Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:1778

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2015
Datum publicatie
27-03-2015
Zaaknummer
C/13/486440 / HA ZA 11-944
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Incidenten 843a Rv, voeging, vrijwaring en aanhouding. Vorderingen 843a Rv en aanhouding in dit stadium afgewezen. Het is in de hoofdzaken aan eisers om uit te leggen welk nadeel zij hebben geleden en waarom dat nadeel door gedaagden is veroorzaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Vonnis in incident van 25 maart 2015

in de zaken

zaaknummer / rolnummer: C/13/486440 / HA ZA 11-944

de rechtspersoon naar buitenlands recht EQUILIB S.A.R.L.,

gevestigd te Parijs, Frankrijk,

eiseres in de hoofdzaak,

advocaat mr. M.H.J. van Maanen,

tegen

1. de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amstelveen, advocaat mr. J.S. Kortmann,

2. de naamloze vennootschap MARTINAIR HOLLAND N.V.,

gevestigd te Haarlemmermeer, advocaat mr. J.S. Kortmann,

3. de rechtspersoon naar buitenlands recht

SOCIÉTÉ AIR FRANCE S.A.,

gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk,

advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik,

gedaagden in de hoofdzaak,

en de gevoegde partijen

1. de rechtspersoon naar buitenlands recht SINGAPORE AIRLINES CARGO PTE LTD., gevestigd te Singapore, Singapore, advocaat mr. I.W. Verloren van Themaat,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht SINGAPORE AIRLINES LIMITED,

gevestigd te Singapore, Singapore, advocaat mr. I.W. Verloren van Themaat,

3. de rechtspersoon naar buitenlands recht LUFTHANSA CARGO A.G.,

gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland, advocaat mr. R.B. Gerretsen,

4. de rechtspersoon naar buitenlands recht DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,

gevestigd te Keulen, Duitsland, advocaat mr. R.B. Gerretsen,

5. de rechtspersoon naar buitenlands recht SWISS INTERNATIONAL AIRLINES A.G., gevestigd te Basel, Zwitserland, advocaat mr. R.B. Gerretsen,

6. de rechtspersoon naar buitenlands recht BRITISH AIRWAYS PLC,

gevestigd te Harmondsworth, Engeland, advocaat mr. D.J. Beenders,

7. de rechtspersoon naar buitenlands recht AIR CANADA,

gevestigd te Saint Laurent, Canada, advocaat mr. K.A.J. Bisschop,

8. de rechtspersoon naar buitenlands recht CATHAY PACIFIC AIRWAYS LIMITED, gevestigd te Hong Kong, Hong Kong, advocaat mr. Ph.W.M. ter Burg.

en zaaknummer / rolnummer: 486442 / HA ZA 11-945 (vrijwaringszaak)

1. de naamloze vennootschap KONINKLIJKE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Amstelveen, advocaat mr. J.S. Kortmann,

2. de naamloze vennootschap MARTINAIR HOLLAND N.V.,

gevestigd te Haarlemmermeer, advocaat mr. J.S. Kortmann,

3. de rechtspersoon naar buitenlands recht SOCIÉTÉ AIR FRANCE S.A.,

gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk, advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik,

eiseressen,

tegen

1 de rechtspersoon naar buitenlands recht SINGAPORE AIRLINES LIMITED,

gevestigd te Singapore, Singapore, advocaat mr. I.W. Verloren van Themaat,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht SINGAPORE AIRLINES CARGO PTE LTD, gevestigd te Singapore, Singapore, advocaat mr. I.W. Verloren van Themaat,

3. de rechtspersoon naar buitenlands recht DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,

gevestigd te Keulen, Duitsland, advocaat mr. R.B. Gerretsen,

4. de rechtspersoon naar buitenlands recht LUFTHANSA CARGO AG,

gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland, advocaat mr. R.B. Gerretsen,

5. de rechtspersoon naar buitenlands recht SWISS INTERNATIONAL AIRLINES AG, gevestigd te Basel, Zwitserland, advocaat mr. R.B. Gerretsen,

6. de rechtspersoon naar buitenlands recht BRITISH AIRWAYS PLC.,

gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk, advocaat mr. D.J. Beenders,

7. de rechtspersoon naar buitenlands recht AIR CANADA, gevestigd te Saint-Laurent, Canada, advocaat mr. K.A.J. Bisschop,

8. de rechtspersoon naar buitenlands recht CATHAY PACIFIC AIRWAYS LIMITED, gevestigd te Hong Kong, advocaat mr. Ph.W.M. ter Burg,

9. de rechtspersoon naar buitenlands recht LAN AIRLINES S.A.,

gevestigd te Santiago, Chili, advocaat mr. S.M. de Bruijn,

10. de rechtspersoon naar buitenlands recht LAN CARGO S.A.,

gevestigd te Miami, Florida, Verenigde Staten van Amerika,

11. de rechtspersoon naar buitenlands recht JAPAN AIRLINES CO. LTD., voorheen Japan Airlines International Co. Ltd, gevestigd te Tokyo, Japan, advocaat mr. M. Deckers,

12. de rechtspersoon naar buitenlands recht JAPAN AIRLINES CORPORATION, gevestigd te Tokyo, Japan, advocaat mr. M. Deckers,

13. de rechtspersoon naar buitenlands recht QANTAS AIRWAYS LIMITED,

gevestigd te Mascot, Australië, advocaat mr. P.P.R. Hoekstra,

14. de rechtspersoon naar buitenlands recht CARGOLUX AIRLINES INTERNATIONAL S.A., gevestigd te Sandweiler, Luxemburg, advocaat mr. A. Knigge,

15. de rechtspersoon naar buitenlands recht SAS A.B.,

gevestigd te Stockholm, Zweden, advocaat mr. W. Heemskerk,

16. de rechtspersoon naar buitenlands recht SCANDINAVIAN AIRLINES SYSTEM DENMARK-NORWAY-SWEDEN, gevestigd te Stockholm, Zweden, advocaat

mr. W. Heemskerk,

17. de rechtspersoon naar buitenlands recht SAS CARGO GROUP A/S,

gevestigd te Kastrup, Denemarken, advocaat mr. W. Heemskerk,

gedaagden,

en zaaknummer / rolnummer: 561169 / HA ZA 14-283

de besloten vennootschap

EQUILIB NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

advocaat mr. M.H.J. van Maanen,

tegen

1. de naamloze vennootschap

KONINKLIJKE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amstelveen, advocaat mr. J.S. Kortmann,

2. de naamloze vennootschap

MARTINAIR HOLLAND N.V.,

gevestigd te Haarlemmermeer,

advocaat mr. J.S. Kortmann,

3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
SOCIÉTÉ AIR FRANCE S.A.,

gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk,

advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik,

4. de rechtspersoon naar buitenlands recht

BRITISH AIRWAYS PLC,

gevestigd te Harmondsworth, Engeland,

advocaat mr. D.J. Beenders,

5. de rechtspersoon naar buitenlands recht

LUFTHANSA CARGO A.G.,

gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,

advocaat mr. R.B. Gerretsen,

6. de rechtspersoon naar buitenlands recht

DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,

gevestigd te Keulen, Duitsland,

advocaat mr. R.B. Gerretsen,

gedaagden in de hoofdzaak,

en

zaaknummer / rolnummer: 561722 / HA ZA 14-315 (vrijwaringszaak)

1. de naamloze vennootschap KONINKLIJKE LUCHTVAARTMAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Amstelveen, advocaat mr. J.S. Kortmann,

