Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:1577

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2015
Datum publicatie
26-03-2015
Zaaknummer
13/845004-09 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt de ex-partner van één van de oprichters van Palm Invest BV vrij van (gewoonte)witwassen. De rechtbank acht niet bewezen dat zij wetenschap heeft gehad van de door Palm Invest en haar ex-partner gepleegde strafbare feiten. Wel veroordeelt de rechtbank haar voor schuldwitwassen ten aanzien van een bedrag van € 36.500, -. Zij heeft dat bedrag verkregen na de aanhouding van haar ex-partner en had toen redelijkerwijs moeten vermoeden dat dat geld van enig misdrijf afkomstig was. Ook wordt ze veroordeeld voor hypotheekfraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845004-09 (Promis)

Datum uitspraak: 25 februari 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres, te plaats 1].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 en 11 februari 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.J.M. van Dis - Setz en van wat verdachte en haar raadsman mr. G.M. van Gessel naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat

1. primair:

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 24 maart 2009 januari te Bussum en/of Beverwijk en/of Almere en/of Hilversum en/of (elders) in Nederland

(telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) (telkens),

(van) (een) voorwerp(en), te weten (een of meerdere) geldbedrag(en), tot een totaal van (ongeveer) euro 29.404.393, -, althans een bedrag van euro 802.665, althans enig(e) geldbedrag(en),

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of voornoemd(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruik van gemaakt,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moet(en) vermoeden, dat die/dat voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

artikel 420ter Wetboek van Strafrecht

artikel 47 Wetboek van Strafrecht

subsidiair:

zij in of omstreeks de periode van 1 november 2005 tot en met 24 maart 2009, te Bussum en/of Beverwijk en/of Almere en/of Hilversum en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen,

meermalen, althans eenmaal, (een) voorwerp(en), te weten (van):

een of meer hoeveelhe(i)d(en) (contant) geld (circa 36.500 euro(D-1238))

en/of

(een) hoeveelhe(i)d(en) geld, (onder meer) ten behoeve van de aanschaf en/of de betaling van:

- een personenauto van het merk Porsche, type Cayenne (kenteken [kenteken 1]) (euro 175.950, - , D-456) en/of

- een poolhouse ten behoeve van de woning gelegen aan de [adres 1] te Bussum (euro 101.442,49, AH-202) en/of

- baby/kinderartikelen (euro 16.337,00, D-1243/D-1247) en/of

- kleding (euro 46.001,00, D-1243/D-1247) en/of

- schoenen (euro 3.745,00, D-1247) en/of

- parfum (euro 842,00, D-1247) en/of

- woninginrichting (euro 157.477,00, D-1243/D-1247)

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld,

en/of

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van dat/die geldbedrag(en) en/of (een) voorwerp(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(artikel 420bis/420quater van het Wetboek van Strafrecht)

2. zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2004 tot en met 29 maart 2004 te Amsterdam en/of De Meern en/of Heerhugowaard, in elk geval in Nederland,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e),

1. modelwerkgeversverklaring van [onderneming 1] gedateerd 1 maart 2004 (D-1218) en/of

2. salarisspecificatie van [onderneming 1] over de maand februari 2004(D-1219),

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande dat gebruik maken hierin dat verdachte

de genoemde werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie heeft overlegd en/of (in)gestuurd en/of ingediend ter verkrijging van een hypotheek, in elk geval voor de verkrijging van enig krediet (AH-520),

en bestaande die valsheid hierin dat:

- ad 1. op vermelde model-werkgeversverklaring is vermeld dat verdachte:

a. een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had of was aangesteld in vaste dienst bij [onderneming 1] te Den Helder en/of

b. sinds 1 augustus 2003 in dienst was in de functie van verkoopster/consultant en/of

c. een bruto inkomen per jaar van 35.763,44 euro (inclusief vakantietoeslag) ontving

en/of

- ad 2. op vermelde salarisspecificatie is vermeld dat verdachte in februari 2004 een bruto salaris van 2759 euro (netto 1885,11 euro) had genoten als verkoopster/consultant in dienst van [onderneming 1]

(artikel 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht)

3 Voorvragen

3.1.

De geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard voor zover dit het onder 1 primair ten laste gelegd betreft, omdat onduidelijk is waarop het ten laste gelegde bedrag van € 29.404.393, - en de ten laste gelegde periode tot en met 24 maart 2009 zijn gebaseerd.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat de dagvaarding als functie heeft de verdachte te informeren over het feit waarvoor hij of zij moet terechtstaan. Daarbij is niet vereist dat de opgave van het ten laste gelegde juist is en tot een bewezenverklaring kan leiden. In de onderhavige zaak kan er na lezing van de dagvaarding en het onderliggende dossier voor de verdediging geen onduidelijkheid bestaan over het verwijt dat onder 1 primair aan verdachte wordt gemaakt, te weten gewoontewitwassen dan wel schuldwitwassen van alle geldbedragen die door middel van oplichting door Palm Invest BV (hierna: Palm Invest) waren verkregen. Dat daarbij het ten laste gelegde geldbedrag van € 29.404.393, - en de volledige ten laste gelegde termijn op grond van het dossier mogelijk niet kunnen worden bewezen, zoals de verdediging betoogt, leidt niet tot nietigheid van de dagvaarding.

De dagvaarding is dus geldig.

3.2.

De overige voorvragen

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

4.1.1.

Vaststaande feiten

Bij de beoordeling van de aan verdachte ten laste gelegde feiten gaat de rechtbank uit van de reeds eerder door de rechtbank Amsterdam en het Gerechtshof Amsterdam vastgestelde feiten ten aanzien van de door Palm Invest en aanverwante rechtspersonen gepleegde strafbare feiten, welke vaststaande feiten zijn neergelegd in de vonnissen c.q. arresten tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].1 Deze feiten zijn noch door de officier van justitie, noch door de verdediging betwist en kunnen dus ook in de zaak tegen verdachte als vaststaand worden beschouwd. Gelet hierop kan het volgende worden vastgesteld.

De besloten vennootschap Palm Invest ontstaat op 27 november 2006. Vestigingsadres is de [adres 2] a/b te Hilversum. Bestuurder en enig aandeelhouder van Palm Invest is Palm Invest Holding BV. Van die vennootschap is Stichting Administratiekantoor Palm Invest de enig aandeelhouder en bestuurder. Bestuurder van deze stichting is tot 19 januari 2007 [persoon 1]. Vanaf die datum is dat [persoon 2]. Palm Invest is houder van een bankrekening bij de ABN AMRO Bank met nummer [bankrekening 1]. Sinds 8 november 2006 is [persoon 1] algemeen en onbeperkt bevoegd op deze rekening.

Palm Invest biedt beleggers de mogelijkheid om te investeren in vastgoed op de Palmeilanden in Dubai. Vanaf het eerste moment start Palm Invest een mediaoffensief om beleggers te werven. In dit kader is er onder meer op 26 november 2006 een item over Palm Invest bij het RTL programma 'Business Class'. In dit programma voert [persoon 2] namens Palm Invest het woord over het beleggingsproduct dat Palm Invest in de markt heeft gebracht. [persoon 2] verklaart in dit programma onder meer in antwoord op vragen van de presentator, zakelijk weergegeven:

  • -

    dat Palm Invest in iedere emissie die zij uitgeeft een eigen kapitaal van 20% eigen vermogen plaatst;

  • -

    dat de eigen aandeelhouders voor 20% eigen vermogen zorgen;

  • -

    dat op het moment dat Palm Invest vastgoed aankoopt in Dubai alles kadastraal wordt ingeschreven;

  • -

    dat Palm Invest daarnaast de eerste hypotheekakte aan een stichting geeft zodat de obligatiehouders, die ook bij de stichting worden ingeschreven, de rechten van de eerste hypotheken hebben;

  • -

    en dat de markt in Dubai de afgelopen 4 jaar een rendement heeft gegeven van tussen de 15 en 20%.

Na de uitzending bij Business Class volgen commercials op RTL 7, advertenties in glossy bladen en reclameborden in de Amsterdam ArenA. Daarnaast heeft Palm Invest een eigen website en een brochure waarmee zij geïnteresseerde beleggers informatie verstrekt over het door haar aangeboden beleggingsproduct. In de brochure van Palm Invest staat onder meer dat Palm Invest zich concentreert op de aankoop van appartementen en villa's op de Palmeilanden in Dubai. Volgens de brochure heeft een investering bij Palm Invest de volgende unieke voordelen.

  • -

    Obligaties worden uitgegeven in eenheden van € 1.000, - met als minimum € 50.000, -;

  • -

    De investeerder ontvangt een vaste rente van 9% per jaar (0,75% per maand);

  • -

    De rente wordt maandelijks uitgekeerd;

  • -

    De looptijd is 3 jaar;

  • -

    De emissiekosten bedragen 3%;

  • -

    Een onafhankelijke stichting beheert de zekerheden van de door de belegger gedane investering;

  • -

    20% van het totale obligatiefonds is door Palm Invest als eigen vermogen ingebracht. Dit eigen vermogen is achtergesteld t.o.v. de obligatiehouder.

