Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:1630

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-03-2015
Datum publicatie
07-04-2015
Zaaknummer
C-13-553694 - FA RK 13-8446
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ECHT&VEVE, KA, PA, lotsverbondenheid, draagkracht, verdiencapaciteit, limitering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/553694 / FA RK 13-8446 (DB/SV)

C/13/572173 / FA RK 14-6748 (DB/SV)

Beschikking van 25 maart 2015 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen de man,

advocaat mr. M. Visser, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen de vrouw,

advocaat mr. M. Kemmers, kantoorhoudende te Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ingekomen stukken, waaronder het op 5 november 2013 ter griffie ingekomen verzoekschrift en het daartegen ingediende verweerschrift.

1.2.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 19 augustus 2014 en 24 november 2014. Bij laatstgenoemde behandeling zijn verschenen en gehoord: de man met zijn advocaat en mr. M.B. de Boorder en de vrouw met haar advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] op [datum].

2.2.

Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] [Kind] (hierna: [Kind]) geboren.

2.3.

Partijen hebben beide de Nederlandse nationaliteit.

3.1.

Het verzoek van de man

3.1.1.

De man verzoekt – na aanvulling van zijn aanvankelijke verzoek – tussen partijen echtscheiding uit te spreken. Daarnaast verzoekt de man als nevenvoorzieningen:

I. te bepalen dat [Kind] haar hoofdverblijfplaats heeft bij de vrouw;

II. een zorgregeling te bepalen waarbij [Kind] eenmaal per veertien dagen van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur en iedere dinsdag van 9.00 uur tot woensdag naar de crèche bij hem verblijft alsmede een vakantieregeling waarbij partijen totdat [Kind] naar school gaat de ouders beide voor een periode van maximaal 9 aaneengesloten dagen met [Kind] op vakantie kunnen gaan en vanaf het moment dat [Kind] naar school gaat dat de vakanties en feestdagen/bijzondere dagen worden verdeeld conform bijlage A bij het ouderschapsplan;

III. de door partijen in het ouderschapsplan opgenomen overige regelingen integraal op te nemen in de beschikking;

IV. te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [Kind] € 349,50 per maand zal betalen alsmede de helft van de kinderopvangkosten, waarbij de man als voorschot maandelijks de helft van de kinderopvangkosten zal voldoen en dat zodra de vrouw de definitieve beschikking kinderopvangkosten heeft ontvangen de betaalde voorschotten worden verrekend met het definitief vastgestelde bedrag, waarbij de man gerechtigd is te veel betaalde kinderopvangkosten te verrekenen met toekomstige kinderalimentatietermijnen;

V. primair: te verklaren voor recht dat op de man voor nu en in de toekomst geen verplichting rust om bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw;

subsidiair: de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot vaststelling van partneralimentatie, althans haar verzoek af te wijzen;

meer subsidiair: te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man wegens grievende gedragingen van de vrouw, in hoogte zal worden gematigd tot € 218,- bruto per maand, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht en in duur zal worden beperkt tot 1 april 2016, dan wel tot een zodanige datum als de rechtbank juist acht en daarbij te bepalen dat verlenging van de alimentatietermijn niet mogelijk is;

VI. vaststelling van de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap conform zijn voorstel.

3.2.

Het verweer en zelfstandig verzoek van de vrouw

3.2.1.

De vrouw verweert zich niet tegen de verzochte echtscheiding en refereert zich aan de verzoeken van de man onder de punten II en III.

3.2.2.

Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw – na wijziging van haar oorspronkelijke verzoek – eveneens tussen partijen echtscheiding uit te spreken. Daarnaast verzoekt de vrouw als nevenvoorzieningen:

I. te bepalen dat [Kind] haar hoofdverblijf bij haar zal hebben;

II. te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [Kind] € 1.800,- per maand zal betalen, met ingang van datum inschrijving echtscheidingsbeschikking;

III. te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 6.290,- per maand zal betalen met ingang van datum inschrijving echtscheidingsbeschikking;

IV. de man te gelasten de bewijsstukken over te leggen, zoals door haar opgesomd, en de man te verplichten zijn medewerking te verlenen aan een – in opdracht van de vrouw – uit te voeren taxatie van de echtelijke woning en het doen van IB aangifte 2014 uiterlijk voor 15 december 2014;

V. de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen conform haar voorstel.

3.3.

Het verweer van de man op het zelfstandig verzoek

3.3.1.

De man verweert zich gemotiveerd tegen de verzoeken van de vrouw.

3.3.2.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Echtscheiding

4.1.1.

Partijen zijn het erover eens dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Nu aan de wettelijke vereisten is voldaan, zal de rechtbank tussen partijen echtscheiding uitspreken.

4.2.

Hoofdverblijfplaats en zorgregeling

4.2.1.

De rechtbank zal bepalen, nu dit niet in geschil is, dat [Kind] haar hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw. Ook de door de man verzochte zorgregeling wordt toegewezen, nu dit eveneens niet in geschil is.

4.2.2.

Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld en ondertekend. De rechtbank zal dit ouderschapsplan aan deze beschikking hechten en het ouderschapsplan zal, als na te melden, deel uitmaken van deze beschikking.

4.3.

Kinderbijdrage

4.3.1.

De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen, het zogenoemde Tremarapport, zoals deze per 1 januari 2015 luiden. Tenzij anders vermeld, gaat de rechtbank uit van afgeronde bedragen.

Behoefte

4.3.2.