2. de naamloze vennootschap MARTINAIR HOLLAND N.V.,

gevestigd te Haarlemmermeer, advocaat mr. J.S. Kortmann,

3. de rechtspersoon naar buitenlands recht SOCIÉTÉ AIR FRANCE S.A.,

gevestigd te Tremblay en France, Frankrijk, advocaat mr. drs. D.A.M.H.W. Strik,

eiseressen,

tegen

1 de rechtspersoon naar buitenlands recht DEUTSCHE LUFTHANSA A.G.,

gevestigd te Keulen, Duitsland, advocaat mr. R.B. Gerretsen,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht LUFTHANSA CARGO AG,

gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland, advocaat mr. R.B. Gerretsen,

3. de rechtspersoon naar buitenlands recht SWISS INTERNATIONAL AIRLINES AG, gevestigd te Basel, Zwitserland, advocaat mr. R.B. Gerretsen,

4. de rechtspersoon naar buitenlands recht BRITISH AIRWAYS PLC.,

gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk, advocaat mr. D.J. Beenders,

5. de rechtspersoon naar buitenlands recht CARGOLUX AIRLINES INTERNATIONAL S.A., gevestigd te Sandweiler, Luxemburg, advocaat mr. A. Knigge,

6. de rechtspersoon naar buitenlands recht SAS A.B. ,

gevestigd te Stockholm, Zweden, advocaat mr. W. Heemskerk,

7. de rechtspersoon naar buitenlands recht SCANDINAVIAN AIRLINES SYSTEM DENMARK-NORWAY-SWEDEN, gevestigd te Stockholm, Zweden, advocaat

mr. W. Heemskerk,

8. de rechtspersoon naar buitenlands recht SAS CARGO GROUP A/S,

gevestigd te Kastrup, Denemarken, advocaat mr. W. Heemskerk,

gedaagden.

Eiseres in de hoofdzaken zal hierna Equilib worden genoemd. Gedaagden in de hoofdzaken en de gevoegde partijen zullen hierna gezamenlijk de luchtvaartmaatschappijen en afzonderlijk KLM, Martinair, AF, SIA, BA, Lufthansa/Swiss, Air Canada en Cathay worden genoemd. De overige partijen (gedaagden in de vrijwaringszaken) worden LAN, JAL, Qantas, Cargolux en SAS genoemd.

1 De procedure

in de hoofdzaak 11-944

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in het incident van 7 maart 2012, waarbij de behandeling van de hoofdzaak is aangehouden totdat de beschikking van de Europese Commissie van 9 november 2010 dan wel de uitspraak van de Europese rechter daarover in kracht van gewijsde is gegaan en naar de parkeerrol van 3 oktober 2012 is verwezen,

  • -

    het arrest van het hof Amsterdam van 24 september 2013, waarbij het incidentele vonnis van 7 maart 2012 is vernietigd onder meer voor zover daarbij de vordering in het incident tot aanhouding is toegewezen en die vordering alsnog is afgewezen en de zaak is terugverwezen naar deze rechtbank om voort te procederen,

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens verzoek tot aanhouding, tevens verzoek tot oproeping ex artikel 118 Rv, tevens incidentele conclusie tot voeging van 2 april 2014 van KLM/Martinair/AF, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord ter zake van het verzoek strekkende tot oproeping ex artikel 118 Rv in de hoofdzaak van 30 april 2014 van Equilib,

  • -

    de antwoordakte, althans incidentele conclusie van antwoord, in het licht van het verzoek van KLM c.s. om toestemming voor oproeping van derden ex art. 118 Rv en hun incidentele vordering tot voeging ex art. 222 Rv van 30 april 2014 van Lufthansa/Swiss,

  • -

    de conclusie van antwoord in incident tevens houdende akte tot referte van 30 april 2014 van Air Canada,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord in incidenten ex artikel 16 Verordening 1/2003, artikel 118 Rv en artikel 222 Rv tevens akte tot referte in incident ex artikel 30 verordening 1/2003 van BA van 30 april 2014,

  • -

    de conclusie van antwoord in het art. 118 Rv-incident van SIA van 30 april 2014,

  • -

    de akte houdende uitlating artikel 118 Rv van Cathay van 30 april 2014,

  • -

    de incidentele conclusie houdende vordering op grond van artikel 843a Rv en verzoek tot oproeping ex artikel 118 Rv van KLM/Martinair/AF van 19 november 2014, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident van KLM c.s. houdende vordering op de voet van artikel 843a Rv en verzoek tot oproeping op de voet van artikel 118 Rv van Equilib van 7 januari 2015,

  • -

    de incidentele conclusie houdende vorderingen ex art. 843a Rv, een verzoek tot toepassing van art. 22 Rv alsmede een verzoek tot opvragen van de beschikking op grond van art. 15 lid 1 Vo 1/2003 van Equilib van 19 november 2014, met producties,

  • -

    de conclusie antwoord in het incident ex artikel 843a Rv, 22 Rv en het verzoek ex artikel 15 lid 1 Vo 1/2003 van KLM/AF van 7 januari 2015, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord in de incidenten/verzoeken van Equilib ex artt. 843a Rv, 22 Rv en 15 lid 1 Vo 1/2003, met reactie op verzoek ex art. 118 Rv, van Lufthansa/Swiss van 7 januari 2015, met producties,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord in incidenten ex artikel 843a Rv, artikel 22 Rv en artikel 15 lid 1 Verordening 1/2003 van 7 januari 2015 van BA, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van gevoegde partij in het incident houdende vordering ex artikel 843a Rv verzoek tot toepassing van artikel 22 Rv alsmede verzoek tot opvragen van de beschikking op grond van artikel 15 lid 1 Vo 1/2003 van SIA van 7 januari 2015,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident c.q. de verzoeken houdende (i) namens Equilib: de incidentele vordering ex art. 843a Rv, een verzoek tot toepassing van art. 22 Rv en een verzoek tot opvragen van de beschikking op grond van art. 15 lid 1 Verordening 1/2003 en (ii) namens KLM c.s.: een verzoek tot oproeping ex art. 118 Rv, van Air Canada van

7 januari 2015,

  • -

    de brief van 20 januari 2015 van mr. Hoekstra namens Cargolux,

  • -

    de brief van 26 januari 2015 van mr. Deckers namens JAL,

  • -

    de akte overlegging producties in het incident houdende vorderingen ex art. 843a Rv, een verzoek tot toepassing van art. 22 Rv alsmede een verzoek tot opvragen van de beschikking op grond van art. 15 lid 1 Vo 1/2003 van Equilib van 5 februari 2015, met producties,

  • -

    het proces-verbaal van de op 5 februari 2015 gehouden comparitie/pleidooi, met de daarin genoemde processtukken en/of proceshandelingen.

in de hoofdzaak 14-283

1.2.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de incidentele conclusie houdende vorderingen tot voeging ex artikel 222 Rv tevens oproeping in vrijwaring van KLM/Martinair/AF van 23 april 2014, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van deze procedure met de procedure C/13/486440 / HA ZA 11-944 op de voet van art. 222 Rv, alsmede in het incident tot oproeping in vrijwaring van Equilib van 19 november 2014,

  • -

    de akte inzake de incidentele vorderingen/verzoeken van KLM c.s. ex artt. 843a Rv en 118 Rv van Lufthansa van 7 januari 2015, met producties,

  • -

    het vonnis in incident van 7 januari 2015, waarbij het bevoegdheidsincident is afgewezen, met de daarin genoemde processtukken en/of proceshandelingen,

  • -

    de brief van 20 januari 2015 van mr. Hoekstra namens Cargolux,

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring tevens vordering ex art. 843a Rv tevens akte tot referte inzake de incidentele vorderingen/verzoeken ex art. 118 Rv en 222 Rv van BA van 21 januari 2015, met producties,

  • -

    incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring tevens houdende incidentele vordering ex art. 843a Rv en tevens incidentele conclusie van antwoord inzake de incidentele vorderingen/verzoeken van KLM c.s. ex artt. 118, 222 en 843a Rv van Lufthansa van

21 januari 2015, met producties,

- het proces-verbaal van de op 5 februari 2015 gehouden comparitie/het pleidooi, met de daarin genoemde processtukken en/of proceshandelingen.

in de vrijwaringszaak 486442 / HA ZA 11-945

1.3.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 maart 2011, met producties,

  • -

    het vonnis in incidenten van 6 juni 2012,

  • -

    de akte wijziging eis van 2 april 2014, met producties,

  • -

    de conclusies van antwoord van 9 juli 2014 aan de zijde van alle gedaagden, met producties,

  • -

    de antwoordakte van KLM c.s. van 3 september 2014, met verzoek aanhouding, eiswijziging en producties,

  • -

    de antwoordaktes eisvermeerdering van 17 september 2014 van Qantas (met wijziging eis reconventie), BA, Cargolux en Japan Airlines International Co Ltd,

  • -

    het proces-verbaal van de op 5 februari 2015 gehouden comparitie/pleidooien en de daarin genoemde processtukken en/of proceshandelingen.

in de vrijwaringszaak 561722 / HA ZA 14-315

1.4.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 maart 2014, met producties,

  • -

    het proces-verbaal van de op 5 februari 2015 gehouden comparitie/pleidooien en de daarin genoemde processtukken en/of proceshandelingen.

in de hoofdzaken en in de vrijwaringszaken

1.5.

Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten/verzoeken. Na overleg met partijen is bij wijze van rolinstructie bepaald dat op 19 november 2014 desgewenst eventuele nadere incidenten/verzoeken konden worden ingeleid, waarna op 7 januari 2015 een antwoord kon worden genomen, waarna alle thans lopende incidenten/verzoeken tijdens de zitting van 5 februari 2015 zouden worden behandeld. Partijen hebben dan ook uitsluitend vonnis gevraagd met betrekking tot deze incidenten/verzoeken (vrijwaring, voeging, 843a Rv, 118 Rv), die hierna aan de orde komen. De rechtbank heeft overeenkomstig de correspondentie met partijen bepaald dat de ter rolle genomen conclusies en aktes worden geacht in alle zaken/incidenten/verzoeken, waarbij de desbetreffende partij belang heeft, te zijn genomen. Dit geldt ook voor correspondentie waarin standpunten, die voor de beoordeling van belang zijn, naar voren zijn gebracht.

2 De feiten in de hoofdzaken, de vrijwaringszaken en de incidenten/verzoeken

2.1.

Voor de feiten verwijst de rechtbank naar het vonnis in incidenten van 7 maart 2012 in de hoofdzaak 11-944 onder 2.1. tot en met 2.5. en naar het vonnis in incident van

7 januari 2015 in de hoofdzaak 14-283 onder 2.1. tot en met 2.4.

3 De vorderingen/verzoeken in de incidenten

3.1.

KLM c.s. vordert, zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    oproeping van derden op grond van artikel 118 Rv,

  • -

    afgifte van bescheiden op grond van artikel 843a Rv,

  • -

    voeging op grond van artikel 222 Rv,

  • -

    oproeping in vrijwaring,

  • -

    kostenveroordeling.

3.2.

Equilib vordert, zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    verstrekking van een afschrift van de beschikking van de Europese Commissie op grond van artikel 843a/22 Rv dan wel artikel 15 Verordening 1/2003 (hierna: Vo),

  • -

    afgifte van bescheiden op grond van artikel 843a/22 Rv,

  • -

    kostenveroordeling.

3.3.

BA vordert, zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    afgifte van bescheiden op grond van artikel 843a Rv,

  • -

    oproeping in vrijwaring,

  • -

    kostenveroordeling.

3.4.

Lufthansa vordert, zakelijk weergegeven, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    afgifte van bescheiden op grond van artikel 843a Rv,

  • -

    oproeping in vrijwaring,

  • -

    kostenveroordeling.

3.5.

De vorderingen van de onderscheiden partijen zullen gezamenlijk worden behandeld in die zin dat achtereenvolgens aan de orde zullen komen de incidenten/verzoeken ex artikel 222 Rv, vrijwaring en ex artikel 843a/22 Rv en 15 Vo.

4 De beoordeling in de incidenten/verzoeken

4.1.

Op grond van het vonnis in incident van 7 januari 2015 is deze rechtbank bevoegd kennis te nemen van het geschil in de zaak 561169 / HA ZA 14-283 tegen BA en Lufthansa. Met betrekking tot de overige gedaagden in beide hoofdzaken is de bevoegdheid van deze rechtbank niet in geschil.

in het incident tot voeging ex artikel 222 Rv

4.2.

KLM c.s. vordert op grond van artikel 222 Rv voeging van (a) de hoofdzaak 11-944 met de hoofdzaak 14-283, (b) de hoofdzaak 14-283 met de vrijwaringszaak 14-315 en (zo begrijpt de rechtbank, gelet op de gehele conclusie van KLM c.s. en hetgeen tijdens de zitting van 5 februari 2015 is besproken) (c) de vrijwaringszaak 11-945 met de vrijwaringszaak 14-315. De hoofdzaak 11-944 is al gevoegd met de vrijwaringszaak 11-945.

4.3.

De overige luchtvaartmaatschappijen en Equilib refereren zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.4.

Voor voeging op grond van artikel 222 Rv is vereist dat de beide procedures aanhangig zijn bij dezelfde rechter, dat sprake is van verknochtheid tussen beide procedures en dat beide procedures zich nog in een beginstadium bevinden. Met KLM c.s. is de rechtbank van oordeel dat aan deze vereisten in het onderhavige geval is voldaan. Alle procedures zijn bij deze rechtbank aanhangig en de voeging wordt gevorderd vóór alle weren. De te voegen procedures bevinden zich nagenoeg in hetzelfde stadium, zodat de voeging niet zal leiden tot een hinderlijke vertraging van deze procedures. Verder is aan de eis van verknochtheid voldaan. Het gaat in beginsel om juridische geschilpunten die voortvloeien uit hetzelfde gestelde feitencomplex, namelijk het beweerdelijk deelnemen van KLM c.s. en andere luchtvaartmaatschappijen aan een kartel. Beide procedures zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. In de hoofdprocedures staat immers centraal de hoofdelijke aansprakelijkheid van KLM c.s. (en BA en Lufthansa), terwijl in de vrijwaringsprocedures zal moeten worden beoordeeld in hoeverre een eventuele hoofdelijke veroordeling van KLM c.s. (en BA en Lufthansa) tot schadevergoeding kan worden afgewenteld op de gedaagden in de vrijwaringsprocedure. Een separate behandeling van beide procedures zou kunnen leiden tot het risico van een onwenselijke inconsistentie in de uitspraken, zodat voeging ook in het belang van de doelmatigheid en proceseconomie moet worden geacht. De verzoeken tot voeging worden op grond van het voorgaande dan ook toegewezen.

in het incident tot oproeping in vrijwaring

4.5.

KLM c.s., Lufthansa en BA vorderen andere luchtvaartmaatschappijen in vrijwaring op te roepen. Zij stellen daartoe, samengevat, dat voor zover de rechtbank zal oordelen dat zij door deelname aan het kartel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor enige schade, andere luchtvaartmaatschappijen mede draagplichtig zijn.

4.6.

Equilib refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.7.

Maatstaf voor de toewijsbaarheid van een vordering tot oproeping in vrijwaring is of de gedaagde partij in de hoofdzaak (voldoende onderbouwd) stelt dat de in vrijwaring op te roepen derde krachtens zijn rechtsverhouding tot hem verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak te dragen.

4.8.