Deze onderdelen staan ook op de website van Palm Invest vermeld als unieke kenmerken van de investering. Via die website kunnen beleggers ook een inschrijvingsformulier downloaden om een obligatieovereenkomst met Palm Invest aan te gaan.

Palm Invest werkt volgens de door haar verstrekte informatie samen met een onafhankelijke stichting die de obligatiehouders zekerheid moet bieden. Deze stichting is de op 15 november 2006 opgerichte Stichting Garantie Gelden Palm Invest, gevestigd op de [adres 3] te Amsterdam. Bestuurder van de stichting is [persoon 3]. In de eerdergenoemde brochure valt over deze stichting te lezen dat Palm Invest is aangesloten bij de Stichting Garantie Gelden en dat deze is opgericht om de investeerder een maximale zekerheid te bieden. Ook staat in de brochure dat ingeval Palm Invest haar verplichtingen niet kan nakomen, de zekerheden worden aangesproken die zijn ondergebracht bij deze onafhankelijke stichting. De verkoopwaarden van de bezittingen zijn, mede door het ingebrachte en achtergestelde eigen vermogen van Palm Invest, altijd hoger dan de inleg van de obligatiehouders. De Stichting Garantie Gelden neemt namens de obligatiehouder het eerste hypotheekrecht (pandrecht) op het vastgoed, aldus de brochure.

Op 27 november 2006 stort de eerste belegger een inleg van € 50.000, - en een bedrag van € 1.500, - emissiekosten op de bankrekening van Palm Invest. Andere beleggers volgen snel. In totaal zullen beleggers in de periode tot aan de inval van de FIOD/ECD op 21 januari 2008 een bedrag van ruim 29 miljoen euro aan Palm Invest overmaken.

In het kader van deze beleggingen sluit Palm Invest met beleggers een schriftelijke overeenkomst tot obligatielening af, zij het in de regel pas nadat de belegger in kwestie het in te leggen bedrag heeft gestort. De obligatieovereenkomsten worden onder andere afgesloten met de beleggers [belegger 1] en [belegger 2] (overeenkomst van 21 september 2007 voor € 50.000, -), [belegger 3] en [belegger 4] (overeenkomst van omstreeks 25 januari 2007 voor € 50.000, -), [belegger 5] (overeenkomst van 4 juli 2007 voor € 50.000, -) en [belegger 6] (overeenkomst van 14 april 2007 voor € 80.000, -). Deze overeenkomsten zijn volgens hun tekst namens Palm Invest ondertekend door verdachte of [persoon 1], en namens de Stichting Garantie Gelden Palm Invest door [persoon 3]. In die overeenkomsten is onder meer de volgende passage opgenomen.

'(1.3) De obligatielening zal door de Vennootschap (hiermee wordt Palm Invest bedoeld) worden aangewend voor de financiering van vastgoed op de Palm Eilanden te Dubai. Palm Invest BV verklaart door ondertekening van deze overeenkomst dat zij de financiële middelen uit de emissie van de Obligaties die haar overeenkomstig de maatschapsovereenkomst ter beschikking worden gesteld, zal aanwenden voor de aanschaf van vastgoed.'

Daarnaast staat in de bepalingen die onder hoofdstuk 3 in de obligatieovereenkomst zijn opgenomen, samengevat, dat er zekerheden zijn gedaan aan de Stichting Garantie Gelden, dat deze stichting die zekerheden beheert ten behoeve van de gezamenlijke obligatiehouders en dat zij deze zekerheden zal uitwinnen ingeval Palm Invest (met inachtneming van de in de overeenkomst genoemde ondergrenzen) haar geldelijke verplichtingen jegens de obligatiehouders niet voldoet.

In het procesdossier bevinden zich meer soortgelijke obligatieovereenkomsten tussen Palm Invest en beleggers. In elk van die overeenkomsten zijn de bovenomschreven bepalingen met betrekking tot de Stichting Garantie Gelden Palm Invest onder hoofdstuk 3 opgenomen. Al deze overeenkomsten zijn blijkens de tekst namens die stichting mede ondertekend door [persoon 3].

