandelingen) met betrekking tot hypotheekrechten, waaronder alle rechtshandelingen in verband met een executoriale verkoop van zekerheden, het uitoefenen van het recht van parate executie en het in ontvangst nemen en verdelen van opbrengsten en het uitoefenen van aan de pandhouder toekomende rechten.

2.9.

Bij brief van 14 juli 2014 heeft [eiser] aan Rabobank Nederland een aantal vragen gesteld over zijn hypotheek, waaronder de vraag wie zijn schuldeiser is uit hoofde van de hypotheeklening. Bij brief van 25 juli 2014 heeft de advocaat van [eiser] de Rabobank Nederland nogmaals op de vragen aan de zijde van zijn cliënt gewezen en meegedeeld dat bij gebrek aan informatie zijn cliënt zich beroept op een opschortingsrecht ex artikel 6:37 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

2.10.

Bij brief van 18 juli 2014 heeft Rabobank Nederland namens gedaagden de financieringen met betrekking tot de woning per direct opgezegd in verband met de ontstane hypotheekachterstand. De bank heeft voldoening van de openstaande vordering verzocht en meegedeeld dat als niet aan dit verzoek wordt voldaan voorbereidingen voor de openbare verkoop van de woning zullen worden getroffen. In de brief staat voor zover van belang het volgende:

(…) Sinds lange tijd bent u in verzuim met de nakoming van uw financiële verplichtingen jegens de bank. Uw lening vertoont sinds geruime tijd een achterstand in betaling van de rente. Met onze brief van d.d. 28-04-2014 bent u met nadruk gewezen op de gevolgen als u niet voor betaling van de achterstanden zou zorgen. (…)

De vordering kan als volgt gespecificeerd worden:

LENINGNUMMER [(...)]

Restanthoofdsom EUR 98.000,00

Achterstallige rente tot 01-07-2014 EUR 1.715,00

(…)

LENINGNUMMER [(...)]

Restanthoofdsom EUR 57.000,00

Achterstallige rente tot 01-07-2014 EUR 997,50

(…)

Totaal EUR 158.071,46 + P.M.

BETAALREKENING MET IBAN (…)

Debetsaldo per 18-07-2014 EUR 2.829,40 + P.M. (…)

2.11.

Bij brief van 13 augustus 2014 heeft de notaris aan [eiser] meegedeeld dat hij van de Rabohypotheekbank opdracht heeft gekregen om tot openbare verkoop van de woning over te gaan en dat de openbare verkoop is gepland op 8 oktober 2014. Bij brief van 22 augustus 2014 is aan [eiser] de openbare verkoop op die datum nogmaals bevestigd door een andere notaris.

2.12.

Op 27 augustus 2014 heeft de advocaat van [eiser] een e-mail aan de notaris gezonden waarop door Rabobank Nederland op 27 augustus 2014 is gereageerd. In deze laatste e-mail staat voor zover van belang het volgende:

(…) kan ik u hierbij berichten dat de Friesland bank N.V. en [gedaagde 2] aan elkaar borgtocht hebben verstrekt voor de schulden van de debiteuren van aan Rabobank respectievelijk Friesland Bank. Op grond van deze borgtocht, en op grond van de door beide partijen ondertekende overeenkomst in verband met contractsoverneming is de Rabobank gerechtigd om over te gaan tot openbare verkoop van de woning van [eiser]. (…)

2.13.

Bij e-mail van 1 september 2014 heeft Rabobank Nederland documenten, waaronder de onder 2.5 en 2.8 vermelde raamovereenkomst en volmacht, aan [eiser] doen toekomen.

2.14.

Op 4 september 2014 is de openbare verkoop van de woning op 8 oktober 2014 aangezegd. Deze openbare verkoop is niet doorgegaan.

2.15.

Uit gegevens uit de Gemeentelijke Basisadministratie volgt dat [eiser] van

2 november 2014 tot 21 januari 2015 niet stond ingeschreven op het adres van de woning.

2.16.

Op 10 december 2014 heeft een notaris van CMS Derks Star Busmann te [plaats] aan [eiser] per aangetekende brief aan het adres van de woning meegedeeld dat hij opdracht van de Rabohypotheekbank heeft gekregen om over te gaan tot openbare verkoop van de woning op 3 februari 2015 te 13.30 uur.

2.17.

Bij brief van 23 december 2014 heeft een notaris van Lever Netwerk Notarissen te [plaats] aan [eiser] meegedeeld dat hij de opdracht heeft gekregen de openbare verkoop van de woning in gang te zetten en is [eiser] uitgenodigd voor een gesprek op 30 december 2014 te 14.00 uur op het kantoor van de notaris.

2.18.

Bij exploot van 31 december 2014 heeft de deurwaarder op verzoek van gedaagden aan [eiser] de openbare verkoop van de woning op 3 februari 2015 om 13.30 uur in het Congrescentrum “[(...)]” te ([(...)]) [plaats] aangezegd. Nu [eiser] op dat moment zonder vaste woon- of verblijfplaats in/of buiten Nederland was, is het exploot gedaan op het parket van het Openbaar Ministerie van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. Het exploot is ook betekend aan de gekozen woonplaats van de notaris genoemd in de hypotheekakte van 6 februari 2006.