De luchtvaartmaatschappijen hebben voldoende gemotiveerd gesteld dat als gevolg van deelname aan het kartel voor de andere luchtvaartmaatschappijen mogelijk een (gedeeltelijke) verplichting tot vrijwaring bestaat. Verder is de oproeping in vrijwaring gevorderd vóór alle weren. De vordering zal op dit onderdeel dan ook worden toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.

in het incident 843a Rv van KLM c.s.

4.9.

KLM c.s. vordert op grond van artikel 843a Rv afschrift van bescheiden (zoals luchtvrachtbrieven/air waybills, (raam)overeenkomsten en facturen en documentatie met betrekking tot cessies), zoals nader gespecificeerd in haar conclusies. Zij stelt daarbij een rechtmatig belang te hebben ter onderbouwing van haar verweer. De luchtvrachtbrieven/air waybills, (raam)overeenkomsten en facturen zijn nodig voor de bepaling van het toepasselijk recht, de eventuele verjaring van de vorderingen, de temporele en geografische reikwijdte van de vorderingen, de al dan niet een-op-een doorberekening van de toeslagen, welke partijen in vrijwaring moeten worden opgeroepen en de identiteit van de expediteurs. Verder zijn de onderliggende cessieovereenkomsten nodig om te kunnen achterhalen waaruit de vermeende schade zou kunnen bestaan, om welke specifieke vluchten het gaat, met welke expediteur is gecontracteerd en welke luchtvaartmaatschappij de desbetreffende vlucht heeft uitgevoerd. Aldus steeds KLM c.s.

4.10.

Equilib verzet zich tegen afgifte van de door KLM c.s. gevorderde bescheiden en voert hiertoe samengevat het volgende aan. De vordering is prematuur omdat in de hoofdprocedure nog (lang) geen oordeel is gegeven over de bewijslastverdeling en over een eventuele verzwaarde stelplicht van de luchtvaartmaatschappijen. Daarbij komt dat KLM c.s. zich reeds zeer goed in staat hebben geacht om zich te verweren tegen de vorderingen van Equilib zonder te beschikken over de gevorderde stukken. Zonder deugdelijke toelichting, die ontbreekt, valt in dit stadium van de procedure niet in te zien welk dringend (bewijs)belang zij thans ineens wel heeft bij de door haar gevorderde bescheiden. Daarbij komt dat Equilib in het vervolg van de procedure haar vorderingen nader zal onderbouwen, ook met bewijsstukken, zodat op voorhand niet kan worden beoordeeld welke stukken de luchtvaartmaatschappijen dan nog nodig zullen hebben voor hun verweer. Verder is van belang dat Equilib eerst tracht verklaringen voor recht te verkrijgen ten aanzien van de onrechtmatigheid en daarna een schadestaatprocedure zal voeren. Het vorderen van inzage in alle air waybills en alle facturen is bovendien een “fishing expedition”, waarvoor artikel 843a Rv niet is bedoeld. Verder zijn de gevorderde bescheiden onvoldoende concreet aangewezen en afgebakend. Bij toewijzing moeten de kosten die de gevraagde digitaliseringsoperatie met zich brengt, waartoe artikel 843a Rv overigens niet verplicht, door KLM c.s. worden gedragen, in het kader waarvan zij een voorschot vraagt van € 10 miljoen. Equilib heeft voorts voldoende stukken in het geding gebracht om de cessieovereenkomsten te beoordelen. Aldus steeds Equilib.

4.11.

Op grond van artikel 843a Rv kan een partij bij een juridische procedure inzage, afgifte of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden wanneer hij daarbij een rechtmatig belang heeft en de bescheiden betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij hij partij is. Artikel 843a lid 4 Rv bepaalt dat er geen gehoudenheid bestaat om aan de vordering te voldoen als dat niet nodig is voor een behoorlijke rechtsbedeling. Aldus kunnen de belangen van partijen worden afgewogen.

De belangenafweging bij een schadevergoedingsvordering, zoals de onderhavige, is nader uitgewerkt door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ) in de zaak Bundeswettbewerbsbehörde/Donau Chemie AG (HvJ 6 juni 2013/C-536/11): enerzijds het belang van verzoeker bij inzage in de gevraagde stukken met het oog op de voorbereiding van zijn beroep tot schadevergoeding, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de andere mogelijkheden die eventueel te zijner beschikking staan, en anderzijds met de concrete nadelige gevolgen voor openbare belangen of gerechtvaardigde belangen van anderen waartoe inzage kan leiden.

Verder is in geval van kartelschade de Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (hierna: de Richtlijn) relevant, en met name artikel 5 lid 3 dat over de toegang tot bewijsmateriaal gaat. De Richtlijn wordt nog geïmplementeerd, maar biedt in dit stadium (overeenkomstig het geldende recht) inzichten, beginselen en aanknopingspunten voor de beoordeling.

In het kader van voornoemde bepaling dient het verlenen van toegang tot bewijsmateriaal beperkt te worden tot wat evenredig is, waarbij rekening dient te worden gehouden met de rechtmatige belangen van alle betrokken partijen en derden. Met name moet rekening worden gehouden met de volgende elementen: (a) de mate waarin de claim of het verweer waarmee het verzoek om toegang tot bewijsmateriaal wordt gerechtvaardigd, wordt ondersteund door beschikbare feiten en beschikbaar bewijsmateriaal, (b) de omvang en de kosten van toegang, in het bijzonder voor betrokken derden, om te voorkomen dat gezocht moet worden naar niet-specifieke informatie waarvan het niet waarschijnlijk is dat zij relevant is voor de partijen in de procedure en (c) of het bewijsmateriaal waartoe toegang wordt gevraagd al dan niet vertrouwelijke informatie bevat, in het bijzonder over derden, en welke regelingen ter bescherming van dergelijke vertrouwelijke informatie van toepassing zijn.

4.12.

De rechtbank is van oordeel dat een afweging van de belangen van partijen met inachtneming van de hiervoor onder 4.11. genoemde uitgangspunten maakt dat de vordering van KLM c.s. op dit moment moet worden afgewezen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

In geval van toewijzing zal het verzamelen van de gevraagde – naar onvoldoende weersproken schatting miljoen – documenten zeer veel tijd in beslag zal nemen en zeer hoge kosten meebrengen. Hierdoor zal de procedure in aanmerkelijke mate worden vertraagd, terwijl het nog maar de vraag is of alle bescheiden waarvan afschrift wordt gevorderd nodig zijn voor het verweer, hetgeen wordt betwist.

4.13.

De vordering is in dit stadium van de procedure bovendien, gelet op het volgende, prematuur. KLM c.s. heeft in haar conclusie van antwoord de stellingen van Equilib gemotiveerd weersproken. Het ligt thans op de weg van Equilib om haar stellingen met betrekking tot de causaliteit en de schade nader te concretiseren. Voor zover Equilib betoogt dat in verband met de door haar gevorderde verklaringen voor recht thans alleen de onrechtmatigheid aan de orde is en de schade pas in de schadestaatprocedure aan de orde zal komen, gaat dat betoog niet op, nu de rechtbank het weinig zinvol acht om in deze procedure slechts over de onrechtmatigheid van de gedragingen van de luchtvaartmaatschappijen in het algemeen te oordelen (welk oordeel immers in belangrijke mate is voorbehouden aan de Europese Commissie en de Unierechter). Wil in deze procedure – hangende de beroepsprocedure bij de Unierechter – voortgang kunnen worden geboekt, zal het debat zich derhalve moeten toespitsen op specifieke gedragingen van de luchtvaartmaatschappijen (routes, vluchten etc.) en specifieke activiteiten van de (beweerdelijke) cedenten namens welke Equilib haar vordering heeft ingediend. Voorts acht de rechtbank het mogelijk om uiteindelijk (indien de onrechtmatigheid van bepaalde gedragingen vaststaat) de schade in de onderhavige procedure te begroten op de voet van artikel 612 Rv. Het schadedebat zal derhalve in de onderhavige procedure moeten worden gevoerd. Dit brengt met zich dat het voor een constructieve voortzetting van het debat tussen partijen noodzakelijk is dat in de eerstvolgende fase van de procedure concrete gegevens op tafel komen over het geleden nadeel. Pas daarna kan immers op een zinvolle manier inhoudelijk discussie worden gevoerd over thema’s als toepasselijk recht, verjaring en causaliteit. Equilib dient in dat kader concrete informatie te verstrekken over welk nadeel door haar (beweerdelijke) cedenten is geleden in verband met welke activiteiten van de cedenten en waarom dit nadeel is veroorzaakt door de handelwijze van de luchtvaartmaatschappijen. Deze informatie zal de ingrediënten kunnen leveren voor een beoordeling van thema’s zoals toepasselijk recht, verjaring en cessies.