Partijen houdt de behoefte van [Kind] verdeeld. De man stelt dat de behoefte van [Kind] vastgesteld moet worden aan de hand van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2013, omdat partijen toen feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Rekening houdend met de indexering in 2014, bedraagt de behoefte van [Kind], die uit de tabel 2013 volgt, € 797,- per maand. De man betwist dat partijen, mede gelet op de leeftijd van [Kind] dermate hoge kosten voor [Kind] maakten dat het tabelbedrag niet volstaat. Een hoger inkomen leidt er niet toe dat de kosten van kinderen lineair meestijgen. Enkel indien met bewijsstukken wordt onderbouwd dat er sprake is van bijzondere kosten, kan, zo voert de man aan, het tabelbedrag worden verhoogd. De man betwist de gestelde kostenposten. Bovendien, zo stelt de man, heeft de vrouw eerder erkend dat de behoefte van [Kind] vastgesteld moet worden aan de hand van de tabel 2013.

4.3.3.

De vrouw betwist dat de behoefte van [Kind] aan de hand van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen moet worden vastgesteld. Het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van partijen was beduidend hoger dan het gemaximaliseerde inkomen waar de tabel vanuit gaat. Partijen hadden en hebben beide een veeleisende - en meer dan – fulltime baan met veel verantwoordelijkheden, waardoor er onder meer veel kosten werden gemaakt. De vrouw heeft aan de hand van haar bankafschriften uit 2013 alle voor [Kind] gemaakte kosten op een rij gezet en stelt dat de behoefte € 2.880,- per maand bedraagt, inclusief € 1.080,- kosten kinderopvang. De vrouw stelt subsidiair dat, voor het geval de rechtbank uitgaat van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, de tabel van 2014 meer aansluit bij de situatie van partijen dan de tabel van 2013. Uit de tabel 2014 volgt een behoefte van [Kind] van € 960,- per maand.

4.3.4.

De rechtbank is van oordeel dat de behoefte van [Kind] vastgesteld moet worden, gelet op de datum van deze beschikking, aan de hand van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2015 en het NBI van partijen in 2013. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man onderbouwt de vrouw haar stelling dat de tabel niet maatgevend is voor de situatie van partijen onvoldoende. De rechtbank acht evenmin aannemelijk gemaakt dat er ten behoeve van [Kind] bijzondere kosten werden gemaakt die niet in het tabelbedrag verdisconteerd zijn. Volgens het Tremarapport kan van behoefte verhogende kosten eerst sprake zijn indien er bijvoorbeeld kosten van topsport, privélessen en extra hoge schoolgelden worden betaald. Gelet op de leeftijd van [Kind] - toen partijen uiteen gingen was zij één jaar oud - was daarvan (nog) geen sprake. Uit de tabel volgt dat bij een NBI hoger dan € 6.000,- per maand een behoefte van [Kind] hoort van € 960,- per maand.

4.3.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de bruto kosten kinderopvang € 1.080,- per maand bedragen. De rechtbank volgt het standpunt van de vrouw, dat conform het Tremarapport is, dat de uit de tabel voortvloeiende behoefte, verhoogd dient te worden met de kosten van kinderopvang. De rechtbank gaat voorbij aan het standpunt van de man dat 1/3 deel van de kosten van kinderopvang in het tabelbedrag is verdisconteerd, nu dit niet volgt uit het Tremarapport. Uit de door de rechtbank ambtshalve gemaakte proefberekening toeslagen op de website van de belastingdienst heeft de vrouw met het door de rechtbank vastgestelde inkomen, waarover hierna meer, recht op een kinderopvangtoeslag van € 435,- per maand nadat partijen niet meer op hetzelfde woonadres ingeschreven staan. Nu de alimentatie voor de toekomst wordt vastgesteld, houdt de rechtbank hier rekening mee. De rechtbank stelt daarom de netto kosten kinderopvang vast op € 645,- per maand.

4.3.5.

Het voorgaande leidt tot een behoefte van [Kind] van € 1.605,-. Op dit bedrag dient in mindering te worden gebracht het kindgebonden budget waar de vrouw aanspraak op kan maken. Uit voornoemde proefberekening volgt dat de vrouw aanspraak kan maken op een kindgebonden budget van € 37,- per maand. De rechtbank stelt de behoefte van [Kind] gelet daarop vast op € 1.568,-.

4.3.6.

Partijen dienen naar rato van hun draagkracht in deze behoefte te voorzien. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 875)]. NBI staat in deze formule voor het netto besteedbaar inkomen per maand en 0,3 NBI staat voor de forfaitaire woonlast waarmee rekening wordt gehouden. Het bedrag van € 875,- staat voor het draagkrachtloos inkomen 2015.

Draagkracht van de man

4.3.7.

De man ontvangt een bruto maandsalaris van € 9.750,- exclusief vakantietoeslag, zo blijkt uit de overgelegde salarisspecificatie over de maand juli 2014. Uit de overgelegde salarisspecificatie over de maand mei 2014 blijkt dat het vakantiegeld van de man een volledig maandsalaris bedraagt. Daarnaast ontvangt de man een dertiende maand. Op het salaris van de man wordt geen pensioenpremie ingehouden. De rechtbank ziet, nu van de salarisspecificaties wordt uitgegaan en niet van een jaaropgave, geen aanleiding zoals de vrouw stelt, het inkomen te corrigeren wegens bijtelling van een leaseauto.

4.3.8.