2.19.

Bij brief en e-mail van 21 januari 2015 heeft de notaris de veilingvoorwaarden betreffende de openbare verkoop van de woning die bij akte van 20 januari 2015 zijn vastgesteld, aan [eiser] doen toekomen. Bij e-mail van 27 januari 2015 zijn de veilingvoorwaarden door de notaris aan de advocaat van [eiser] gestuurd.

2.20.

De advertenties met betrekking tot de openbare verkoop van de woning hebben op 2 en 3 januari 2015 respectievelijk in de Meppeler Courant en in de Stentor gestaan.

2.21.

Uit een uitdraai van [naam website] volgt dat de openbare verkoop van de woning daarop is vermeld.

2.22.

De vordering uit hoofde van de hypotheeklening bedroeg op 27 januari 2015

€ 165,023,95 te vermeerderen met achterstanden, rente en kosten. De achterstand in rente bedroeg op dat moment € 3.773,00 en € 2.194,50. Voorts zijn er taxatie- en notariskosten gemaakt voor de veiling op 8 oktober 2014 die niet door is gegaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - de geplande executieveiling op 3 februari 2015 te verbieden.

3.2.

De gedaagden voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna voor zover van belang nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Nu de veiling op 3 februari 2015 te 13.30 uur is gepland, heeft [eiser] er een spoedeisend belang bij om deze te laten verbieden, danwel te laten schorsen om zodoende de verkoop van zijn woning te voorkomen. Het verweer van gedaagden dat een spoedeisend belang zou ontbreken wordt dan ook verworpen.

4.2.

Gedaagden hebben aangevoerd dat Rabohypotheekbank en Friesland Bank uit hoofde van de hypotheeklening geen vordering op [eiser] hebben en dat [eiser] dan ook niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering jegens deze gedaagden. Dit verweer wordt niet gevolgd, immers uit het exploot van 31 december 2014 volgt dat de deurwaarder op verzoek van alle gedaagden de openbare verkoop aan [eiser] heeft aangezegd. Wie de uiteindelijke schuldeiser is zal hierna aan de orde komen.

4.3.

[eiser] heeft gesteld dat onduidelijk is welke gedaagde met betrekking tot de hypotheeklening de schuldeiser is. Hierdoor heeft hij gemeend dat hij met een beroep op een opschortingsrecht de hypotheeklasten niet meer behoefde te voldoen. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat ook in de executiefase onduidelijk is aan wie hij de volledige vordering uit hoofde van de hypotheeklening moet voldoen.

Het is volgens [eiser] dus maar de vraag of er thans wel bevoegd tot een executieveiling kan worden overgegaan. De aangezegde executieveilig mag derhalve niet plaatsvinden, aldus [eiser].

4.4.

Uit de feiten onder 2.5 en 2.8 volgt dat met betrekking tot de hypotheeklening de [gedaagde 2] als schuldeiser moet worden aangemerkt en dat aan haar bevrijdend kan worden betaald, alsmede dat Rabobank Nederland en Rabohypotheekbank een volmacht hebben verkregen van Friesland Bank haar in het verrichten van rechtshandelingen te vertegenwoordigen en dat aan al deze entiteiten dan ook bevrijdend kan worden betaald. Vast staat voorts dat de bij de feiten onder 2.5 en 2.8 vermelde stukken op 1 september 2014 aan [eiser] zijn verstrekt. Daarnaast is eveneens bij brieven van 10 oktober 2013 en 23 januari 2014 (zie bij de feiten onder 2.6) aan [eiser] meegedeeld dat de hypotheek door Friesland Bank aan [gedaagde 2] zou worden overgedragen. Niet kan derhalve worden gezegd dat [eiser] niet is geïnformeerd over de overdracht. Ook is niet gebleken dat er aanwijzingen waren dat de overdracht niet goed was geregeld en [eiser] risico liep dat zijn betalingen niet bij de juiste bank zouden terechtkwamen. Weliswaar is verwarrend geweest dat er steeds door of namens een andere entiteit met [eiser] is gecommuniceerd, maar in het licht van voornoemde overdracht had [eiser] kunnen begrijpen dat [gedaagde 2] de nieuwe schuldeiser was geworden. Aannemelijk is dan ook dat [eiser] geen beroep op een opschortingsrecht ex artikel 6:37 BW toekomt. [eiser] heeft derhalve ten onrechte een betalingsachterstand laten ontstaan die op 18 juli 2014 tot een gerechtvaardigde opzegging van de financieringen heeft geleid, waardoor [eiser] thans gehouden is de leningen af te lossen. Ter zitting heeft [eiser] nog verklaard dat hij twijfels heeft over de totstandkoming van de hypotheeklening. Hij heeft slechts een kopie gezien van de bij de feiten onder 2.3 vermelde notariële akte. Ter zitting is namens gedaagden aangeboden dat [eiser] het origineel of de grosse van de betreffende akte kan inzien bij de notaris. Van onregelmatigheden is voorshands niet gebleken. Al met al is ook niet aannemelijk geworden dat gedaagden hun zorgplicht jegens [eiser] hebben geschonden. [eiser] is er op gewezen dat zijn visie op het financiële stelsel, die er op neer lijkt te komen dat al het financiële verkeer fictief is waardoor hij ook niets hoeft te betalen, door de bank niet wordt gevolgd en dat volharding in zijn standpunten er toe zou leiden dat hij zijn woning zou kunnen verliezen.

