Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:1573

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-03-2015
Datum publicatie
20-03-2015
Zaaknummer
13/993021-10 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

BTW-fraude. Verdachte heeft namens een besloten vennootschap een onjuiste aangifte omzetbelasting ingediend, aan welke aangifte valselijk opgemaakte facturen ten grondslag hebben gelegen. Verdachte heeft feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging. De geldbedragen afkomstig uit het doen van deze onjuiste belastingaangifte heeft verdachte met anderen witgewassen. Voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, taakstraf van 180 uren en een geldboete van € 10.000,-. Bij bepalen van de strafmaat is rekening gehouden met overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0813
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993021-10 (Promis)

Datum uitspraak: 5 maart 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Afghanistan) op [geboortedag] 1963,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres 1], [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 februari 2015.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. D.E. Kruimel, en van wat de raadsman van verdachte, mr. W. de Vries, naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van het opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging (feit 1) en het medeplegen van witwassen van geldbedragen afkomstig uit het doen van deze onjuiste belastingaangifte (feit 2).

3 Voorvragen

3.1.

De geldigheid van de dagvaarding en de bevoegdheid van de rechtbank

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

3.2.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging van verdachte bepleit. Daartoe heeft hij, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. De vervolgingsbeslissing van de officier van justitie is in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat uitsluitend verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde wordt vervolgd, terwijl hij niet de persoon is geweest die de onjuiste belastingaangifte heeft opgesteld en ingediend. Daarnaast is in strijd gehandeld met de Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten en douanedelicten 2006 (hierna: ATV-richtlijn). Tot slot behoort het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank zal de door de verdediging aangevoerde argumenten puntsgewijs bespreken.

Gelijkheidsbeginsel

Het in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel kent aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toe zelfstandig te beslissen of al dan niet vervolging van een persoon moet plaatsvinden. Volgens vaste jurisprudentie leent de beslissing om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Slechts in uitzonderlijke gevallen is er plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, waaronder het gelijkheidsbeginsel. Indien een rechter op deze grond tot het oordeel komt dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin de niet-ontvankelijkheid moet worden uitgesproken, gelden voor deze beslissing zware motiveringseisen. (bijv. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280)

Het openbaar ministerie heeft erop gewezen dat medeverdachte [medeverdachte 1] is vervolgd en veroordeeld voor witwassen. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat andere personen die mogelijk een rol hebben gespeeld bij het doen van een onjuiste belastingaangifte, ofwel in het geheel niet ofwel niet voor hetzelfde feit zijn vervolgd, niet in de weg kan staan aan de vervolging van verdachte, reeds nu niet gebleken is dat sprake is van gelijke zaken. Zo was verdachte de enige bestuurder van de betrokken vennootschap ten tijde van de indiening van de betrokken aangifte. De rechtbank vermag niet in te zien op grond waarvan het instellen van een vervolging tegen verdachte onverenigbaar zou zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel. Van feiten of omstandigheden die de rechtbank tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is niet gebleken.

ATV-richtlijn

De rechtbank dient eveneens terughoudendheid te betrachten bij de beoordeling van de vraag of het openbaar ministerie bij de vervolgingsbeslissing al dan niet in strijd met richtlijnen van het openbaar ministerie heeft gehandeld, nu dit beleidsregels zijn en de inhoud van de richtlijnen het openbaar ministerie bovendien een ruime mate van beoordelingsvrijheid geven.

De ATV-richtlijn houdt – voor zover hier van belang – in dat ten aanzien van fiscale, toeslag- en douanedelicten de volgende criteria gelden:

Categorie II

In deze zaken is het nadeel dat aan opzet is te wijten tenminste € 25.000,- en minder dan

€ 125.000.-. In beginsel zal strafrechtelijk worden opgetreden, indien tenminste één van de aspecten genoemd in hoofdstuk 6 van de ATV-richtlijn van betekenis is. Eén van deze aspecten is dat sprake moet zijn van een fiscaal delict in combinatie met een of meer (niet-fiscale) delicten.