Tussen partijen is in geschil of rekening moet worden gehouden met een bonus die de man van zijn werkgever ontvangt alsmede met inkomsten uit vermogen. De man betwist dat bij de vaststelling van zijn NBI rekening moet worden gehouden met een bonus. In het verleden heeft hij deze jaarlijks ontvangen, maar over 2013 heeft hij geen bonus ontvangen en of hij in de toekomst een bonus zal ontvangen is onzeker. Het bonusbeleid staat onder morele en wettelijke druk, aldus de man. Daarnaast is de bonus afhankelijk van de financiële situatie van zijn werkgever en van zijn eigen prestaties. De man voert verder aan dat hij zich, na zijn ernstige ziekbed, heeft gerealiseerd dat er meer in het leven is dan werken. Ook de omstandigheid dat de bonussen over voorgaande jaren niet aan de huishouding zijn besteed, is, zo stelt de man, aanleiding om deze niet bij de berekening van zijn NBI te betrekken. De man stelt verder dat hij gelet op de belastingdruk een negatief rendement over zijn vermogen heeft, zodat geen rekening met inkomsten uit vermogen moet worden gehouden.

4.3.9.

Volgens de vrouw moet er wel degelijk rekening worden gehouden met de door de man ontvangen bonussen en wel tot een bedrag van minimaal € 100.000,- per jaar. De vrouw betwist dat aan het verkrijgen van een bonus door de man voorwaarden waren verbonden. Zij voert aan dat in de branche waarin de man werkzaam is het salaris naast een vast component eveneens een variabel component omvat. De man onderbouwt niet, aldus de vrouw, dat wegens morele of wettelijke druk het bonusbeleid van zijn werkgever is gewijzigd. De vrouw voert verder aan dat de man inzichtelijk moet maken welke bedragen hij de afgelopen jaren aan bonussen heeft ontvangen. Volgens de vrouw dient rekening te worden gehouden met een inkomen uit sparen en beleggen aan de zijde van de man.

4.3.10.

De rechtbank zal naast met voornoemd maandinkomen ook rekening houden met een door de man te ontvangen bonus. Naar het oordeel van de rechtbank maakt de man tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende aannemelijk dat hij in de toekomst, waarvoor de alimentatie wordt vastgesteld, geen aanspraak meer kan maken op een bonus. Gelet op de hoogte van de bonussen die de man de afgelopen jaren heeft ontvangen, acht de rechtbank het standpunt van de vrouw dat bonussen een ‘vast’ variabel onderdeel zijn van zijn salaris plausibel. De rechtbank is daarom van oordeel dat, ook al zou het bonusbeleid van de werkgever van de man drastisch worden aangepast, het niet ondenkbaar is dat in dat geval het vaste deel van zijn inkomen zal stijgen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de man over de afgelopen jaren de volgende bonussen heeft ontvangen:

* 2008·€ 50.000,-;

* 2009·€ 50.000,-;

* 2010·€ 75.000,-;

* 2011·€ 80.000,-;

* 2012 € 100.000,-.

Gemiddeld heeft de man over voornoemde jaren aldus een bonus ontvangen van € 71.000,- per jaar. De rechtbank zal bij de vaststelling van het NBI van de man van dit bedrag aan bonussen uitgaan. De rechtbank gaat derhalve voorbij aan het standpunt van de vrouw dat de man inzicht moet geven in de door hem ontvangen bonussen, nu de rechtbank geen aanleiding heeft te twijfelen aan de juistheid van de overgelegde salarisbrieven waarin de bonusbedragen worden vermeld.

4.3.11.

Ten aanzien van het inkomen uit vermogen van de man overweegt de rechtbank als volgt. Uit de overgelegde belastingaangifte 2012 blijkt dat de man op 31 december 2012 een vermogen had van € 253.929,- en dat daartegenover aan de man toe te rekenen schulden staan ter hoogte van € 30.972,-. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat er nog geen belastingaangifte over 2013 is gedaan door de man, omdat naar zijn zeggen partijen altijd de maximale uitsteltermijn aanvroegen. Hoewel de man stelt dat hij in 2013 heeft moeten interen op zijn vermogen, wordt dit niet gestaafd met een belastingaangifte of enige andere onderbouwing. Het kan de man worden aangerekend dat hij in het kader van deze procedure niet in een eerder stadium belastingaangifte heeft gedaan over 2013, ook al waren partijen gewoon dit pas op het laatste moment te doen. Het gevolg van één en ander is dat de rechtbank niet kan beoordelen of het vermogen van de man inderdaad, zoals hij stelt, gedaald is. De rechtbank gaat bij de berekening van het NBI daarom uit van het vermogen zoals dit blijkt uit de belastingaangifte 2012. De rechtbank gaat daarbij, gelet op de lage rentestanden, uit van een daadwerkelijk rendement op vermogen van 2% en niet van de 4% waarmee de fiscus rekent. Rekening houdend met een vermogen van € 253.929,- houdt de rechtbank rekening met een inkomen uit vermogen van € 5.078,-.

4.3.12.

De rechtbank stelt het NBI van de man aan de hand van bovengenoemde bruto inkomsten vast op € 9.216,- per maand. Uit de onder rechtsoverweging 4.3.6. genoemde formule volgt dan een draagkracht van de man van € 3.903,- per maand.

Draagkracht van de vrouw

4.3.13.

Uit de overgelegde jaaropgave 2013 blijkt dat de vrouw een bruto jaarinkomen heeft van € 73.290,-. Dit leidt tot een NBI van € 3.720,- per maand. De rechtbank stelt de draagkracht van de vrouw aan de hand van formule vast op € 1.210,-.

Draagkrachtvergelijking

4.3.14.

Partijen hebben gezamenlijk een draagkracht van € 5.113,- per maand. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de man bedraagt: 3903 / 5113 x 1568 = € 1.197,-

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1210 / 5113 x 1568 =·€ 371,-

samen € 1.568,-

Derhalve komt van de totale behoefte van [Kind] € 1.197,- per maand voor rekening van de man en € 371,- per maand voor rekening van de vrouw.

Zorgkorting

4.3.15.