4.14.

Verder is – voor de uiteindelijke vaststelling van de (omvang van de) schade – een analyse vereist van het werkelijke prijspeil (als het gaat om schade in verband met betaalde prijzen) dat in de relevante periode ten laste is gekomen van de cedenten en het hypothetische prijspeil dat door de cedenten zou zijn betaald indien de gewraakte handelwijze van de luchtvaartmaatschappijen achterwege zou zijn gebleven (waarbij relevante inzichten mogelijk kunnen worden ontleend aan het ‘Werkdocument van de diensten van de Commissie, Praktische Gids betreffende begroting van schade bij schadeacties wegens inbreuken op artikel 101 of 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, bij de Mededeling van de Commissie betreffende de begroting van schade bij schadeacties wegens inbreuken op artikel 101 of 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie’). Bij deze analyse zal aandacht moeten worden besteed aan alle relevante marktomstandigheden. Onderwerpen zoals de omvang, aard en strekking van deze analyse kunnen tijdens de regiezitting van 1 april 2015 aan de orde komen.

4.15.

Doorprocederen zonder nadere concrete informatie wordt voorshands niet doelmatig geacht, evenals een abstracte analyse over het toepasselijk recht, verjaring en cessie. Dit kan anders zijn indien een analyse van beperkte omvang op deze terreinen concreet uitzicht biedt op een minnelijke regeling, maar hierover hebben partijen tot op heden niets naar voren gebracht. Equilib kan, gelet op de lasten van de vereiste toelichting over de schade en het causaal verband, ervoor kiezen alsnog te berusten in aanhouding van de procedure, zoals verzocht door de luchtvaartmaatschappijen. Ook dit kan tijdens de regiezitting van 1 april 2015 aan de orde komen.

4.16.

Dit betekent dat de in dit stadium van het geschil noodzakelijke concretisering van het debat, die KLM c.s. beoogt te bereiken met haar vordering op de voet van artikel 843a Rv, naar redelijke verwachting vorm zal krijgen in door Equilib in te dienen processtukken. Dit brengt mee dat het meest zwaarwegende argument van KLM c.s., namelijk dat zij zich niet adequaat kan verweren tegen de vordering van Equilib, aan haar betoog komt te ontvallen. Verder weegt in het nadeel van KLM c.s. mee dat toewijzing van de vordering zeer substantiële inspanningen en kosten van Equilib zou vergen en bovendien een zeer aanzienlijke vertraging in de voortgang van de procedure zou opleveren.

4.17.

Een en ander leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat een redelijke afweging van de betrokken belangen (thans) in het nadeel van KLM c.s. uitvalt. KLM c.s. heeft dan ook in dit stadium geen rechtmatig (bewijs)belang in de zin van artikel 843a Rv, zodat haar vordering zal worden afgewezen. In het geval Equilib op een later moment nieuwe stellingen inneemt, zullen de luchtvaartmaatschappijen in de gelegenheid worden gesteld daarop te antwoorden. Hun verweer zal alsdan niet als tardief worden geoordeeld. In een later stadium kan dan eventueel, afhankelijk van de bewijslevering, de afgifte van bescheiden alsnog aan de orde komen.

in het incident tot afgifte van bescheiden ex artikel 843a/22 Rv van Equilib

4.18.

Equilib vordert primair op grond van artikel 843a Rv en subsidiair op grond van artikel 22 Rv afschrift van documenten zoals in de conclusie is vermeld (zoals e-mails en gespreksverslagen in verband met de werkwijze van het kartel). Equilib stelt daartoe samengevat dat de documenten naar haar verwachting inzicht bieden in de werkwijze van het kartel en daarmee relevante informatie voor onder meer de causaliteit en de aannemelijkheid van schade. De door Equilib gevorderde documenten betreffen een concreet type bescheiden in een afgebakend tijdvak ten aanzien van een specifiek onderwerp en zijn aldus voldoende bepaald. Aldus steeds Equilib.

4.19.

De luchtvaartmaatschappijen betwisten dat Equilib een rechtmatig belang bij haar vordering heeft en dat die vordering voldoende bepaald is. De vordering heeft het karakter van een “fishing expedition” waarvoor artikel 843a Rv zich niet leent. Equilib heeft ook niet uitgelegd waarom die stukken nodig zijn voor haar “Europese vorderingen”, in aanvulling op de inhoud van de door haar overgelegde honderden pagina’s documenten van Koreaanse en Amerikaanse autoriteiten over het vermeende kartel. Aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.

4.20.

In het kader van de vereiste belangenafweging (waaronder het gestelde bewijsbelang van Equilib en de vraag of zij een rechtmatig belang bij haar vordering heeft) overweegt de rechtbank, steeds met inachtneming van de hiervoor onder 4.11. genoemde uitgangspunten, als volgt.

De vordering is prematuur aangezien Equilib tot op heden niet concreet heeft toegelicht in hoeverre zij de documentatie waarvan zij afschrift vordert nodig heeft ter onderbouwing van haar vordering. Equilib heeft immers niet geconcretiseerd jegens welke (beweerdelijke) cedenten als gevolg van het kartel onrechtmatig is gehandeld en welk nadeel door deze cedenten is geleden door toedoen van de luchtvaartmaatschappijen. Verder zal in het geval van toewijzing het verzamelen van de gevraagde documenten veel tijd in beslag nemen en hoge kosten meebrengen, terwijl bovendien is betwist dat alle gevraagde gegevens voorhanden zijn. Kortom: Equilib moet eerst haar stellingen zo goed mogelijk toelichten aan de hand van de informatie waar zij al over beschikt en de informatie waarover zij in overleg met haar cedenten kan beschikken. Indien zij dit doet en nog nadere gegevens nodig heeft waarover de luchtvaartmaatschappijen kunnen beschikken, kan opnieuw de vraag aan de orde komen of de luchtvaartmaatschappijen afschrift van stukken moeten overleggen.

Aldus weegt het belang van de luchtvaartmaatschappijen bij afwijzing van de vordering in dit stadium zwaarder dan het belang van Equilib bij afgifte van de gevraagde bescheiden. Equilib heeft in dit stadium onvoldoende rechtmatig belang en onvoldoende bewijsbelang. De vordering zal op dit onderdeel dan ook worden afgewezen.

verzoek van Equilib tot verstrekking van een afschrift van de beschikking van de Europese Commissie op grond van artikel 843a/22 Rv dan wel 15 Vo

4.21.