Vaststaat dat op 15 januari 2009 ten name van [onderneming 1 B.V.] een onjuiste aangifte omzetbelasting vierde kwartaal 2008 is ingediend. Ten gevolge van deze onjuiste aangifte is de Belastingdienst overgegaan tot teruggaaf omzetbelasting van in totaal € 118.752,-. Hieruit volgt dat sprake is van een berekend nadeel als bedoeld in categorie II van de ATV-richtlijn. Het openbaar ministerie heeft aangegeven dat bij de beslissing tot strafvervolging in aanmerking is genomen dat tegen verdachte de verdenking bestaat dat hij tezamen en in vereniging deze teruggaaf omzetbelasting zou hebben witgewassen. Er was aldus sprake van een combinatie van een fiscaal delict met een niet-fiscaal delict.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie in redelijkheid tot strafvervolging van verdachte kon overgegaan en dat geen sprake is van schending van het vervolgingsbeleid voor fiscale zaken.

Redelijke termijn

De Hoge Raad heeft bepaald dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (HR 17 juni 2008, LJN: BD2578).

De rechtbank stelt vast dat de behandeling van de zaak niet binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen is afgerond. Het onderzoek in de zaak van verdachte was niet zo ingewikkeld, dat dat onderzoek overschrijding van de termijn rechtvaardigt.

In zijn arrest van 17 juni 2008 heeft de Hoge Raad evenwel geoordeeld dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De raadsman heeft de rechtbank verzocht in weerwil van deze jurisprudentie tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie te beslissen. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding.

Slotsom

De rechtbank is van oordeel dat wat de raadsman heeft aangevoerd, niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van verdachte.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

3.3.

Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

[onderneming 1 B.V.] (hierna [onderneming 1 B.V.]) is op 11 januari 1995 opgericht en gevestigd op het adres [adres 2] te [plaats]. Op 5 november 2007 wordt [persoon 1] als enig aandeelhouder van [onderneming 1 B.V.] ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK).2 Verdachte staat van 1 april 2008 tot 1 januari 2009 als enig zelfstandig bevoegd directeur van [onderneming 1 B.V.] bij de KvK ingeschreven. Per 1 januari 2009 neemt [persoon 2] de functie als directeur van [onderneming 1 B.V.] van verdachte over.3 Uit een kopie van inschrijving blijkt dat de inschrijving van [persoon 2] bij de KvK heeft plaatsgevonden op 20 januari 2009, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2009.4 Op 8 april 2009 wordt tot slot [medeverdachte 1] als enig zelfstandig bevoegd directeur van [onderneming 1 B.V.] ingeschreven bij de KvK.5

Ten name van [onderneming 1 B.V.] is na 1 april 2008 – de datum waarop verdachte bestuurder is geworden van [onderneming 1 B.V.] – over het eerste, tweede en derde kwartaal 2008 aangifte voor de omzetbelasting gedaan. De eerste hiervan betreft een nihilaangifte, de tweede betreft een voorbelasting van

€ 1.089,- en de derde is een betaling van € 443,-.6 De aangiften over januari tot en met april 2009 zijn eveneens gedaan met minimale bedragen aan omzet en voorbelasting.7

Op 15 januari 2009 is ten name van [onderneming 1 B.V.] een negatieve aangifte voor de omzetbelasting betreffende het vierde kwartaal 2008 ingediend van € 118.752,-.8 Deze aangifte is gedaan vanaf het IP-adres [IP-adres]. Dit IP-adres behoort bij het adres [adres 2] te [plaats], alwaar [onderneming 1 B.V.] is gevestigd.9 Op 27 maart 2008 heeft de Belastingdienst dit geldbedrag in drie overboekingen overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer 1] van [onderneming 1 B.V.].10 Naderhand is gebleken dat deze aangifte onjuist is, aangezien de in de aangifte opgenomen omzetcijfers en de vermelde voorbelasting zijn gebaseerd op valse facturen. Daarmee komt de basis van het terug te vragen geldbedrag van € 118.752,- te vervallen.11

Op de betalingsdatum van 27 maart 2009 was verdachte de enige gerechtigde tot de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] op naam van [onderneming 1 B.V.]. Voorts is op 18 augustus 2008 een pinpas met nummer [nummer 1] op zijn naam uitgegeven.12 Per brief van 8 april 2009 heeft verdachte – als gemachtigde c.q. rekeninghouder – de ABN AMRO Bank kenbaar gemaakt afstand te doen van voornoemde bankrekening.13 Blijkens een overzicht van de rekeningafschriften van voornoemd rekeningnummer blijkt dat in de periode van 30 maart 2009 tot en met 1 april 2009 – kort na de overboekingen door de Belastingdienst – een groot aantal afschrijvingen heeft plaatsgevonden van in totaal € 118.588,48. Naast contante opnames met behulp van de pinpas met nummer [nummer 1] vinden ook spoedoverboekingen plaats, onder andere naar bankrekeningnummers van [medeverdachte 1].14