Uiteindelijk is gebleken dat maar een klein deel van het door de beleggers ingelegde geld is gebruikt om vastgoed van te kopen, welke aankopen bovendien niet binnen de invloedssfeer van Palm Invest vielen, maar onder Palm Invest Dubai Limited (hierna: PID), welke vennootschap geen enkele juridische relatie had met Palm Invest. Ook zijn nimmer hypothecaire rechten of andersoortige zekerheden ondergebracht in de Stichting Garantie Gelden Palm Invest en was die stichting in feite een lege huls. Bovendien heeft er nooit een inbreng van 20% eigen vermogen door Palm Invest in het obligatiefonds plaatsgevonden. Het merendeel van het geld is uiteindelijk terecht gekomen op bankrekeningen waarover [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] konden beschikken en/of vervolgens uitgegeven aan bestedingen in de privésfeer van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1].

Gelet hierop acht de rechtbank, net als de rechtbank Amsterdam en het Gerechtshof Amsterdam in de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], bewezen dat Palm Invest en aanverwante rechtspersonen zich schuldig hebben gemaakt aan oplichting en valsheid in geschrift.

4.1.2.

De rol van verdachte

Verdachte wordt – net als de daarvoor reeds veroordeelde [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen dan wel schuldwitwassen van de in totaal door de beleggers ingelegde € 29.404.393, -, althans een bedrag van € 802.665, - dat op de bankrekening van Portere Management BV (hierna: Portere), waarvan verdachte statutair bestuurder was, is gestort. Subsidiair wordt verdachte verweten dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen dan wel schuldwitwassen door financieel te profiteren van de door misdrijf verkregen geldbedragen.

4.1.3.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen moet worden verklaard. Subsidiair heeft ze zich op het standpunt gesteld dat in elk geval het onder 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen moet worden verklaard. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft zich in elk geval schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van de geldbedragen dia via de rekening van Portere liepen. Als directeur van Portere had zij de plicht om zich op de hoogte te stellen wat er binnen de BV gebeurde. Ze wist bovendien ook heel goed hoeveel inkomen er verdiend werd. Ze tekende immers de management overeenkomst met PR Invest. Verder gaf ze de mogelijkheid aan medeverdachten om de rekening van de BV te gebruiken en heeft ze veel meer geld van die rekening opgemaakt dan er vanuit PR Invest binnen kon komen. Verdachte had moeten vragen naar de herkomst van dat geld.

Daarnaast kan echter ook worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van al het door Palm Invest verkregen geld. Medio 2007 begonnen de eerste geruchten dat er iets niet klopte bij Palm Invest de ronde doen. Bovendien waren er in die tijd meer vergelijkbare fondsen die negatief in het nieuws kwamen. Het kan verdachte dus niet zijn ontgaan dat er in die branche veel aan de hand was. Tegelijkertijd hadden verdachte en [medeverdachte 1] samen een levensstijl die absoluut niet mogelijk was met een legaal verdiend salaris. Verdachte heeft dus willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat haar levensstijl werd gefinancierd met geld dat uit misdrijf afkomstig was. Het is voor een bewezenverklaring bovendien niet nodig dat verdachte over het gehele geldbedrag kon beschikken, als zij dat maar in gezamenlijkheid met haar medeverdachten ([medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]) kon doen.

Mocht gewoontewitwassen niet bewezen kunnen worden, dan kan het onder 1 primair impliciet ten laste gelegde schuldwitwassen worden bewezen. Verdachte had immers op zijn minst moeten vermoeden dat de mede door haar gebruikte gelden van misdrijf afkomstig waren. Onder de omstandigheden in deze zaak rustte op verdachte een onderzoeksplicht ten aanzien van der herkomst van dat geld. Door zich niet voldoende op de hoogte te stellen van de herkomst van het geld, heeft verdachte met grove en aanmerkelijke onvoorzichtigheid gehandeld.

Ten aanzien van de onder 1 subsidiair ten laste gelegde contante stortingen (van in totaal € 36.500, -) op de privérekening van verdachte geldt dat onbekend is waar dat geld vandaan kwam en wie het gestort heeft. Verdachte heeft daar geen verklaring voor gegeven. Kennelijk was er na de aanhouding van [medeverdachte 1] nog geld over dat afkomstig was van Palm Invest en is dat geld op de rekening van verdachte gestort. Aangezien verdachte op dat moment geen inkomen had en ook niet heeft verklaard over een legale herkomst van deze contante stortingen kan het niets anders dan dat die gelden een niet legale herkomst hadden.

4.1.4.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van zowel het onder 1 primair als het onder 1 subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde en het witwassen van de onder 2 subsidiair ten laste gelegde goederen voor zover die goederen zijn aangeschaft vóór 21 januari 2008. Er kan namelijk niet bewezen worden dat zij voor 21 januari 2008 wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de geldbedragen en goederen afkomstig waren van enig misdrijf. Verdachte mocht in redelijkheid denken dat de financiële middelen waarover [medeverdachte 1] beschikte hun herkomst vonden in een goedlopend bedrijf. [medeverdachte 1] heeft verdachte nooit verteld door middel van welke werkzaamheden de inkomsten binnen kwamen. Uit de enkele omstandigheid dat verdachte Portere op haar naam had staan, kan niet worden afgeleid dat verdachte op de hoogte was van de criminele activiteiten en illegale inkomsten van [medeverdachte 1].

Ook met betrekking tot de geldbedragen die verdachte na 21 januari 2008 heeft verworven dan wel zou hebben verworven, moet verdachte worden vrijgesproken. Het is onbekend wie de stortingen van (in totaal) € 36.500, - heeft gedaan en dat deze gelden van misdrijf afkomstig zijn, is niet vast te stellen. Verder zijn er na 21 januari 2008 nog voor in totaal € 117,20 aan afschrijvingen gedaan vanaf de bankrekeningen van Portere en verdachte. Die afschrijvingen hadden betrekking op een abonnement van een kindertijdschrift. Nu het mogelijk is dat dit abonnement is afgesloten door [medeverdachte 1] en abonnementen vaak een opzegtermijn hebben, kan verdachte ook niet worden verweten dat zij dit geldbedrag heeft witgewassen.

4.1.5.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van in rubriek 4.1 weergegeven vaststaande feiten en de bewijsmiddelen die in bijlage I van dit vonnis zijn opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het schuldwitwassen van meerdere geldbedragen van in totaal € 36.500, -, maar dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde en het verder onder 1 subsidiair ten laste gelegde. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Op grond van het dossier is niet gebleken dat verdachte vóór 21 januari 2008, de dag waarop haar echtgenoot [medeverdachte 1] en diens compagnon [medeverdachte 2] zijn aangehouden, wist of redelijkerwijs had moeten weten dat Palm Invest een oplichtingsvehikel was en dat het daaruit afkomstige geld dus afkomstig was van enig misdrijf. Er is namelijk niet gebleken dat [medeverdachte 1] verdachte op enig moment heeft verteld dat er strafbare feiten door Palm Invest werd gepleegd, noch dat verdachte daar op enige andere manier wetenschap van heeft gekregen.

Ook de omstandigheid dat verdachte bestuurder was van Portere en zij deze vennootschap (en bankrekening) feitelijk ter beschikking heeft gesteld aan [medeverdachte 1] door geen toezicht te houden op transacties in naam van de vennootschap, is geen zodanige omstandigheid dat verdachte daaruit kon opmaken dat strafbare feiten werden begaan, dan wel dat vastgesteld kan worden dat bij haar sprake was van grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Zij stelde Portere immers niet ter beschikking aan een willekeurige derde, maar aan haar echtgenoot, met wie ze samenleefde. Deze gaf daarvoor bovendien een aannemelijke verklaring, te weten dat hij zelf de BV niet op zijn naam kon hebben wegens een vroeger faillissement. Ook ontving verdachte geen vergoeding hiervoor. Zij kan onder die omstandigheden niet worden vergeleken met een stroman die door het verstrekken van een BV en/of een bankrekening aan een (relatief) onbekende bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat die BV en/of bankrekening zullen worden gebruikt voor strafbare feiten. Ook de omstandigheid dat verdachte als statutair bestuurder van Portere niet heeft voldaan aan haar wettelijke verplichtingen en niet heeft gecontroleerd of er een behoorlijke boekhouding plaatsvond, levert geen grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid op zolang verdachte mocht denken dat de geldbedragen die op de bankrekening van Portere werden ontvangen afkomstig waren van legale werkzaamheden van haar echtgenoot. Dit wordt pas anders op het moment dat verdachte zodanige signalen bereiken dat zij daar anders over zou moeten denken.

De rechtbank ziet zich dus voor de vraag gesteld of en wanneer dergelijke signalen verdachte moeten hebben bereikt.

Allereerst kan de uitbundige levensstijl die verdachte en [medeverdachte 1] genoten niet als een dergelijk signaal worden aangemerkt, nu verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1], toen zij hem leerde kennen in december 2004, diezelfde levensstijl erop nahield. De rechtbank beschikt niet over gegevens om daarover anders te oordelen. Er kan dus niet worden bewezen dat de levensstijl van verdachte en [medeverdachte 1] na de oprichting van Palm Invest zodanig veranderde dat verdachte reeds daaruit had moeten opmaken dat de inkomsten van [medeverdachte 1] uit Palm Invest niet legaal konden zijn. Dat [medeverdachte 1] na de oprichting van Palm Invest een dure woning kocht en in verschillende dure auto’s reed, kon in de ogen van verdachte door het legale succes van Palm Invest worden verklaard. Die uitgaven waren niet van zodanige omvang dat het niet anders kon zijn dan het gebruikte geld uit misdrijf afkomstig was. Anders dan door de officier van justitie is gesteld, volgt uit het dossier ook niet dat verdachte zicht heeft gehad op het volledige uitgavepatroon van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de ten laste gelegde periode, zodat ook de totale omvang van de uitgaven van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet als signaal kan worden aangemerkt op grond waarvan verdachte moet hebben geweten dat de inkomsten van [medeverdachte 1] niet legaal konden zijn.

Ten tweede kan ook de negatieve berichtgeving in de media met betrekking tot beleggingsfondsen Golden Sun en Royal Dubai niet als een dergelijk signaal worden aangemerkt, nu uit het dossier geheel niet blijkt dat verdachte hier in de ten laste gelegde periode kennis van had.

Ten derde kan het handelen van advocaat Bartels niet als een dergelijk signaal worden aangemerkt. Hoewel verdachte bekend was met zijn aantijgingen jegens Palm Invest, bevat het dossier onvoldoende bewijs dat de door verdachte hierdoor verkregen informatie dermate concreet en verontrustend moet zijn geweest dat zij nader onderzoek naar de herkomst van de inkomsten van [medeverdachte 1] had moeten doen.

Ten slotte kan ook uit het sms-bericht dat verdachte op 17 oktober 2007 naar [medeverdachte 1] heeft gestuurd, niet worden opgemaakt dat verdachte op dat moment of in ieder geval vóór 21 januari 2008 wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de inkomsten van [medeverdachte 1] een criminele herkomst hadden. Uit dit sms-bericht blijkt weliswaar dat verdachte door [medeverdachte 1] wil worden geïnformeerd over hun financiën, maar niet dat dat vervolgens ook daadwerkelijk is gebeurd, laat staan dat [medeverdachte 1] daarbij heeft verteld dat de inkomsten uit oplichting afkomstig waren. [medeverdachte 1] en verdachte hebben ook ontkend dat zij ooit gesproken hebben over de precieze werkzaamheden waarmee [medeverdachte 1] zijn geld verdiende.

Verdachte moet dus worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde en het onder 1 subsidiair ten laste gelegde witwassen van geldbedragen door de aanschaf van goederen vóór 21 januari 2008, nu niet kan worden bewezen dat verdachte wist dat het geld van misdrijf afkomstig was, noch dat redelijkerwijs had moeten vermoeden.

Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte vanaf 21 januari 2008 wel redelijkerwijs moeten vermoeden dat het geld van [medeverdachte 1] van enig misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft echter alleen de ten laste gelegde contante stortingen van in totaal € 36.500, - na 21 januari 2008 voorhanden gehad. Nu verdachte in die tijd geen legale inkomsten genoot die die stortingen kunnen verklaren en dit geld, volgens de verklaring van verdachte, ook niet afkomstig kon zijn van vrienden of familie die haar geld leenden, kan het niet anders dan dat dit geld afkomstig was van iemand uit de omgeving van [medeverdachte 1] of Palm Invest en dus van misdrijf afkomstig was. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat zij nooit heeft gemerkt dat dit geld op haar rekening werd gestort onaannemelijk, mede omdat zij heeft verklaard in die tijd alleen een maandelijks bedrag van ongeveer €1.000, - uit verhuur aan inkomsten te ontvangen. Door dit geld in ontvangst te nemen, heeft verdachte zich dus schuldig gemaakt aan schuldwitwassen.

4.2.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

4.2.1.

Vaststaande feiten

Bij de beoordeling van het aan verdachte ten laste gelegde feit gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Deze feiten zijn noch door de officier van justitie, noch door de verdediging betwist en kunnen dus als vaststaand worden beschouwd.

Verdachte heeft van 11 mei 2004 tot en met 31 januari 2008 ingeschreven gestaan op het adres [adres, te plaats 2]. Voor deze woning is een hypotheek afgesloten bij Direktbank NV. Deze hypotheek is afgesloten via de tussenpersoon [assurantiekantoor 1] en bij de hypotheekaanvraag zijn onder meer een model-werkgeversverklaring en een salarisspecificatie van verdachte van [onderneming 1] gevoegd. Verdachte heeft daar echter nooit gewerkt, zodat deze documenten vals zijn.

De vraag die resteert, is of verdachte bij de hypotheekaanvraag opzettelijk gebruik heeft gemaakt van deze valse documenten.

4.2.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde bewezen moet worden verklaard. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

De valse documenten zijn gebruikt bij de hypotheekaanvraag voor de woning van verdachte in Beverwijk. Die hypotheek is afgesloten bij de Direktbank. Volgens getuige [getuige 1] van de Direktbank ging de hypotheekaanvraag vergezeld van de werkgeversverklaring en de salarisstrook en was [medewerker assurantiekantoor 1] de tussenpersoon. [medewerker assurantiekantoor 1] heeft als getuige verklaard dat verdachte de hypotheekaanvraag zelf had getekend en dat zij na ondertekening van de hypotheekofferte de salarisspecificatie en werkgeversverklaring aan hen had verstrekt.

Verdachte heeft verklaard dat zij helemaal niet bij [medewerker assurantiekantoor 1] is geweest, maar dat [persoon 4] en [persoon 5] de hypotheekaanvraag voor haar hebben geregeld en kennelijk buiten haar medeweten om valse documenten bij die aanvraag hebben gebruikt. Die verklaring is volstrekt ongeloofwaardig. Het is veel waarschijnlijker dat ze naar [persoon 4] ging omdat ze wist dat ze valse documenten nodig had voor haar hypotheekaanvraag omdat haar inkomen niet hoog genoeg was om een hypotheek te krijgen.

4.2.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Verdachte was niet op de hoogte van de valsheid van de werkgeversverklaring en de inkomensspecificatie. Zij heeft [persoon 4] en [persoon 5] benaderd voor het regelen van haar hypotheek en was daar niet actief bij betrokken. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte zelf de hypotheekaanvraag heeft ingediend. De handtekening op die aanvraag verschilt ook van de normale handtekening van verdachte. Er is gebleken dat [persoon 5] samen met [persoon 6] het bedrijf [onderneming 1] heeft opgericht en aangezien de handtekening op de documenten op die van [persoon 6] lijkt, is het waarschijnlijk dat die handtekening is vervalst door iemand die [persoon 6] kende. Gelet hierop is het aannemelijk dat de valse documenten door iemand anders dan verdachte zijn opgemaakt. Nu uit het dossier ook niet blijkt dat verdachte daarvan wetenschap had, moet zij dus worden vrijgesproken.

4.2.4.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage I van dit vonnis zijn opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de valse geschriften, die onder 2 aan haar zijn ten laste gelegd.

De rechtbank overweegt daartoe dat uit de verklaring van [medewerker assurantiekantoor 1] blijkt dat verdachte zelf de valse werkgeversverklaring en salarisspecificatie aan een tussenpersoon van [assurantiekantoor 1] heeft verstrekt. Het kan dus niet anders dan dat verdachte bewust deze documenten, waarvan ze in één oogopslag kon zien dat deze vals waren aangezien ze nooit bij [onderneming 1] had gewerkt, heeft gebruikt ten behoeve van haar hypotheekaanvraag. Het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario, dat – zo begrijpt de rechtbank – inhoudt dat de valse documenten valselijk zijn opgemaakt door [persoon 5] en buiten medeweten van verdachte aan [medewerker assurantiekantoor 1] zijn verstrekt, wordt gelet op de verklaring van [medewerker assurantiekantoor 1] verworpen en is bovendien niet geloofwaardig.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage I vervatte bewijsmiddelen en de in rubriek 4 vervatte bewijsoverwegingen het volgende bewezen

 Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, te weten dat verdachte:

in de periode van 21 januari 2008 tot en met 24 maart 2009, te Bussum, meermalen voorwerpen, te weten:

hoeveelheden geld (36.500 euro (D-1238))

voorhanden heeft gehad, terwijl zij redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf

 Het onder 2 ten laste gelegde, te weten dat verdachte:

in de periode van 1 maart 2004 tot en met 29 maart 2004 te De Meern, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse,

1. modelwerkgeversverklaring van [onderneming 1] gedateerd 1 maart 2004 (D-1218) en

2. salarisspecificatie van [onderneming 1] over de maand februari 2004(D-1219),

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die geschriften echt en onvervalst,

bestaande dat gebruik maken hierin dat verdachte de genoemde werkgeversverklaring en salarisspecificatie heeft ingediend ter verkrijging van een hypotheek,

en bestaande die valsheid hierin dat:

- ad 1. op vermelde model-werkgeversverklaring is vermeld dat verdachte:

a. een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had of was aangesteld in vaste dienst bij [onderneming 1] te Den Helder en

b. sinds 1 augustus 2003 in dienst was in de functie van verkoopster/consultant en

c. een bruto inkomen per jaar van 35.763,44 euro (inclusief vakantietoeslag) ontving

en

- ad 2. op vermelde salarisspecificatie is vermeld dat verdachte in februari 2004 een bruto salaris van 2759 euro (netto 1885,11 euro) had genoten als verkoopster/consultant in dienst van [onderneming 1]