Equilib vordert dat KLM, AF, BA en Lufthansa afschrift verstrekken van de vertrouwelijke (unredacted) versie van de beschikking, onder nader door deze rechtbank vast te stellen voorwaarden, en stelt daartoe het volgende. De Commissie heeft in haar brief van 5 februari 2015 medegedeeld dat zij geen bezwaren heeft tegen overlegging van de vertrouwelijke versie van de beschikking, zo lang de vertrouwelijke gegevens die daarin zijn opgenomen, waaronder die van derden, maar voldoende worden beschermd. Equilib stelt voor om een confidentiality ring in te stellen waarbuiten de gegevens onder geen beding mogen worden gedeeld. Wat Equilib betreft kan de confidentiality ring beperkt blijven tot Equilib zelf, haar advocaten en experts. De verwijzingen naar de leniency corporate statements in de beschikking kunnen worden verwijderd. Wel moet hetgeen de Commissie zelf heeft opgenomen in de beschikking zoveel mogelijk blijven staan. Het belang van Equilib is gelegen in de piketpalen die in de beschikking staan (welke vluchten in welke periodes zijn door de Europese Commissie aangemerkt als ongeoorloofd). De luchtvaartmaatschappijen proberen nagenoeg alle relevante informatie in de beschikking en overige bescheiden buiten de procedure te houden. Blijkens rechtspraak van het HvJ is het de taak van de nationale rechter om de belangen die de mededeling van de inlichtingen dan wel de bescherming ervan rechtvaardigen, tegen elkaar af te wegen. Voorts kan een beroep op artikel 8 EVRM niet in de weg staan aan openbaarmaking van informatie die betrekking heeft op de deelneming van een onderneming aan een inbreuk op het mededingingsrecht. Aldus steeds Equilib.

4.22.

KLM, AF, BA en Lufthansa voeren samengevat ter afwering het volgende aan. Equilib heeft geen belang bij overlegging van de beschikking, aangezien alleen het dictum bepalend is voor haar vorderingen. De overwegingen in de beschikking die niet in een dictum uitmonden, kunnen niet aan de luchtvaartmaatschappijen tegengeworpen worden omdat dit in strijd is met de onschuldpresumptie. Bovendien is inmiddels een samenvatting van de beschikking beschikbaar, waarin de hoogte en juridische grondslag van de opgelegde boetes en periode waarin de vermeende concurrentiebeperkende gedragingen door de geadresseerden van de beschikking zich zouden hebben voorgedaan staan vermeld. Bovendien kan Equilib ook een versie van de beschikking opvragen bij de Commissie waarin alle informatie is opgenomen die niet als vertrouwelijk is aangemerkt door een van de luchtvaartmaatschappijen. Verder is de vordering prematuur omdat de beschikking nog niet definitief is. Afgifte van de vertrouwelijke versie van de beschikking is een onaanvaardbare doorkruising van de lopende zorgvuldige en met rechtswaarborgen omklede openbaarmakingsprocedure van de Commissie in de zin van artikel 30 Vo. Volgens vaste jurisprudentie van de Unierechter moet de Commissie rekening houden met alle ingediende vertrouwelijkheidsclaims, waaronder niet alleen die van de geadresseerden, maar ook van derden. Al deze partijen zouden door deze rechtbank in deze procedure moeten worden betrokken en in staat worden gesteld om hun vertrouwelijkheidsclaims naar voren te brengen. De rechtbank zou dan vervolgens op grond van het beginsel van loyale samenwerking een eigen beslissing over het Pergan-materiaal moeten aanhouden totdat de Commissie daarover zal hebben beslist. Deze werkwijze is tijdrovend, duur en niet doelmatig en leidt tot veel dubbel werk, omdat in Engeland en in Brussel ook al hetzelfde werk plaatsvindt. Equilib kan en mag op die beoordeling van de Commissie niet vooruitlopen, ongeacht de basis van haar verzoek. Verder wijzen de luchtvaartmaatschappijen op de stand van zaken in de Engelse procedure, waarin BA de volledige verantwoordelijkheid heeft moeten nemen voor het verwijderen van vertrouwelijke gegevens uit de beschikking, waarbij zij in feite werd opgezadeld met het werk van de Commissie. Het proces van schonen van de beschikking in Engeland is nog niet definitief afgerond omdat er nog een hoger beroep loopt over de vertrouwelijkheid van de Pergan-informatie. Aldus steeds de luchtvaartmaatschappijen.

4.23.

In het kader van de vereiste belangenafweging (waaronder het gestelde bewijsbelang van Equilib en de vraag of zij een rechtmatig belang bij haar vordering heeft) oordeelt de rechtbank, steeds met inachtneming met de hiervoor onder 4.11. genoemde uitgangspunten, als volgt.

4.24.

Equilib stelt dat haar belang bij afgifte van de beschikking is gelegen in het achterhalen van de daarin vermelde piketpalen, onder meer ter onderbouwing van de causaliteit en de aannemelijkheid van schade. Equilib heeft echter niet concreet uitgelegd waarom het “inzoomen” op deze vluchten doelmatig is. Zo heeft zij niet gesteld dat zij daarbij belang heeft omdat het tijd en moeite scheelt. Het had op de weg van Equilib gelegen om een concreet inzicht te verschaffen in hoeveel tijd en moeite het zou kosten om die informatie te achterhalen zonder die piketpalen (zie hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.12 en verder met betrekking tot de vereiste analyse van nadeel en causaal verband). Dit geldt te meer nu de luchtvaartmaatschappijen hebben aangevoerd dat de door Equilib genoemde piketpalen ook in de samenvatting van de beschikking staan.

4.25.

Partijen wensen in de incidenten/verzoeken die nu aan de orde zijn het tijdrovende onderzoek (waardoor de omvang van het geschil zou kunnen worden beperkt) neer te leggen bij de ander. Zo wenst Equilib inzicht te verkrijgen in piketpalen, beslissingen van de Europese Commissie en e-mails en gespreksverslagen, terwijl de luchtvaartmaatschappijen aandringen op overlegging van vrachtbrieven en overeenkomsten met expediteurs. Partijen denken aan de hand hiervan verder te kunnen debatteren over een of meer abstracte en formele thema’s als toepasselijk recht, verjaring en cessies, welk debat maanden of jaren zou kunnen duren, reeds omdat maanden of jaren nodig zouden kunnen zijn voor het ordenen, inventariseren, kopiëren, bestuderen en becommentariëren van de miljoenen pagina’s over en weer overgelegde stukken (of op te zetten digitale bestanden), dan wel het tot stand brengen van een niet vertrouwelijke versie van de beschikking met inachtneming van alle vereiste waarborgen. De rechtbank acht een dergelijke gang van zaken niet doelmatig, te meer nu een duidelijk en betrekkelijk eenvoudig en efficiënt alternatief voorhanden is overeenkomstig het gewone Nederlandse procesrecht. Zoals hiervoor is overwogen onder 4.12 en verder, ligt het op de weg van Equilib haar schade en het causaal verband toe te lichten, waarna de luchtvaartmaatschappijen de gelegenheid zullen hebben op deze punten nader verweer te voeren. Voorshands is deze werkwijze naar het oordeel van de rechtbank in aanzienlijke mate doelmatiger dan abstracte discussies over het toepasselijke recht, verjaring en cessies.

4.26.

Hierbij moet nog het volgende worden opgemerkt. Tegenover het belang van Equilib staat het publieke belang van geheimhouding van gegevens van de geadresseerden van de beschikking en derden. Het HvJ heeft in diverse uitspraken geoordeeld dat met die belangen rekening moet worden gehouden. Het Gerecht (Europese Unie) heeft in de zaak Schenker AG/Commissie geoordeeld dat de Commissie uitsluitend een niet-vertrouwelijke versie van de beschikking mag verstrekken waaruit alle informatie is verwijderd waarvoor zowel door de geadresseerden als door andere belanghebbende ondernemingen een verzoek om vertrouwelijke behandeling is ingediend. Dit brengt met zich dat ook als de rechtbank zou overwegen om een vertrouwelijke versie van de beschikking binnen de confidentiality ring openbaar te maken, de rechten van betrokkenen die het Europese recht verleent moeten worden gewaarborgd. Dit wordt ook bevestigd in de door Equilib overgelegde brief van de Commissie van 5 februari 2015, waarin zij schrijft dat ook uit de beschikking die binnen de confidentiality ring ter beschikking komt het Pergan-materiaal verwijderd moet worden. Aldus zou de rechtbank feitelijk het werk dat het HvJ van de Commissie eist in haar plaats moeten verrichten.