Over het bovengenoemde bestaat geen discussie. De vragen die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de strafbare gedraging van [onderneming 1 B.V.] – het doen van onjuiste belastingaangifte – en of verdachte tezamen en in vereniging met anderen het uit dit misdrijf verkregen geldbedrag heeft witgewassen.

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, zoals weergegeven in het door haar ter terechtzitting overgelegde requisitoir, op het standpunt gesteld dat de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte integraal van de hem ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken, op grond van de verweren zoals genoemd in zijn pleitnotities. De verweren bespreekt de rechtbank hierna – indien nodig – in haar oordeel.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Op 15 januari 2009 is ten name van [onderneming 1 B.V.] opzettelijk een onjuiste belastingaangifte voor de omzetbelasting is gedaan, welke ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Deze gedraging is verricht in de sfeer van de rechtspersoon en in redelijkheid aan [onderneming 1 B.V.] toe te rekenen. [onderneming 1 B.V.] kan dan ook worden aangemerkt als dader van het doen van deze onjuiste belastingaangifte. Gelet op het feit dat een individueel persoon ten behoeve van [onderneming 1 B.V.] valse facturen heeft opgemaakt welke ten grondslag hebben gelegen aan deze onjuiste belastingaangifte, kan het opzet aan [onderneming 1 B.V.] worden toegerekend.

Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van de KvK stond verdachte van 1 april 2008 tot 1 januari 2009 als enig bevoegd directeur van [onderneming 1 B.V.] ingeschreven. Per 1 januari 2009 heeft [persoon 2] de functie als directeur van [onderneming 1 B.V.] van verdachte overgenomen. [persoon 2] heeft hierover verklaard dat hij met verdachte naar de KvK is gegaan, waar hij met terugwerkende kracht is ingeschreven als directeur van [onderneming 1 B.V.].15 De inschrijving van [persoon 2] bij de KvK heeft feitelijk op 20 januari 2009 plaatsgevonden. De inschrijving met terugwerkende kracht van een ander als bestuurder kan er naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet aan afdoen dat verdachte op de datum waarop de onjuiste aangifte is ingediend, te weten 15 januari 2009, formeel en feitelijk de bestuurder was van [onderneming 1 B.V.].

Voor de beoordeling of verdachte ook als feitelijk leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor het strafbare handelen van [onderneming 1 B.V.], is relevant of hij – al dan niet samen met anderen – ten aanzien van activiteiten van [onderneming 1 B.V.] het ‘voor het zeggen had’, of in elk geval zwaarwegende invloed had.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de feitelijke rol van verdachte binnen [onderneming 1 B.V.] als volgt.

In de periode van 5 november 2007 tot 1 april 2008 staat [persoon 1] als enig aandeelhouder van [onderneming 1 B.V.] ingeschreven bij de KvK. [persoon 1] heeft hierover verklaard dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat, als hij [onderneming 1 B.V.] op zijn naam zou zetten, salaris zou krijgen. Nadat [persoon 1] [onderneming 1 B.V.] op zijn naam heeft gezet, is hij in dienst getreden bij een ander bedrijf van verdachte, genaamd [onderneming 2]. Op enig moment is [persoon 1] met verdachte naar de KvK gegaan om zich bij de KvK uit te laten schrijven als directeur van [onderneming 1 B.V.].16

Volgens [persoon 2] is verdachte in de praktijk bestuurder van [onderneming 1 B.V.], ook toen [persoon 2] op papier reeds directeur was. Verdachte was elke dag aanwezig en druk bezig met het terugkrijgen van belastinggeld. Nadat het geldbedrag van de Belastingdienst was gestort, heeft [persoon 2] op verzoek van verdachte diverse betalingen verricht. Ook heeft hij contant geld opgenomen en aan verdachte overhandigd.17