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden, waarvan 5 (vijf) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Gelet op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie zou bij fraude van deze omvang in beginsel een gevangenisstraf van vijf jaren op zijn plaats zijn. Er moet echter rekening mee worden gehouden dat verdachte de gronddelicten niet zelf heeft gepleegd, maar daar als partner van een van de plegers van heeft geprofiteerd. Daarnaast moet er rekening worden gehouden met de omstandigheid dat het een hele oude zaak betreft. Verdachte is op 24 maart 2009 aangehouden. Vanaf de kant van justitie lijkt niet voldoende druk achter een afdoening van de zaak te zijn gezet. Het tijdsverloop in deze zaak moet dus verdisconteerd worden in de strafmaat.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat – in het geval van een bewezenverklaring van enig feit – aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou moeten worden opgelegd. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Als verdachte al verwijtbaar heeft gehandeld door enig geldbedrag of goed wit te wassen, dan was dat toch wel in zeer afgeleide vorm en betrof dat een veel kleiner bedrag dan het volledige bedrag dat Palm Invest door de oplichting heeft verkregen. Verdachte is jarenlang geconfronteerd met deze strafzaak . Het zou dus niet meer passend zijn als verdachte nog een gevangenisstraf zou moeten uitzitten.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van € 36.500, -. Zij heeft daarmee voordeel getrokken uit de grootschalige fraude van haar echtgenoot en van Palm Invest. Witwassen van uit misdrijf afkomstige gelden vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Bovendien heeft het in omloop zijn van witgewassen geldbedragen een sterk corrumperende werking en faciliteert dit veelal ander strafbaar handelen. Vanaf het moment dat het verdachte duidelijk kon zijn dat haar echtgenoot werd verdacht van grootschalige oplichting en witwassen had zij dienen te voorkomen dat zij van die activiteiten nog verder voordeel zou genieten.

Daarnaast heeft verdachte gebruik gemaakt van twee valse documenten om een hypothecaire lening aan te vragen. Daarmee heeft zij een ernstige inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat banken en hypotheekverstrekkers stellen in de juistheid van aan hen overhandigde documenten. Bovendien heeft zij daardoor een lening verkregen – en dus een huis kunnen kopen – terwijl haar inkomen daartoe in werkelijkheid niet toereikend was.

Nu verdachte geen relevante Justitiële Documentatie heeft en er een aanzienlijke tijd is verstreken sinds de ten laste gelegde feiten, in het bijzonder de hypotheekfraude, is de rechtbank van oordeel dat voor deze strafbare feiten in beginsel een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een taakstraf van 240 uren passend en geboden zou zijn.

De rechtbank is echter van oordeel dat de redelijke termijn is overschreden. De rechtbank sluit zich bij de beoordeling van de vraag welke consequentie daaraan moet worden verbonden, aan bij de thans geldende jurisprudentie van de Hoge Raad. In zijn arrest van 17 juni 2008 (LJN-nummer: BD2578) heeft de Hoge Raad een aantal uitgangspunten ten aanzien van de redelijke termijn en de consequenties van overschrijding daarvan weergegeven. De rechtbank geeft deze, voor zover relevant, hieronder weer en zal daar de navolgende conclusies aan verbinden.

Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf. Naar het oordeel van de rechtbank was de aanhouding van verdachte op 24 maart 2009 een handeling waaraan zij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen haar een strafvervolging zou worden ingesteld. De redelijke termijn is dus op die dag aangevangen. De berechting van een zaak in eerste aanleg dient in beginsel met een eindvonnis te zijn afgerond binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn zou in onderhavige zaak derhalve in beginsel met drie jaren en elf maanden zijn overschreden.

De rechtbank is van oordeel dat er in deze zaak geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Gelet hierop zoekt de rechtbank bij de in mindering te brengen straf aansluiting bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden en zal dus naar bevind van zaken handelen. De rechtbank zal daarom geen voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen, maar slechts een – enigszins gematigde – taakstraf.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57, 225 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Schuldwitwassen, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 200 (tweehonderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 (honderd) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. A.B.M. Wijnveldt en R.H.C. Jongeneel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Spliet, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 februari 2015

1 ECLI:NL:RBAMS:2010:BM1907, ECLI:NL:RBAMS:2010:BM1910 en ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ7878.