Tussen partijen is in geschil aan de hand van welk percentage de zorgkorting, waar de man recht op heeft, moet worden berekend. De man rekent met een percentage van 25%, terwijl de vrouw rekent met een percentage van 15%. Gelet op de tussen partijen overeengekomen zorgregeling houdt de rechtbank rekening met een percentage van 25%. De rechtbank ziet geen aanleiding van een lager percentage uit te gaan, omdat, zoals de vrouw stelt, de ouders van de man op een dag, dat [Kind] bij de man is, voor [Kind] zorgen. De omstandigheid dat de man de zorg deels heeft uitbesteed, zoals ook de vrouw de zorg uitbesteedt, maakt niet dat de kosten niet meer voor zijn rekening komen. De rechtbank berekent de zorgkorting op een bedrag van € 240,-, zijnde 25% van het tabelbedrag van € 960,-.

De te betalen bijdrage

4.3.16.

Rekening houdend met bovengenoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [Kind] vast op € 957,- per maand. Dit bedrag wordt geacht in overeenstemming met de wettelijke maatstaven te zijn.

4.4.

. Partnerbijdrage

4.4.1.

De rechtbank beoordeelt het verzoek om een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, net als de kinderbijdrage, aan de hand van het Tremarapport. Daarbij wordt eveneens, tenzij anders vermeld, uitgegaan van afgeronde bedragen.

Lotsverbondenheid

4.4.2.

De man voert primair het verweer dat de grondslag voor het betalen van partneralimentatie aan de vrouw is komen te vervallen. De man voert daartoe enerzijds aan dat de verdiencapaciteit door het – kortdurende – huwelijk van partijen niet is geschaad. Anderzijds voert de man aan dat de lotsverbondenheid tussen partijen is verbroken. De vrouw heeft, aldus de man, voor en tijdens het huwelijk altijd fulltime gewerkt waarin hij haar ook ondersteund heeft. Zij heeft in 2013 een postacademische opleiding aan de Grotius Academie gevolgd waardoor haar toekomstperspectief is verbeterd. De vrouw heeft zich tijdens het huwelijk niet gedragen zoals op grond van artikel 1:81 BW verwacht mocht worden. Zij is, terwijl hij ernstig ziek was, een buitenechtelijke relatie aangegaan en heeft hem niet terzijde gestaan. Zij heeft getracht ervoor te zorgen dat hij - langer dan noodzakelijk was - in het ziekenhuis moest blijven. Ook wilde zij hem, nadat hij uit het ziekenhuis was ontslagen, niet verzorgen, waardoor hij noodgedwongen tijdelijk zijn intrek bij zijn ouders heeft moeten nemen. Gelet op gebeurtenissen uit het verleden, had de vrouw kunnen weten dat dit voor hem traumatisch was. Ook heeft zij familie en vrienden bij de echtscheiding betrokken waardoor de betrekkingen met deze personen ernstig zijn beschadigd, hetgeen ook niet ten goede komt van [Kind]. De gedragingen van de vrouw hebben de man psychisch leed bezorgd.

4.4.3.

De vrouw betwist de aantijgingen van de man, hoewel zij erkent een buitenechtelijke relatie te zijn aangegaan na de eerste ziekenhuisopname van de man. Volgens de vrouw was het huwelijk van partijen al langere tijd niet zoals het zijn moest en voelde zij zich niet gewaardeerd door de man. Ondanks de buitenechtelijke relatie is zij er, aldus de vrouw, altijd voor de man geweest en heeft zij hem terzijde gestaan. De vrouw erkent eveneens dat zij tijdens de tweede ziekenhuisopname van de man de behandelend arts in het ziekenhuis heeft gevraagd of de man niet langer opgenomen kon blijven worden. Zij heeft dit echter in het belang van de man en niet in haar eigen belang verzocht. Na de eerste opname merkte de vrouw dat de man het psychisch moeilijk had, waardoor de zorg voor hem extra zwaar was. Zij wilde dat de man pas naar huis zou komen als hij daar lichamelijk en geestelijk aan toe was. De vrouw betwist dat zij derden bij de echtscheiding heeft betrokken. Volgens de vrouw is het juist de man geweest die tegenover derden slecht over haar heeft gesproken en haar relaties heeft geschaad door berichten, die zij met de man - met wie zij een buitenechtelijke affaire had - had uitgewisseld, te verspreiden. De vrouw stelt voldoende blijk te hebben gegeven van het voelen van lotsverbondenheid met de man op het einde van het huwelijk. De vrouw betwist ook dat haar verdiencapaciteit niet zou zijn geschaad door het huwelijk en de geboorte van [Kind]. De vrouw voert daartoe aan dat de man had aangegeven geen concessies te willen doen, zoals minder werken, waardoor zij zich genoodzaakt zag haar ambities, om bij een top 10 kantoor te werken, te laten varen. Zij werkt nu bij een zogenoemd nichekantoor waar niet alleen het salaris lager ligt maar ook de secundaire arbeidsvoorwaarden slechter zijn.

4.4.4.

De rechtbank overweegt als volgt. De wettelijke onderhoudsverplichting tussen ex-echtgenoten vindt haar rechtsgrond in de levensgemeenschap die door het huwelijk tot stand is gekomen. Deze levensgemeenschap, welke in de onderhoudsverplichting haar werking behoudt, blijft bestaan ook al wordt de huwelijksband gestaakt. Of de ene echtgenoot aan de andere echtgenoot inderdaad een onderhoudsbijdrage is verschuldigd, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij gaat het niet alleen om financiële omstandigheden, die de behoefte en draagkracht bepalen, maar ook om de niet-financiële omstandigheden. Wat dat laatste betreft, kan het gaan om – wat wel wordt genoemd – de objectieve omstandigheden, zoals de duur van het huwelijk, en de subjectieve omstandigheden, waaronder gedragingen van de alimentatiegerechtigde vallen. De vraag die daarbij speelt, is of van de alimentatieplichtige in redelijkheid nog kan worden gevergd dat hij of zij bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde (met andere woorden, of de lotsverbondenheid die uit het ontbonden huwelijk voortvloeit als verbroken kan worden beschouwd) als gevolg van gedragingen van de onderhoudsgerechtigde. In uitzonderlijke gevallen kan worden geconcludeerd dat aan de lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten een einde is gekomen op de grond dat de één zich zodanig grievend jegens de ander heeft gedragen dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie door die ander niet langer gevergd kan worden. Bij de beoordeling in een concreet geval of een zodanige situatie zich voordoet, past de rechter terughoudendheid toe, mede gelet op het onherroepelijke karakter van zo’n beëindiging.

4.4.5.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is gelet op het voorgaande of de omstandigheid dat de vrouw een buitenechtelijke relatie is aangegaan ertoe moet leiden dat de man in redelijkheid geen alimentatie aan de vrouw verschuldigd is. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. De enkele omstandigheid dat de vrouw een relatie heeft gehad met een andere man, hoe kwetsend voor de man wellicht ook, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de vrouw zich zodanig jegens de man heeft gedragen dat redelijkerwijs geen alimentatie meer verschuldigd is. Het overige door de man gestelde is, tegenover de betwisting door de vrouw, niet vast komen staan. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het alimentatieverzoek inhoudelijk beantwoorden. De rechtbank merkt daarbij op dat artikel 1:81 BW geen rechtens afdwingbare verplichtingen omvat.

De behoefte van de vrouw

4.4.6.

De vrouw stelt dat zij, gelet op de huwelijks gerelateerde welstand, behoefte heeft aan ongeveer € 6.800,- netto per maand. Gelet op haar eigen inkomsten en de kosten van [Kind] die zij voor haar rekening moet nemen, stelt de vrouw dat de man als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 6.290,- per maand moet betalen.

4.4.7.

De man verweert zich stellende dat het verzoek moet worden afgewezen als onvoldoende met bewijsstukken onderbouwd en dat de zogenoemde Hof-norm van 60% van het NBI minus kosten [Kind] in dezen toepassing ontbeert nu partijen geen modaal inkomen hebben. Partijen hebben gelet op het inkomen vrij sober geleefd wat blijkt, aldus de man, uit de omstandigheid dat hij in korte tijd aanzienlijk heeft kunnen sparen.

4.4.8.

De rechtbank overweegt dat bij de bepaling van de behoefte van de vrouw rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde (HR 19 december 2003, NJ 2004, 140). Daaruit volgt dat niet zonder meer van de zogenoemde Hof-norm mag worden uitgegaan maar dat alle aangevoerde relevante omstandigheden moeten worden meegewogen. De rechtbank overweegt dat de vrouw een uitvoerig samengestelde lijst overlegt waaruit de gestelde behoefte zou moeten blijken, maar dat zij nalaat dit overzicht met justificatoire bescheiden te onderbouwen. De vraag, die de rechtbank dan moet beantwoorden, is of dit ertoe moet leiden dat, zoals de man stelt, het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. De vrouw stelt onweersproken dat haar lijst overeenkomt met de Hof-norm. Bovendien stelt de man zelf dat hij in korte tijd veel heeft kunnen sparen. Op grond van het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad dient ook de omstandigheid dat partijen hebben kunnen sparen bij het oordeel in welke welstand partijen hebben geleefd te worden betrokken. Derhalve kan er, ondanks dat partijen wellicht - partijen verschillen hierover van mening - geen luxueus leven leidden toch sprake zijn van een hogere behoefte dan de daadwerkelijk gedane uitgaven tijdens het huwelijk. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden dient naar het oordeel van de rechtbank de behoefte van de vrouw te worden vastgesteld aan de hand van de Hof-norm.

4.4.9.

De rechtbank gaat voor de vaststelling van het gezamenlijk NBI ten tijde van het feitelijk uiteengaan uit van de jaaropgaven over 2013 van partijen. De vrouw had dat jaar een bruto inkomen van € 73.290,-, wat in 2013 leidde tot een NBI van € 3.692,-

De man had een bruto inkomen van € 242.052,- waarvan de bijtelling voor de leaseauto moet worden afgetrokken. De man had aldus een NBI van € 10.139,-. Gezamenlijk hadden partijen derhalve een NBI van € 13.831,-. Daarvan moeten de kosten van [Kind] ad € 960,- alsmede kosten kinderopvang ad € 1.080,- worden afgehaald, zodat voor partijen resteerde € 11.791,-. De behoefte van de vrouw bedraagt dan € 7.075,- per maand. De vrouw heeft thans, zoals vastgesteld in rechtsoverweging 4.3.13. een NBI van € 3.720,-, zodat een aanvullende netto behoefte resteert van € 3.355,- per maand.

Behoeftigheid

4.4.10.

Tussen partijen is in geschil of de vrouw al dan niet zelf volledig in haar behoefte zou dienen te voorzien. De rechtbank overweegt dat de vrouw onweersproken stelt dat zij na de geboorte van [Kind] ervoor heeft gekozen haar ambities bij te stellen omdat de man geen concessies wilde doen ten aanzien van zijn baan. Gelet op het aantal daadwerkelijk te werken uren bij een zogenoemd top 10 advocatenkantoor, was het voor haar, aldus de vrouw, niet mogelijk bij één van de grotere kantoren te werken. Hoewel de rechtbank in het algemeen het standpunt van de man, dat gelet op het met goed gevolg afronden van de specialisatieopleiding Arbeidsrecht aan de Grotius Academie, de vrouw goede vooruitzichten heeft op een beter betaalde baan, deelt, kan dat er op dit moment niet toe leiden dat van de vrouw verwacht wordt dat zij volledig in haar eigen levensonderhoud voorziet. Wel kan dit op termijn van de vrouw worden verwacht, mede gelet op de omstandigheid dat de man ook doordeweeks een deel van de verzorging en opvoeding van [Kind] op zich neemt en [Kind] ook ouder wordt en minder van de vrouw afhankelijk zal zijn.

Draagkracht van de man

4.4.12.

De rechtbank gaat voor de inkomsten van de man uit van het uitgangspunten zoals overwogen in rechtsoverwegingen 4.3.7 tot en met 4.3.11.

4.4.13.

De man voert in de door hem overgelegde draagkrachtberekening op 8 augustus 2014 als woonlast op dat hij aan rente € 2.987,- betaalt en als aflossing € 1.104,- De vrouw betwist deze bedragen, aangezien dit niet de werkelijke woonlasten zijn. De vrouw betwist niet de in het verweerschrift zelfstandig verzoek opgevoerde hypotheekrente van € 49.216,- op jaarbasis. De rechtbank gaat van laatstgenoemde woonlast uit, nu de man tegenover de betwisting door de vrouw zijn stelling dat de woonlast anders is onvoldoende onderbouwt. De door hem opgelegde productie 19 betreft geen bewijsstuk van daadwerkelijk betaalde hypotheekrente en aflossing. De vrouw betwist niet dat de WOZ-waarde van de woning € 701.000,- bedraagt zodat de rechtbank voor de berekening van het eigenwoningforfait van deze waarde uit gaat. De rechtbank houdt rekening met de forfaitaire eigenaarslasten van € 95,- per maand. Op de totale woonlast van de man wordt de in de bijstandsnorm verdisconteerde gemiddelde basishuur van € 227,- in mindering gebracht.

4.4.14.

Aan premie ziektekostenverzekering stelt de man € 124,- per maand te betalen. De vrouw betwist dit, omdat de man geen bewijsstuk van deze betaling overlegt. Naar het oordeel van de rechtbank dient ondanks het ontbreken daarvan met deze last rekening te worden gehouden. In Nederland is het immers verplicht in ieder geval een basisverzekering af te sluiten. Daarnaast acht de rechtbank het niet onredelijk indien de man, gelet op zijn medische historie, daarnaast een aanvullende verzekering afsluit. Een premie van € 124,- voor beide verzekeringen is naar het oordeel van de rechtbank redelijk. De rechtbank houdt, als zijnde niet betwist, rekening met het wettelijk verplicht eigen risico van € 375,- op jaarbasis. De in de bijstandsnorm verdisconteerde nominale premie van € 39,- wordt op het door de man te betalen bedrag in mindering gebracht.

4.4.15.

De man stelt als bijdrage aan de Vereniging van Eigenaren een maandelijkse bijdrage van € 275,- te betalen. De vrouw betwist niet dat een dergelijke bijdrage wordt betaald, zodat de rechtbank hiermee rekening houdt.

4.4.16.

De rechtbank houdt geen rekening met de opgevoerde kosten in verband met de opvang van [Kind]. De vrouw dient, na de echtscheiding, deze kosten immers voor haar rekening te nemen. Ook houdt de rechtbank geen rekening met de aflossing op een studieschuld van € 55,- per maand. De man dient dit bedrag uit zijn vrije ruimte te betalen.

4.4.17.

De rechtbank houdt rekening met de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [Kind] van € 957,-.

4.4.18.

De rechtbank houdt rekening met de op man van toepassing zijnde heffingskortingen en met de toepasselijke bijstandsnorm. Ook wordt rekening gehouden met een draagkrachtpercentage van 60% en de omstandigheid dat het voldoen van partneralimentatie leidt tot een fiscale aftrekpost. De rechtbank stelt de draagkracht van de man vast op € 5.210,- bruto per maand.

Draagkracht van de vrouw in het kader van de draagkrachtvergelijking

4.4.19.

Voor het inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.3.13.

4.4.20.

Partijen verschillen van mening over van welke huurlast aan de zijde van de vrouw moet worden uitgegaan. De vrouw stelt dat met een huur van € 1.850,- rekening moet worden gehouden, omdat dit een alleszins redelijke huur is voor een gemeubileerd appartement met een vergelijkbaar woongenot als de echtelijke woning. De man betwist dit. Volgens de man dient met een (kale) huurprijs van € 1.200,- rekening te worden gehouden. Nu een gemeubileerd appartement zo’n € 200,- tot € 250,- per maand duurder zal zijn dan een ongemeubileerd appartement, acht de rechtbank het redelijk met een huur van € 1.400,- per maand voor een ongemeubileerd appartement rekening te houden. Gelet op het inkomen van de vrouw wordt dit als een redelijke huurlast beschouwd. De in de bijstandsnorm verdisconteerde gemiddelde basishuur van € 227,- wordt daarop in mindering gebracht.

4.4.21.

De vrouw voert in de door haar bij het verweerschrift overgelegde draagkrachtberekening een premie ziektekostenverzekering op van € 160,- per maand. De man betwist dat hiermee rekening moet worden gehouden, aangezien geen bewijsstukken zijn overgelegd. De rechtbank houdt, net als aan de zijde van de man, desondanks rekening met deze opgevoerde last nu deze niet onredelijk wordt beschouwd, gelet op de rugklachten waar de vrouw stelt last van de te hebben en wat niet door de man wordt weersproken. De rechtbank houdt rekening met het wettelijk verplicht eigen risico van € 375,- op jaarbasis. De in de bijstandsnorm verdisconteerde nominale premie van € 39,- wordt op het door de vrouw te betalen bedrag in mindering gebracht.

4.4.22.

Met de aflossing op de studieschuld houdt de rechtbank, net als aan de zijde van de man, geen rekening nu dit een last betreft die de vrouw uit haar vrije ruimte moet voldoen.

4.4.23.

De rechtbank houdt rekening met de op de vrouw van toepassing zijnde heffingskortingen en bijstandsnorm. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat de onderhoudsbijdrage voor de vrouw belast zal zijn.

De te betalen bijdrage

4.4.24.

De rechtbank heeft, zoals door de man verzocht, een zogenoemde jusvergelijking gemaakt aan de hand van bovenstaande gegevens. De vrouw mag immers na het betalen van een onderhoudsbijdrage door de man niet in een financieel betere positie komen te verkeren dan de man. Bij een door de man te betalen onderhoudsbijdrage van € 4.115,- hebben beide partijen een gelijke vrij beschikbare ruimte. Derhalve wordt een bijdrage tot dat bedrag in overeenstemming met de wettelijke maatstaven geacht te zijn. Het verzoek van de vrouw wordt daarom deels toegewezen.

Limitering

4.4.25.

De man voert meest subsidiair het verweer dat gelet op de gedragingen van de vrouw van hem niet kan worden gevergd gedurende de volledige 12 jaarstermijn alimentatie aan de vrouw te betalen. Daarnaast stelt de man dat gelet op de korte duur van het huwelijk de verdiencapaciteit van de vrouw niet is gewijzigd en dat zij in staat moet worden geacht zich aan de nieuwe situatie aan te passen, zodat de alimentatieverplichting slechts van korte duur dient te zijn.

4.4.26.

Volgens de vrouw doet een matigings- en afbouwregeling geen recht aan haar situatie. Zij draagt overwegend de zorg voor [Kind] en zal dit in ieder geval de komende twaalf jaar nog blijven doen. De vrouw betwist dat de omstandigheid dat zij een buitenechtelijke relatie heeft gehad aanleiding is tot limitering.

4.4.27.

De rechtbank overweegt dat uit artikel 1:157 lid 3 BW volgt dat de rechter een termijn aan de alimentatieplicht kan verbinden. Vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder andere HR 18 april 1997, NJ 1997/571 en HR 29 september 2006, LJN AY7000) is dat op de alimentatieplichtige een zware stelplicht rust. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de man, met het door hem gestelde, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw niet aan deze op hem rustende verplichting. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.4.5. overwogen is het gedrag van de vrouw niet zodanig grievend geweest dat er een einde komt aan de alimentatieverplichting van de man. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit eveneens voor de matiging in duur van de verplichting. Ook de verwijzing naar het kortdurend huwelijk van partijen kan niet tot limitering leiden. De wetgever heeft niet voor niets ervoor gekozen dat bij een kortdurend huwelijk waarbinnen een kind is geboren de alimentatietermijn 12 jaar duurt en heeft niet aangehaakt bij de duur van het huwelijk, zoals bij kortdurende kinderloze huwelijken.

4.5.

Verdeling huwelijksgemeenschap

4.5.1.

Beide partijen hebben een verzoek gedaan tot vaststelling van verdeling van de – inmiddels ontbonden – huwelijksgoederengemeenschap.

4.5.2.

De te verdelen huwelijksgemeenschap bestaat uit de volgende bestanddelen:

Activa

- de woning aan de [adres];

- Inboedel;

- Alex beleggingsportefeuille;

- Parcom certificaten/agio;

- diverse bankrekeningen;

- inboedel en sierraden;

- vordering in verband met borg huurwoning van de vrouw;

Passiva

- de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening bij de ING;

- de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening bij de ouders van de man;

- de schuld in verband met de Parcom certificaten;

- de studieschuld van de man;

- de studieschuld van de vrouw.

Peildatum

4.5.3.

Partijen zijn het erover eens dat voor de omvang en samenstelling van de te verdelen gemeenschap de datum waarop het verzoekschrift bij de rechtbank is binnengekomen heeft te gelden. Nu het verzoekschrift op 5 november 2013 ter griffie is ingekomen, is dit de peildatum voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap.

4.5.4.

De man stelt voor dat als peildatum voor de waardering eveneens bovengenoemde datum heeft te gelden, aangezien partijen al in mei 2013 uiteen zijn gegaan acht de man dit redelijk. De vrouw betwist dit. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat als peildatum voor de waardering geldt de datum waarop de verdeling plaatsvindt, tenzij partijen anders overeenkomen. Nu partijen geen overeenstemming hebben over een andere datum, zal de rechtbank, tenzij anders vermeld, uitgaan van de huidige waarde van de boedelbestanddelen.

De woning en de twee hypothecaire geldleningen

4.5.5.

De rechtbank verwerpt het verweer van de vrouw dat sprake is van een fictieve hypothecaire geldlening van de ouders van de man. De man legt voldoende stukken over waaruit het bestaan van deze hypothecaire geldlening blijkt.

4.5.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat de woning aan de man zal worden toegescheiden en dat hij de twee hypothecaire geldleningen als eigen schuld zal dienen te voldoen. Partijen zijn het erover eens dat de woning in dat kader getaxeerd dient te worden, maar kunnen het niet eens worden welke makelaar de woning dient te taxeren. De rechtbank zal daarom bepalen dat partijen zich gezamenlijk tot makelaar Carla van den Brink, gevestigd te (1075 AH) Amsterdam aan de Oranje Nassaulaan 5, dienen te wenden voor een waardebepaling vrij van huur en gebruik van de woning. Daarnaast zal de rechtbank bepalen dat iedere partij gehouden is de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de levering aan de man te dragen. Iedere partij is gerechtigd tot de helft van de overwaarde dan wel is gehouden de helft van de onderwaarde voor zijn of haar rekening te nemen. Dit zal ertoe leiden dat ofwel de man nog een bedrag aan de vrouw dient te voldoen ofwel de vrouw dient nog een bedrag aan de man te betalen.

Inboedel en sierraden

4.5.7.

Partijen houdt de verdeling van de inboedel en sierraden verdeeld. De rechtbank zal bepalen dat ieder van partijen recht heeft op de helft van de inboedel en sierraden. Partijen mogen om en om een goed uitkiezen. Deze verdeling vindt plaats zonder verrekening van enige waarde.

Alex beleggingsportefeuille

4.5.8.

Niet in geschil is dat de beleggingsportefeuille aan de man wordt toegescheiden. De rechtbank is niet bekend met de huidige waarde. De rechtbank zal bepalen dat de aandelen welke partijen op 5 november 2013 in hun bezit hadden aan de man worden toegescheiden tegen de huidige waarde. De man dient de vrouw stukken over te leggen waaruit die waarde blijkt en de helft van die waarde aan de vrouw te vergoeden.

Parcom certificaten en de daaraan gekoppelde schuld

4.5.9.

Vast staat dat partijen een portefeuille Parcom certificaten bezitten en dat daaraan een schuld gekoppeld is. De rechtbank is niet bekend met de huidige waarde van de certificaten. De certificaten welke partijen bezaten op 5 november 2013 worden aan de man toegescheid

en tegen de huidige waarde. De man dient de schuld, die op voornoemde datum bestond, als eigen schuld te voldoen. De vrouw heeft recht op de helft van de waarde van de certificaten verminderd met de (helft van de) schuld.

Bankrekeningen

4.5.10.

De rechtbank zal bepalen dat ieder van partijen de op zijn of haar naam staande bankrekeningen – ook die in het buitenland – toebedeeld krijgen onder verdeling van het saldo op 4 november 2013. Partijen dienen elkaar over en weer schriftelijk bewijs over te leggen van voornoemd saldo.

Borg huurwoning vrouw

4.5.11.

De rechtbank zal de vordering op de verhuurder van de vrouw in verband met de betaalde borgsom aan de vrouw toedelen. De man heeft recht op de helft van het bedrag.

Studieschulden

4.5.12.

Beide partijen hebben een studieschuld. De rechtbank zal bepalen dat iedere partij de op zijn of haar naam staande schuld als eigen schuld dient te voldoen tegen de hoogte van de schuld per 5 november 2013. Dit leidt ertoe dat partijen over en weer een vordering op de andere partij hebben tot de helft van de schuld.

Stichting HandIQ Racing

4.5.13.

De vrouw stelt dat, hoewel de Stichting HandIQ Racing niet tot het te verdelen vermogen behoort, de man inzichtelijk moet maken hoe voornoemde stichting sinds april 2013 is gefinancierd, nu de man deze stichting gewoon was te financieren met gemeenschapsgeld. De man betwist dat er terzake nog iets te verrekenen valt. De rechtbank overweegt dat een stichting een afgescheiden vermogen heeft en als zodanig niet tot het te verdelen vermogen behoort. De saldi van de verschillende bankrekeningen van de man zullen per peildatum, waarover hierna meer, tussen partijen worden verdeeld. Voor zover er voor de peildatum een bedrag is afgeschreven ten behoeve van de stichting geldt dat dit is uitgegeven en niet meer tot het te verdelen vermogen behoort. Voor zover na de peildatum geld aan de stichting is overgemaakt geldt dat ook ter zake daarvan niets te verdelen valt omdat de man dat saldo ook niet hoeft te verdelen.

4.6.

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank:

In de procedure met zaak- en rekestnummer: C/13/553694 / FA RK 13-8446:

- spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [datum];

- stelt de hoofdverblijfplaats van [Kind] vast bij de vrouw;

- bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus dat met ingang van heden: de man [Kind] eenmaal per veertien dagen van zaterdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur en iedere dinsdag van 9.00 uur tot woensdag naar de crèche bij zich heeft alsmede gedurende de vakantie waarbij partijen totdat [Kind] naar school gaat beide voor een periode van maximaal 9 aaneengesloten dagen met [Kind] op vakantie kunnen gaan en vanaf het moment dat [Kind] naar de school [Kind] tijdens de vakanties en feestdagen/bijzondere dagen conform het ouderschapsplan bij de man zal zjin;

- bepaalt dat de man € 957,- (negenhonderd zevenenvijftig euro) per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [Kind], bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw;

- bepaalt dat de man € 4.115,- (vier duizend honderd vijftien euro) per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding, bij vooruitbetaling te voldoen;

- verklaart voormelde nevenvoorzieningen uitvoerbaar bij voorraad;

- bepaalt dat de regelingen, zoals tussen partijen zijn overeengekomen in het aan deze beschikking gehechte ouderschapsplan, als hier herhaald en ingelast worden beschouwd en deel uitmaken van deze beschikking;

- verklaart de inhoud van het ouderschapsplan voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders verzochte;

In de procedure met zaak- en rekestnummer C/13/572173 / FA RK 14-6748:

- stelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast zoals overwogen in rechtsoverwegingen 4.5.5. tot en met 5.5.13;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. D. van den Brink, voorzitter tevens kinderrechter, mr. H.P.E. Has en mr. A.J. Wesdorp, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. S.J. van der Veen, griffier, op 25 maart 2015.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en door de verschenen wederpartij binnen drie maanden na dagtekening van de beschikking;
- door de niet-verschenen wederpartij binnen drie maanden na de betekening van de beschikking in persoon of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze is betekend en overeenkomstig art. 820, lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.