De getuige [persoon 6] heeft verklaard dat hij in de maand maart of april 2009 bij [onderneming 1 B.V.] heeft gewerkt als schoonmaker. Hij is aangenomen door een persoon genaamd [verdachte]. De voornamen van verdachte zijn [verdachte]. Als [persoon 1] aan het werk was bij [onderneming 1 B.V.], was verdachte de enige persoon die aanwezig was.18 Op een loonstrookje van [persoon 1] staat vermeld dat hij vanaf 1 februari 2009 in dienst was bij [onderneming 1 B.V.].19

Uit het dossier blijkt verder dat verdachte zich tegenover derden presenteerde als de contactpersoon en woordvoerder van [onderneming 1 B.V.]. Verdachte heeft, al dan niet tezamen met [persoon 2] en/of [medeverdachte 1], een aantal gesprekken gevoerd bij de ABN AMRO Bank. De getuige [persoon 3], werkzaam bij de ABN AMRO Bank, heeft verklaard dat op 24 maart 2009 is gesproken met verdachte. Verdachte deed zich tijdens dit gesprek voor als directeur, maar was dat officieel niet meer. Verdachte heeft voorts tegen [persoon 3] gezegd dat de administratie van [onderneming 1 B.V.] tot februari 2009 in zijn handen was, omdat [persoon 2] tot die tijd stage zou lopen bij [onderneming 1 B.V.].20 Tijdens een gesprek tussen verdachte en [persoon 3], waarbij ook [persoon 2] aanwezig was, was verdachte de gesprekspartner en degene die antwoord gaf op vragen van [persoon 3]. [persoon 2] gedroeg zich niet als directeur, hij wist namelijk niets te vertellen over [onderneming 1 B.V.].21

De getuige [persoon 4] heeft verklaard dat verdachte hem eind 2007, begin 2008 heeft gevraagd om de administratie van [onderneming 1 B.V.] verzorgen. [persoon 4] heeft vervolgens de administratie opgezet en de aangiften omzetbelasting voor de eerste drie kwartalen van 2008 opgemaakt en ingediend. Deze aangiften heeft hij opgemaakt op basis van de door [onderneming 1 B.V.] verstrekte informatie. Voor de aangifte omzetbelasting vierde kwartaal 2008 kreeg hij geen gegevens meer aangeleverd. [persoon 4] heeft meermalen om deze gegevens verzocht, maar kreeg van verdachte te horen dat [onderneming 1 B.V.] een andere boekhouder had.22

Voorts was verdachte op de betalingsdatum de enige gerechtigde tot de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] op naam van [onderneming 1 B.V.], op welke rekening de teruggave van de BTW is gestort. Op 18 augustus 2008 is een pinpas met nummer [nummer 1] ten behoeve van deze bankrekening op zijn naam uitgegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij eind 2008, nadat [persoon 2] in beeld is gekomen, alle bankgegevens, inclusief bankpas aan [persoon 2] heeft overgedragen. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig. Gebleken is dat [persoon 2] in de periode van 18 juni 2008 tot en met 22 december 2008 onafgebroken gedetineerd heeft gezeten. Daarnaast zijn zowel eind 2008 als begin 2009 privébetalingen gedaan die kunnen worden gekoppeld aan verdachte.23 Tot slot heeft verdachte ten aanzien van de spoedoverboekingen op 1 april 2009 aan [onderneming 3] en [gerechtsdeurwaarder 1] verklaard dat hij deze heeft gedaan.24 De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zowel ten tijde van het doen van de onjuiste aangifte als de periode daarna kon beschikken over de bankpas met nummer [nummer 1] en gebruik maakte van de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1].

De conclusie van de rechtbank

De rechtbank is, gelet op voorgaande feiten en omstandigheden, in onderling verband beschouwd, van oordeel dat ten tijde van het doen van de onjuiste aangifte de feitelijke positie van verdachte dusdanig was, dat hij kan worden aangemerkt als feitelijk leidinggevende van [onderneming 1 B.V.].

Uit de bewijsmiddelen volgt dat door [onderneming 1 B.V.] met gebruikmaking van valselijk opgemaakte facturen een onjuiste aangifte omzetbelasting is ingediend. Hoewel niet kan worden vastgesteld wie de onjuiste aangifte feitelijk heeft opgesteld en ingediend, is aannemelijk dat dit door verdachte, al dan niet in samenwerking met [medeverdachte 1] en diens familielid die werkzaam was bij de Belastingdienst, is gedaan en is ook gebleken dat, nadat het geld door de Belastingdienst op rekeningnummer [rekeningnummer 1] was gestort, in een zeer kort tijdsbestek het volledige geldbedrag van de bankrekening waarover verdachte beschikte, is afgeschreven. Kort daarop heeft verdachte deze bankrekening opgeheven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake was van een vooropgezet plan en dat de betrokkenheid van verdachte bij de ingediende onjuiste aangifte is aan te merken als feitelijk leidinggeven aan deze verboden gedraging. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door zijn handelen niet alleen, hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden, maatregelen ter voorkoming van de verboden gedraging van [onderneming 1 B.V.] achterwege gelaten, maar deze gedraging juist bevorderd.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde kan worden bewezen verklaard.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank neemt ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte was ten tijde van de teruggaaf door de Belastingdienst van € 118.752,- op rekeningnummer [rekeningnummer 1] van [onderneming 1 B.V.] de enige gerechtigde tot deze bankrekening. Voorts stond de pinpas, behorende bij deze bankrekening, op naam van verdachte. Blijkens een brief van 8 april 2009 – na de teruggaaf – als gemachtigde c.q. rekeninghouder afstand van deze bankrekening.

Uit de rekeningafschrift van voornoemde bankrekening van [onderneming 1 B.V.] is gebleken dat na 27 maart 2009 de volgende spoedoverboekingen en contante opnames hebben plaatsgevonden:

  • -

    30 maart 2009: zeven kasopnames Rotterdam met pas [nummer 1], totaal € 8.750,-

  • -

    30 maart 2009: [onderneming 4 B.V.], totaal € 8.500,-

  • -

    30 maart 2009: [medeverdachte 1], totaal € 19.000,-

  • -

    30 maart 2009: [persoon 5], totaal € 10.376

  • -

    31 maart 2009: drie kasopnames Rotterdam met pas [nummer 1], totaal € 4.500,-

  • -

    31 maart 2009: [persoon 5], totaal € 18.500,-

  • -

    1 april 2009: [onderneming 3], totaal € 49.500,-

  • -

    1 april 2009: [gerechtsdeurwaarder 1], totaal € 3.062,48

Uit onderzoek is gebleken dat de betalingen aan [persoon 5] eveneens ten gunste zijn gekomen van [medeverdachte 1].25 [persoon 2] heeft verklaard dat hij op verzoek van verdachte diverse betalingen heeft verricht en contant geld heeft opgenomen en aan verdachte heeft overhandigd.26 Ten aanzien van de betalingsopdrachten op 1 april 2009 aan [onderneming 3] en [gerechtsdeurwaarder 1] heeft verdachte verklaard dat deze zelf te hebben gedaan.27

De raadsman heeft aangevoerd dat bij verdachte geen wetenschap bestond van het bestaan van de onjuiste aangifte omzetbelasting en dat hem dus ook niet kan worden verweten dat hij van de door hem ontvangen geldbedragen wist dat zij uit misdrijf afkomstig waren.

De rechtbank acht deze stelling, gelet op het voorgaande en de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde, niet aannemelijk. Verdachte wist dat [onderneming 1 B.V.] geen omzet had gedraaid maar niettemin een teruggaaf van de Belastingdienst ontving voor een niet daadwerkelijk gemaakt omzet, aangezien is gebleken dat de facturen niet door de betrokken bedrijven waren opgemaakt en verzonden. Deze teruggaaf is door de Belastingdienst overgemaakt op een bankrekening van [onderneming 1 B.V.] waarvan verdachte de enige gerechtigde was. Gelet op de valse facturen en op de daaropvolgende handelingen van verdachte, [persoon 2] en [medeverdachte 1] ten aanzien van de teruggaaf van de Belastingdienst, moet verdachte hebben geweten dat het betreffende geldbedrag door het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte bij de Belastingdienst was verkregen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde kan worden bewezen verklaard.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat,

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde,

[onderneming 1 B.V.],

op 15 januari 2009 te Amsterdam opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een digitale aangifte voor de omzetbelasting ten name van [onderneming 1 B.V.],

betreffende het aangiftetijdvak het vierde kwartaal 2008, onjuist heeft gedaan,

immers heeft [onderneming 1 B.V.] in de naar de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Amsterdam en/of Apeldoorn en/of elders in Nederland digitaal verzonden aangifte voor de omzetbelasting:

- onjuiste omzetcijfers opgenomen en

- een onjuist, althans te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven en een te hoog terug te vragen geldbedrag ingevuld, terwijl dat feiten er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven,

hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde,

hij op tijdstippen in de periode van 27 maart 2009 tot en met 1 april 2009 te Amsterdam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, voorwerpen, te weten meerdere geldbedragen, in totaal 118.752 euro, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat voornoemde geldbedragen –onmiddellijk of middellijk– afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten het doen van onjuiste belastingaangifte.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf van 180 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen en een geldboete van € 10.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 85 dagen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij de strafmaat rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, de omstandigheid dat verdachte – in tegenstelling tot zijn mededaders – niet heeft geprofiteerd van het doen van de onjuiste aangifte omzetbelasting, verdachte geen leidende rol heeft gehad en er slechts één onjuiste aangifte is ingediend.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft de Belastingdienst opgelicht door als feitelijk leidinggever van [onderneming 1 B.V.] voor het vierde kwartaal 2008 bewust onjuiste aangifte omzetbelasting te doen, waarbij een te hoog bedrag aan terug te vragen omzetbelasting werd opgegeven, gebaseerd op valse facturen. Op deze manier is ten onrechte omzetbelasting teruggevraagd en ook uitbetaald door de Belastingdienst. Hierdoor is de overheid, en daarmee de gehele samenleving, fors benadeeld. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit type delicten lastig op te sporen is en niet alleen tot fiscaal nadeel, maar ook tot ondermijning van de algemene belastingmoraal leidt.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen van geldbedragen die afkomstig waren uit het doen van deze onjuiste belastingaangifte. Door zijn handelen heeft verdachte opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie onttrokken en daaraan een schijnbare legale herkomst verschaft. Verdachte heeft daardoor de integriteit van het financieel en het economisch bestel geschaad.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel Justitiële Documentatie van 18 november 2014 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking is geweest.

Redelijke termijn

Op 12 maart 2010 heeft het eerste verhoor van verdachte plaatsgevonden. Vanaf dat moment heeft verdachte redelijkerwijs kunnen verwachten dat tegen hem een strafvervolging zou worden ingesteld. De termijn begon dan ook op dat moment te lopen. De rechtbank houdt, anders dan de raadsman, geen rekening met de doorzoeking van 11 augustus 2009 op het adres [adres 2] te [plaats], alwaar het kantoor van [onderneming 1 B.V.] was gevestigd. Nu verdachte op voornoemde datum niet meer was verbonden aan [onderneming 1 B.V.] en voorts niet is gebleken dat verdachte bij de doorzoeking aanwezig is geweest, kan niet worden gesteld dat met deze doorzoeking tegen verdachte een handeling is verricht waaraan deze de verwachting heeft kunnen ontlenen dat het openbaar ministerie een strafvervolging tegen hem zal instellen.

Na vier jaar en twee maanden, te weten op 21 mei 2014, is de strafzaak van verdachte voor het eerst door de rechtbank ter terechtzitting behandeld. De behandeling van de zaak is vervolgens voor onbepaalde tijd aangehouden en verwezen naar de rechter-commissaris in verband met het horen van een tweetal door de verdediging verzochte getuigen.

Op 19 februari 2015 heeft de rechtbank het onderzoek in onderhavige strafzaak gesloten en bepaalt dat heden vonnis zal worden gewezen. De rechtbank meent dat de tijd die gemoeid is geweest met de uitvoering van het horen van de door de verdediging verzochte getuigen, niet meeweegt bij het bepalen van een overschrijding van de redelijke termijn en neemt daarom een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar en twee maanden in aanmerking. Nu er geen bijzondere omstandigheden zijn die een dergelijke overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen, is sprake van een onnodige overschrijding van deze redelijke termijn.

De rechtbank is van oordeel dat voor de bewezen verklaarde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is, maar gezien het tijdsverloop en gezien het feit dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, wordt dit nu niet meer opportuun geacht. De rechtbank legt daarom aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op en houdt daarbij, meer dan de officier van justitie, rekening met de overschrijding van de redelijke termijn.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, is na te noemen straf passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 47, 51, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

medeplegen van witwassen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen.

Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van € 10.000,- (zegge tienduizend euro) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 85 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. J.L. Hillenius en R. Hirzalla, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. van de Kraats, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 maart 2015.

Mr. J.L. Hillenius is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een geschrift, te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel (D-042).

3 Een geschrift, te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel (D-111, 6 van 6).

4 Een geschrift, te weten een kopie inschrijving 20-01-2009 [persoon 2] bij KvK inzake [onderneming 1 B.V.] (D-243).

5 Een geschrift, te weten een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel (D-111, 1 van 6).

6 Geschriften, te weten drie uitdraaien digitale aangiften omzetbelasting [onderneming 1 B.V.] 1ste, 2de en 3de kwartaal 2008 (D-260, D-261 en D-262).

7 Geschriften, te weten vier uitdraaien digitale aangiften omzetbelasting [onderneming 1 B.V.] januari, februari, maart en april 2009 (D-043, D-044, D-045 en D-046).

8 Een geschrift, te weten een uitdraai digitale aangifte omzetbelasting [onderneming 1 B.V.] 4de kwartaal 2008, herkomst Belastingdienst Amsterdam (D-001).

9 Een aanvangsproces-verbaal van 7 augustus 2009, p. 5 van 10 (AH-001).

10 Een overzichtsproces-verbaal inzake verdachte [verdachte] van 12 april 2010, p. 16 van 39 (OPV.V07-1) en een geschrift, te weten een rekeningafschrift van rekeningnummer [rekeningnummer 1] van 31 maart 2009 (D-126/11).

11 Een overzichtsproces-verbaal inzake verdachte [verdachte] vna 12 april 2010, p. 7 tot en met 11 (OPV.V07-1), een proces-verbaal inzake voegen van documenten uit het controledossier van 17 augustus 2009 (AH-006), een proces-verbaal inzake vermoedelijk valse facturen van 29 september 2009 (AH-013), een proces-verbaal verhoor van verdachte [verdachte] van 12 maart 2010, p. 7 en 8 (V07-01) en de geschriften te weten kopie facturen (D-002 tot en met D-007).

12 Een proces-verbaal verklaring [verdachte] van 23 maart 2010, p. 1 van 7 (AH-107) en geschriften, te weten gegevens mutatieoverzicht [rekeningnummer 1] (D-126 1-8).

13 Een geschrift, te weten een brief van 8 april 2009, opgemaakt door [verdachte] en [medeverdachte 1] (D-275).

14 Een proces-verbaal van onderzoek rekeningnummer [rekeningnummer 1] van 15 september 2009 (AH-047g).

15 Een proces-verbaal verhoor van een getuige [persoon 2] van 10 november 2009, p. 3 en 5 van 7 (G29-01).

16 Een proces-verbaal verhoor van een getuige [persoon 1], G24-01, p. 2 van 4 en een proces-verbaal verhoor van getuige [persoon 1] bij de rechter-commissaris van 25 maart 2013, pagina 2.

17 Een proces-verbaal verhoor van getuige [persoon 2] bij de rechter-commissaris van 26 maart 2013.

18 Een proces-verbaal verhoor van een getuige [persoon 6] van 20 oktober 2009, p. 2 en 3 (G19-01).

19 Een geschrift, te weten een loonstrook van [persoon 6] (D-142).

20 Een proces-verbaal verhoor van een getuige [persoon 3] van 21 december 2010, p. 2 (G30-01).

21 Een proces-verbaal verhoor van getuige [persoon 3] bij de rechter-commissaris van 16 september 2014.

22 Een proces-verbaal verhoor van getuige [persoon 4] van 19 oktober 2009, p. 2 (G23-01).

23 Een proces-verbaal verklaring [verdachte] van 23 maart 2010, p. 2 van 7 (AH-107).

24 Een proces-verbaal verhoor van een verdachte [verdachte] van 12 maart 2010, p. 9 (V07-01).

25 Een proces-verbaal van onderzoek rekeningnummer [rekeningnummer 1] van 15 september 2009 (AH-047g).

26 Een proces-verbaal verhoor van getuige [persoon 2] bij de rechter-commissaris van 26 maart 2013.

27 Een proces-verbaal verhoor van een verdachte [verdachte] van 12 maart 2010, p. 9 (V07-01).