4.5.

[eiser] stelt zich voorts op het standpunt dat de per 1 januari 2015 in werking getreden wetgeving met betrekking tot de executoriale verkoop, in het bijzonder de artikelen 516 en 517 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), door de notaris die belast is met onderhavige veiling niet is toegepast. Uit artikel IV van de Wet van 1 oktober 2014 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Burgerlijk Wetboek in verband met het transparanter en voor een breder publiek toegankelijk maken van executoriale verkoop van onroerende zaken ( Staatsblad 2014 352) volgt evenwel dat artikel I ( het artikel waarin de wijzigingen in artikel 516 en 517 Rv zijn vermeld), niet van toepassing is op de executie van een onroerende zaak waarvan de aanzegging overeenkomstig artikel 544 Rv vóór de inwerkingtreding van deze wet heeft plaatsgevonden. Vast staat in deze zaak dat bij exploot van 31 december 2014 de deurwaarder [eiser] heeft aangezegd dat de openbare verkoop van de woning zal plaatsvinden op 3 februari 2015 om 13.30 uur. Het exploot is op juiste wijze via het parket betekend omdat [eiser] op dat moment niet op het adres van de woning stond ingeschreven. Dat in het exploot het huisnummer van de veilinglocatie niet is genoemd maakt deze aanzegging niet ongeldig. [eiser] is hiermee niet in zijn belangen geschaad. De conclusie is dan ook dat op onderhavige veiling nog de oude artikelen 516 en 517 Rv van toepassing zijn. Conform het oude artikel 516 Rv hebben de advertenties met betrekking tot de openbare verkoop van de woning op 2 en 3 januari 2015 in [naam krant] en in [naam krant] gestaan, alsmede is de geplande executieveiling op [naam website] te zien. Dat voornoemde dagbladen een beperktere oplage hebben dan een landelijk dagblad maakt niet dat niet aan voornoemd artikel is voldaan. Voorts volgt uit het oude artikel 517 Rv dat de veilingvoorwaarden ten minste acht dagen voor de openbare verkoop ook aan de geëxecuteerde moet worden toegezonden. Deze toezending kan per gewone brief geschieden. Bij brief van 21 januari 2015 heeft de notaris aan [eiser], op het adres van de woning, alwaar hij inmiddels weer stond ingeschreven een afschrift van de veilingvoorwaarden doen toekomen. Aan het oude artikel 517 Rv is dan ook voldaan. De enkele en niet gemotiveerde betwisting van [eiser] dat hij de brief heeft ontvangen, kan in deze zaak niet tot een ander oordeel leiden. De veilingvoorwaarden zijn overigens ook per e-mail aan [eiser] verstuurd. Op grond van het voorgaande kan niet worden gezegd dat met betrekking tot de openbare veiling ongeldig en derhalve onrechtmatig is gehandeld zoals [eiser] heeft betoogd. Dat de advocaat van [eiser] niet tijdig over de executieveiling zou zijn geïnformeerd doet aan het voorgaande niet af. Gedaagden hoefden er niet van uit te gaan dat [eiser] zich nog door de raadsman liet vertegenwoordigen.

4.6.

Tot slot leidt ook een belangenafweging tussen partijen niet tot het oordeel dat de executieveiling moet worden verboden dan wel opgeschort. Het conflict tussen [eiser] en gedaagden duurt nu al geruime tijd en inmiddels is er een betalingsachterstand ontstaan en zijn er ook al kosten voor twee executieveilingen gemaakt. Nu ook is gebleken dat [eiser] zich onverzettelijk toont in zijn standpunt omtrent de door hem aangegane hypotheek en aannemelijk is dat in de toekomst wederom achterstand zal ontstaan weegt het belang van de bank bij de executieveiling zwaarder dan het belang van [eiser] om zijn woning te behouden en voorlopig aan de hypotheek gebonden te blijven. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.7.

Gezien het voorgaande is in deze zaak niet gebleken dat gedaagden onrechtmatig jegens [eiser] hebben gehandeld of misbruik van bevoegdheid maken door thans tot de executieveiling over te gaan. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorziening,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van gedaagden begroot op:

– € 613,00 € 613,00 aan griffierecht en

– € 613,00 € 816,00 aan salaris advocaat,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Berkhout, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G.H. Felix, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2015.1

1 type: GHF coll: