Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:1618

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-03-2015
Datum publicatie
27-03-2015
Zaaknummer
C-13-511813 - HA ZA 12-265
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

eindvonnis, immateriële schade na seksueel van een (destijds) minderjarig meisje tijdens jarenlang verblijf in leefgemeenschap

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 106
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2016/131
JA 2015/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/511813 / HA ZA 12-265

Vonnis van 18 maart 2015

in de zaak van

1 [eiseres sub 1],

2. [eiseres sub 2],

beiden woonplaats kiezende te [woonplaats],

eiseressen,

advocaat mr. H.A. Schenke te Nijmegen,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. de stichting

STICHTING AEON,

gevestigd te Velp,

gedaagden,

advocaat mr. V.M. Weski te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseressen gezamenlijk] en [gedaagden gezamenlijk] genoemd worden. Eiseressen zullen in voorkomende gevallen afzonderlijk [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] genoemd worden. Gedaagden zullen afzonderlijk [gedaagde sub 1] en Aeon genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 29 januari 2014,

  • -

    de akte uitlating van [gedaagden gezamenlijk], inhoudende dat zij geen getuigen wensen te horen;

  • -

    de akte uitlating voortzetting procedure van [eiseressen gezamenlijk],

  • -

    de akte van [eiseressen gezamenlijk] met producties,

  • -

    de (antwoord)akte van [gedaagden gezamenlijk] met een productie,

  • -

    de akte uitlating producties van [eiseressen gezamenlijk]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 29 januari 2014 (hierna: het tussenvonnis) is overwogen dat de schadevergoedingsvorderingen (inclusief die vanwege misbruik van omstandigheden en ongerechtvaardigde verrijking) van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2], alsmede de vorderingen van [eiseres sub 1] uit bewaarneming, gebruik en verbruikleen zijn verjaard. Voorts is overwogen dat dit niet geldt voor de vordering van [eiseres sub 2] voor zover die is gegrond op het seksueel misbruik door [gedaagde sub 1]. Te dien aanzien is voorshands aannemelijk geacht dat [gedaagde sub 1] [eiseres sub 2] vanaf haar dertiende jaar seksueel heeft misbruikt, alsmede dat zij tweemaal van hem zwanger is geraakt. [gedaagden gezamenlijk] zijn in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen deze vooralsnog bewezen geachte feiten.

2.2.

[gedaagden gezamenlijk] hebben afgezien van de geboden gelegenheid tegenbewijs te leveren. De desondanks door [gedaagden gezamenlijk] gehandhaafde blote betwisting wordt niet gevolgd. Aldus zijn [gedaagden gezamenlijk] niet geslaagd in het tegenbewijs. Voorts heeft de rechtbank reeds overwogen dat aannemelijk is dat [eiseres sub 2] als gevolg van het misbruik en de afgebroken zwangerschappen psychische schade heeft geleden. Zij heeft bij akte van de haar geboden gelegenheid gebruik gemaakt de door haar als gevolg van het misbruik en de afgebroken zwangerschappen geleden schade nader te onderbouwen. [eiseres sub 2] vordert van [gedaagde sub 1] een bedrag van € 100.000,00 aan immateriële schadevergoeding, alsmede in totaal € 93.268,80 aan materiële schade.

Immateriële schade

2.3.

Ter onderbouwing van haar immateriële schade doet [eiseres sub 2] een beroep op een uitspraak van het Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2011:BR4200), waarin een bedrag aan immateriële schadevergoeding is vastgesteld op € 50.000,00. In die zaak betrof het (langdurig) seksueel misbruik door een psychiater. [eiseres sub 2] stelt dat haar situatie nog ernstiger is en zij noemt daarbij een aantal omstandigheden, zoals de periode van het misbruik (van haar elfde tot haar tweeëntwintigste levensjaar, waaronder derhalve de gehele pubertijd). Voorts stelt zij dat ook al in de periode vóór haar elfde sprake was van onthechting van haar moeder, een ongeremde beïnvloeding van haar psyche en een gevoel van onderwerping aan [gedaagde sub 1], hetgeen inherent is aan het verblijf in een sekte, aldus steeds [eiseres sub 2].

2.4.

[gedaagden gezamenlijk] betwisten de (mate) van de door [eiseres sub 2] gestelde psychische schade als gevolg van het seksueel misbruik en stellen kort gezegd dat haar vordering op dit punt moet worden afgewezen, omdat deze niet voldoende is onderbouwd.

2.5.

Vooropgesteld wordt dat de hoogte van een immateriële schadevergoeding conform artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) naar billijkheid dient te worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van de inbreuk en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. De rechtbank neemt als relevante omstandigheden in aanmerking de lange periode waarin het misbruik heeft plaatsgevonden (waarbij de rechtbank in het midden laat of dit in haar elfde, dan wel haar dertiende levensjaar is gestart, nu dit voor de onderhavige beoordeling geen wezenlijk verschil maakt), het overwicht dat [gedaagde sub 1] had op zowel [eiseres sub 2] als haar moeder vanwege zijn dominerende rol binnen de leefgemeenschap, het feit dat [eiseres sub 2] als gevolg van het misbruik tweemaal een abortus heeft ondergaan en de ingrijpende gevolgen die het misbruik én beide abortussen ontegenzeggelijk op het leven van [eiseres sub 2] hebben gehad. Deze omstandigheden brengen, anders dan [gedaagden gezamenlijk] stellen, mee dat aan de onderbouwing van haar stelling dat zij immateriële schade heeft geleden geen hele hoge eisen worden gesteld. Door de overgelegde medische rapportages zijn zowel het bestaan van de immateriële schade als het causale verband voldoende onderbouwd. Alle voornoemde omstandigheden in aanmerking nemend komt de rechtbank naar billijkheid tot een aan [eiseres sub 2] toe te kennen bedrag van € 50.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te voldoen door [gedaagde sub 1].

2.6.

Voor zover de door [eiseres sub 2] genoemde omstandigheden gaan over de gevolgen die zij (overigens eveneens ontegenzeggelijk) heeft ondervonden van haar verblijf in de leefgemeenschap en de onthechting van haar moeder, geldt dat deze in het kader van de onderhavige beoordeling niet kunnen worden meegewogen. De schade die zij dientengevolge heeft geleden en lijdt kan immers niet langer worden gevorderd, aangezien in het tussenvonnis reeds is overwogen dat deze vordering is verjaard. Dat maakt echter niet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dat in het geheel geen aanleiding zou zijn om een vergoeding voor psychische schade toe te kennen.

Materiële schade

2.7.

[eiseres sub 2] vordert naast immateriële schade ook bedragen aan materiële schade. Allereerst vordert zij een bedrag van € 90.000,00 aan gederfd inkomen. Zij onderbouwt die schadepost met de stelling dat zij door alle gebeurtenissen nooit een gedegen opleiding heeft kunnen volgen en niet op haar eigen niveau heeft kunnen werken. Ter staving van haar stelling heeft [eiseres sub 2] jaaropgaven over de jaren 2012 en 2013 overgelegd waaruit blijkt dat zij een uitkering heeft ontvangen en daarnaast inkomen uit werk heeft verworven, hetgeen in mindering is gebracht op de ontvangen uitkering. Volgens [eiseres sub 2] is het redelijk om haar over de periode 2005 tot en met 2013 een bedrag van € 500,00 per maand bovenop het door haar verworven inkomen toe te kennen en omdat niet te verwachten is dat [eiseres sub 2] in de komende vijf jaren wel een normaal inkomen zal verwerven eenzelfde bedrag over de periode 2014 tot en met 2019. Dit komt neer op het gevorderde bedrag van € 90.000,00 dat [eiseres sub 2] aan inkomensschade als gevolg van het seksueel misbruik door [gedaagde sub 1] stelt te hebben geleden.

2.8.

In het licht van de betwisting van [gedaagden gezamenlijk] is de rechtbank van oordeel dat [eiseres sub 2] het gevorderde bedrag aan inkomensschade onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij is met name van belang dat niet is gesteld, laat staan onderbouwd, dat de gestelde inkomensschade het gevolg is geweest van het seksueel misbruik door [gedaagde sub 1] en niet door het verblijf van [eiseres sub 2] in de leefgemeenschap. [eiseres sub 2] stelt immers dat zij door alle gebeurtenissen nooit een gedegen opleiding heeft kunnen volgen en niet op haar eigen niveau heeft kunnen werken. Nu [eiseres sub 2] te dien aanzien niet aan haar stelplicht heeft voldaan, zal aan het door haar aangeboden bewijs niet worden toegekomen. Het gevorderde bedrag aan gederfd inkomen zal dan ook worden afgewezen.

2.9.

Tot slot heeft [eiseres sub 2] nog tweemaal een bedrag van € 1.634,40 inzake gevolgde en toekomstige therapieën gevorderd. [eiseres sub 2] onderbouwt deze schadepost door een aantal facturen over te leggen van haar verzekeraar.

2.10.

[gedaagden gezamenlijk] betwisten deze schadepost in zoverre, dat zij stellen dat het bedrag hooguit het bedrag aan verschuldigde eigen bijdrage kan zijn, hetgeen neerkomt op een bedrag van jaarlijks € 200,00. [gedaagden gezamenlijk] achten hooguit een vergoeding van € 600,00 over de periode vanaf 2012 tot 2015, alsmede eenzelfde bedrag voor toekomstige jaren toewijsbaar.

2.11.

Vooropgesteld wordt dat het de rechtbank op zichzelf niet onredelijk voorkomt dat [eiseres sub 2] de kosten die zij ten aanzien van door haar gevolgde therapieën, voor zover niet door de verzekering gedekt, als schadepost opvoert. Ofschoon [eiseres sub 2] niet alleen als gevolg van het seksueel misbruik, maar ook als gevolg van haar verblijf in de leefgemeenschap onder de gegeven omstandigheden psychische schade heeft geleden waarvoor zij therapie nodig heeft (gehad), is de rechtbank van oordeel dat in de op dit punt opgevoerde kosten moeilijk onderscheid te maken valt, hetgeen in beginsel niet ten nadele van [eiseres sub 2] mag werken. Dat neemt niet weg dat [eiseres sub 2] haar vordering op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd, terwijl dit wel op haar weg lag. Onduidelijk is waaruit het gevorderde bedrag van € 1.634,40 is opgebouwd. Uit de door [eiseres sub 2] overgelegde stukken is af te leiden dat zij over 2012 een bedrag van € 200,00 aan eigen bijdrage heeft moeten betalen en dat zij daarnaast nog een aantal posten niet vergoed heeft gekregen. Die posten komen in totaal op een bedrag van € 262,06, waarvan een bedrag van € 19,39 lijkt te zien op het jaar 2011. Bij gebreke van een deugdelijke toelichting bij de overgelegde facturen, zal de rechtbank de schade van [eiseres sub 2] uit hoofde van door haar vanaf 2012 gedurende drie jaren gevolgde en in de toekomst nog te volgen therapieën begroten op het bedrag van € 200,00 per jaar aan eigen bijdrage, waarbij bij gebreke van een concreet aanknopingspunt voor de toekomst eveneens zal worden uitgegaan van drie jaren. Aldus zal [gedaagde sub 1] worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.200,00 aan kosten inzake gevolgde en nog te volgen therapieën.

2.12.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de gevorderde verklaring voor recht in zoverre zal worden toegewezen, dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat [gedaagde sub 1] aansprakelijk is voor de door [eiseres sub 2] geleden en door [gedaagde sub 1] veroorzaakte materiële en immateriële schade als gevolg van door [gedaagde sub 1] gepleegd seksueel misbruik van [eiseres sub 2]. Voorts zal [gedaagde sub 1] worden veroordeeld tot betaling aan [eiseres sub 2] van een bedrag van € 50.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. Nu de wettelijke rente is gevorderd vanaf 20 maart 2004, de datum waarop [eiseres sub 2] en haar moeder uit de leefgemeenschap zijn vetrokken, en dit door [gedaagden gezamenlijk] niet is weersproken, zal de rechtbank daarbij aansluiten en derhalve de wettelijke rente over voornoemd bedrag van € 50.000,00 toewijzen vanaf 20 maart 2004. Voorts zal een bedrag van € 1.200,00 aan materiële schadevergoeding worden toegewezen. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

2.13.

[gedaagde sub 1] zal als de – grotendeels – in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiseressen gezamenlijk] tot op heden over het toegewezen bedrag begroot op:

- explootkosten: € 104,14

- griffierecht: € 73,00

- getuigentaxen: € 93,60

- salaris advocaat: € 2.682,00 (3 punten x tarief € 894,00)

Totaal: € 2.952,74

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als na te melden.

2.14.

Nu de vorderingen van [eiseressen gezamenlijk] jegens Aeon reeds zijn afgewezen zullen [eiseressen gezamenlijk] in de proceskosten van Aeon worden veroordeeld. Deze worden begroot op nihil.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] aansprakelijk is voor de door [eiseres sub 2] geleden en door [gedaagde sub 1] veroorzaakte materiële en immateriële schade als gevolg van door [gedaagde sub 1] gepleegd seksueel misbruik van [eiseres sub 2];

3.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan [eiseres sub 2] van € 50.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 20 maart 2004;

3.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan [eiseres sub 2] van € 1.200,00 aan materiële schadevergoeding;

3.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiseressen gezamenlijk] tot op heden begroot op € 2.859,14;

3.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

3.6.

wijst de vorderingen tegen Aeon af;

3.7.

veroordeelt [eiseressen gezamenlijk] in de kosten van deze procedure aan de zijde van Aeon, tot op heden begroot op nihil;

3.8.

verklaart de hiervoor in 3.2 tot en met 3.5 uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

3.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Y.C. Poelmann, rechter, bijgestaan door mr. J.M. Sodderland, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2015.