Dit zou een zeer omvangrijk, tijdrovend en moeizaam proces impliceren voor zowel de rechtbank als de betrokken partijen. De beschikking bestaat immers uit ruim 300 pagina’s.

Daarbij komt dat niet alle luchtvaartmaatschappijen die hun eigen eisen hebben ten aanzien van de vertrouwelijkheid van het Pergan-materiaal, zoals SIA en Cathay, partij zijn bij deze procedure, terwijl het niet de bedoeling kan zijn dat hun belangen door anderen moeten worden behartigd.

4.27.

Verder geldt dat in de Engelse procedure is gebleken dat openbaarmaking binnen een confidentiality ring niet snel tot enig resultaat leidt. De luchtvaartmaatschappijen hebben ter zitting verklaard dat men in de Engelse procedure al meer dan een jaar bezig is om overeenstemming te bereiken over een geredigeerde versie van de beschikking en dat die procedure op dit moment zelfs stil ligt in verband met verschillende vertrouwelijkheidsclaims.

4.28.

Voorts is van belang dat de openbaarmakingsprocedure bij de Commissie zich in een vergevorderd stadium bevindt en dat niet is gezegd dat de rechtbank sneller tot een voor afgifte geschikte versie van de beschikking zal komen. In het kader van de met rechtswaarborgen omklede openbaarmakingsprocedure lijkt de Commissie hiertoe op voorhand beter geëquipeerd te zijn.

4.29.

Al met al is de rechtbank op grond van het voorgaande van oordeel dat in het kader van een afweging van de hiervoor omschreven belangen van partijen, het belang van Equilib bij afgifte van een vertrouwelijke versie van de beschikking op welke grond dan ook, tegenover de gerechtvaardigde belangen van de luchtvaartmaatschappijen, onvoldoende zwaar weegt om tot toewijzing van de vordering op dit onderdeel te komen. Die vordering zal dan ook worden afgewezen.

het verzoek tot oproeping van derden op grond van artikel 118 Rv

4.30.

KLM c.s. vordert haar toe te staan om in de hoofdzaken 11-944 dan wel 14-283 de overige luchtvaartmaatschappijen en Barnsdale Cartel Damage Solutions AG (hierna: Barnsdale) als medegedaagden op te roepen. KLM c.s. stelt daartoe samengevat het volgende. Artikel 118 Rv biedt een zelfstandige grondslag voor oproeping van derden en een dergelijke oproeping doet geen afbreuk aan de partijeconomie van Equilib.

Het is “noodzakelijk” en “zinvol”, als bedoeld in de door KLM c.s. in haar conclusie van antwoord en incidentele conclusie aangehaalde rechtspraak (recent HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, X/Gemeente De Bildt), dat alle overige luchtvaartmaatschappijen rechtstreeks aan het partijdebat in de hoofdzaak deelnemen. Zonder een dergelijke deelname wordt het KLM c.s., die hoofdelijk wordt aangesproken met de andere luchtvaartmaatschappijen, onnodig moeilijk gemaakt om op de stellingen van Equilib te reageren, bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag of de overige luchtvaartmaatschappijen hebben deelgenomen aan de gestelde inbreuk en, zo ja, in hoeverre zij aan hun cliënten schade hebben berokkend. Omdat dit concurrentiegevoelige informatie betreft zullen de andere luchtvaartmaatschappijen die informatie niet willen verstrekken. Daarbij heeft KLM c.s. bovendien een rechtens te respecteren belang om jegens alle beweerdelijk betrokken luchtvaartmaatschappijen eenzelfde, niet-tegenstrijdige en bindende uitspraak te verkrijgen.

Met betrekking tot de oproeping van Barnsdale is van belang dat zij namens onder meer vijf grote expediteurs een procedure in Duitsland is gestart ter verkrijging van schadevergoeding van de karteldeelnemers voor de schade die expediteurs stellen te hebben geleden als gevolg van het kartel. KLM c.s. heeft er belang bij te voorkomen dat zij tweemaal voor dezelfde schade aansprakelijk worden gesteld: als een expediteur een prijsverhoging heeft doorbelast, heeft zij geen schade, maar als de prijsverhoging niet is doorbelast, heeft de shipper geen schade. Als Barnsdale in de onderhavige procedure wordt betrokken kan het risico op tegenstrijdige uitspraken worden voorkomen. Aldus KLM c.s.

4.31.

Equilib verzet zich tegen oproeping van andere partijen in deze procedures en voert hiertoe samengevat het volgende aan. Artikel 118 Rv biedt geen ruimte om de overige luchtvaartmaatschappijen en Barnsdale op te roepen. De autonomie van Equilib als eiseres om in een zaak van hoofdelijke aansprakelijkheid zelf te beslissen wie zij in rechte wenst te betrekken moet worden gerespecteerd. Er bestaat ook geen zodanig belang aan de zijde van de overige luchtvaartmaatschappijen dat Equilib hen om die reden gedwongen zou moeten oproepen. De rechter in Duitsland kan de procedure die Barnsdale in Duitsland heeft aangespannen aanhouden in afwachting van de uitkomst van de onderhavige procedures of de zaak doorverwijzen naar deze rechtbank. Ook kan Barnsdale vrijwillig tussenkomen. Aldus Equilib.

4.32.

Artikel 118 Rv geeft regels voor de oproeping van derden als partij in het geding, zonder dat duidelijk wordt gemaakt in welke gevallen die oproeping mogelijk zou kunnen zijn. Als maatstaf geldt, zoals recentelijk door de Hoge Raad is bepaald in het hiervoor genoemde arrest van 28 maart 2014 (X/Gemeente De Bildt), dat derden als medegedaagden in de hoofdprocedure kunnen worden betrokken indien dit voor de beslissing over de rechtsbetrekking in geschil “noodzakelijk” of “zinvol” is.

De rechtbank acht het op zichzelf niet uitgesloten dat het oproepen van de overige luchtvaartmaatschappijen en Barnsdale als medegedaagden “noodzakelijk” of “zinvol” kan zijn. In dit stadium acht de rechtbank een dergelijke oproeping echter prematuur. Thans is immers nog niet duidelijk of en, zo ja, in hoeverre KLM c.s. de eventuele benodigde informatie van de overige luchtvaartmaatschappijen voor haar verweer niet kan verkrijgen. Dit geldt te meer nu de Commissie een kartelinbreuk heeft vastgesteld, waaraan ook overige luchtvaartmaatschappijen hebben deelgenomen, zodat het niet in de rede ligt om aan te nemen dat die luchtvaartmaatschappijen, nu zij op hun handelen worden aangesproken, tijdens de behandeling van het geschil in rechte niet tot enige samenwerking bereid zouden zijn en KLM c.s. geen toegang tot die informatie zouden willen verschaffen.

4.33.

Voorts geldt dat het verweer van KLM c.s. in de hoofdzaak in dit stadium tegenover de stellingen van Equilib voldoende is toegelicht. Zoals hiervoor reeds is overwogen is het nu eerst aan Equilib om de causaliteit en de schade nader te concretiseren. Afhankelijk van het daartegen te voeren verweer kan vervolgens worden bezien of specifieke benodigde informatie al dan niet kan worden verkregen. Als dat laatste niet het geval zal blijken te zijn, staat het KLM c.s. vrij wederom een vordering ex artikel 118 Rv in te dienen, waarop de rechtbank dan zal kunnen beslissen. Met betrekking tot Barnsdale geldt, in aanvulling op het voorgaande, nog dat pas als Equilib concrete schadebedragen heeft genoemd, bezien kan worden of en in hoeverre afstemming en coördinatie van de onderhavige procedures met de Duitse procedure wenselijk en mogelijk is. Op grond van het voorgaande zal de op artikel 118 Rv gegronde vordering worden afgewezen.

slotsom (alle incidenten/verzoeken)

4.34.

De slotsom van al het voorgaande is dat het gevorderde in de incidenten tot voeging en oproeping in vrijwaring zal worden toegewezen en dat het gevorderde in de overige incidenten/verzoeken zal worden afgewezen.

4.35.

BA heeft verzocht hoger beroep van dit vonnis open te stellen. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding. Het daartoe strekkende verzoek van BA zal dan ook worden afgewezen.

4.36.

Nu partijen over en weer op enig onderdeel in het ongelijk zijn gesteld, bestaat er aanleiding om de proceskosten in de verzoeken/incidenten te compenseren als hierna onder de beslissing is vermeld.

4.37.

Zoals reeds eerder aan partijen en hun raadslieden is bericht zal op 1 april 2015 een regiezitting plaatsvinden in de hoofdzaken en in de vrijwaringszaken. De rechtbank hecht eraan hier nogmaals te benadrukken dat, zoals tijdens de zitting van 5 februari 2015 aan de orde is gekomen, de luchtvaartmaatschappijen in het vervolg van deze procedure voor wat betreft de gemeenschappelijke onderdelen van hun betoog (gemeenschappelijke feitelijke stellingen, gemeenschappelijke thema’s, gemeenschappelijke juridische argumenten) zoveel mogelijk moeten volstaan met één gezamenlijk processtuk. De rolrechter zal hierop toezien.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident tot voeging ex artikel 222 Rv

5.1.

voegt de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer C/13/561169 / HA ZA 14-283 met de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer C/13/486440 / HA ZA 11-944,

5.2.

voegt de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer C/13/561169 / HA ZA 14-283 met de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/13/561722 / HA ZA 14-315,

5.3.

voegt de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/13/486442 / HA ZA 11-945 met de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/13/561722 / HA ZA 14-315,

in het incident tot oproeping in vrijwaring (zaak 14-283)

5.4.

staat aan KLM c.s. toe om in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de terechtzitting van 30 september 2015:

  • -

    Singapore Airlines Cargo Pte Ltd, gevestigd te Singapore, Singapore;

  • -

    Singapore Airlines Limited, gevestigd te Singapore, Singapore;

  • -

    LATAM Airlines Group S.A., voorheen LAN Airlines S.A., gevestigd te Santiago, Chili;

  • -

    LAN Cargo S.A., gevestigd te Miami, Florida, Verenigde Staten van Amerika;

  • -

    Air Canada, gevestigd te Saint-Laurent, Canada;

  • -

    Cathay Pacific Airways Limited, gevestigd te Hong Kong, Hong Kong;

  • -

    Japan Airlines Co. Ltd, gevestigd te Tokyo, Japan;

  • -

    Qantas Airways Limited, gevestigd te Mascot, Australië;

  • -

    SAS Danmark A/S, gevestigd te Århus, Denemarken;

  • -

    SAS Norge A/S, gevestigd te Gardermoen, Noorwegen;

  • -

    SAS Sverige AB, gevestigd te Stockholm, Zweden,

5.5.

staat Lufthansa toe om in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de terechtzitting van 30 september 2015:

  • -

    Air Canada, gevestigd te Saint-Laurent, Canada;

  • -

    Air France-KLM S.A., gevestigd te Parijs, Frankrijk;

  • -

    British Airways PLC, gevestigd te Harmondworth, Verenigd Koninkrijk;

  • -

    Cargolux Airlines International S.A., gevestigd te Sandweiler, Luxemburg;

  • -

    Cathay Pacific Airways Limited, gevestigd te Hong Kong, Hong Kong;

  • -

    Japan Airlines Co. Ltd, gevestigd te Tokyo, Japan;

  • -

    Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V., gevestigd te Amstelveen;

  • -

    LATAM Airlines Group S.A., gevestigd te Santiago, Chili;

  • -

    LAN Cargo S.A., gevestigd te Miami, Florida, Verenigde Staten van Amerika;

  • -

    Martinair Holland N.V., gevestigd te Haarlemmermeer;

  • -

    Qantas Airways Limited, gevestigd te Mascot, Australië;

  • -

    SAS AB, gevestigd te Stockholm, Zweden;

  • -

    SAS Cargo Group A/S, gevestigd te Kastrup, Denemarken;

  • -

    Scandinavian Airlines System Denmark-Norway-Sweden, gevestigd te Stockholm, Zweden;

  • -

    SAS Danmark A/S, gevestigd te Kastrup, Denemarken;

  • -

    SAS Norge AS, gevestigd te Gardermoen, Noorwegen;

  • -

    SAS Sverige AB, gevestigd te Stockholm, Zweden;

  • -

    Singapore Airlines Limited, gevestigd te Singapore, Singapore;

  • -

    Singapore Airlines Cargo Pte Ltd., gevestigd te Singapore, Singapore;

  • -

    Société Air France, gevestigd te Roissy Charles-de-Gaulle CEDEX, Frankrijk,

5.6.

staat BA toe om in vrijwaring te doen dagvaarden tegen de terechtzitting van

30 september 2015:

  • -

    Air Canada, gevestigd te Saint-Laurent, Canada;

  • -

    Air France-KLM Group, gevestigd te Parijs, Frankrijk;

  • -

    Société Air France S.A., gevestigd te Roissy Charles-de-Gaulle CEDEX, Frankrijk;

  • -

    Koninklijke Luchtvaartmaatschappij N.V., gevestigd te Amstelveen;

  • -

    Cargolux Airlines International S.A., gevestigd te Sandweiler, Luxemburg;

  • -

    Cathay Pacific Airways Limited, gevestigd te Hong Kong, Hong Kong;

  • -

    Japan Airlines Co. Ltd, gevestigd te Tokyo, Japan;

  • -

    LAN Airlines S.A. (thans LATAM Airlines Group S.A.), gevestigd te Santiago, Chili;

  • -

    LAN Cargo S.A., gevestigd te Miami, Florida, Verenigde Staten van Amerika;

- Lufthansa Cargo AG, gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland;

  • -

    Deutsche Lufthansa AG, gevestigd te Keulen, Duitsland;

  • -

    Swiss International Air Lines AG, gevestigd te Basel, Zwitserland;

  • -

    Martinair Holland N.V., gevestigd te Haarlemmermeer;

  • -

    Qantas Airways Limited, gevestigd te Mascot, Australië;

  • -

    SAS AB, gevestigd te Stockholm, Zweden;

  • -

    SAS Cargo Group A/S, gevestigd te Kastrup, Denemarken;

  • -

    Scandinavian Airlines System Denmark-Norway-Sweden, gevestigd te Stockholm, Zweden;

  • -

    Singapore Airlines Cargo Pte Ltd, gevestigd te Singapore, Singapore;

  • -

    Singapore Airlines Limited, gevestigd te Singapore, Singapore,

in de incidenten/verzoeken voorts:

5.7.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de hoofdzaken en de vrijwaringszaken

5.9.

verwijst de zaken naar de rol van 1 april 2015 voor de reeds geplande regiecomparitie,

5.10.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes, mr. H.J. Fehmers en mr. R.A. Dudok van Heel, rechters, bijgestaan door mr. J.P. van der Stouwe, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2015.1

1 *