Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:1425

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2015
Datum publicatie
13-03-2015
Zaaknummer
13/752082-14 14/8417
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Overlevering aan Frankrijk. Vervolgings-EAB. Genoegzaamheid, artikel 6 en 13 (aanhef eerste lid onder a en b) OLW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752082-14

RK nummer: 14/8417

Datum uitspraak: 20 februari 2015

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 16 december 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 9 december 2014 door de procureur van de Republiek bij het Tribunal de Grande Instance te Nancy (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1974,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [woonplaats],

thans gedetineerd in het [detentie adres];

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 februari 2015. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. I.J.K. van der Meer, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Turkse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van 8 december 2014, uitgevaardigd door de Vice-President, belast met de instructie bij de ‘Jurisdiction Interregionale Specialisée de Nancy’. Referentie: nr. Parket: 12233000252, Instructie nr: JICABJIC13000006.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan drie naar het recht van Frankrijk strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Genoegzaamheid

Standpunt raadsvrouw

De omschrijving van de feiten in het EAB biedt onvoldoende aanknopingspunten om geheel te voldoen aan de vereisten genoemd in artikel 2 OLW. Uit de omschrijving van het EAB alsmede de aanvulling van deze omschrijving in de brief van 26 januari 2015 blijkt onvoldoende wat de betrokkenheid van de opgeëiste persoon is ten aanzien van de feiten. De overlevering dient op grond hiervan te worden geweigerd.

Standpunt officier van justitie
De officier van justitie benadrukt dat het bij de omschrijving van de feiten bij onderdeel e in het EAB niet gaat om bewijs, maar om het stellen van de betrokkenheid van de opgeëiste persoon. Dit mag op een kwalificatieve manier. In onderhavig EAB is de betrokkenheid van de opgeëiste persoon echter veel ruimer omschreven zo wordt hij onder andere genoemd als gebruiker van de gestolen tankpassen.

Oordeel rechtbank

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In de onderhavige zaak geldt het volgende.

Uit de beschrijving die in het EAB onder e) is gegeven blijkt dat er concrete verdenkingen zijn gerezen tegen de opgeëiste persoon met betrekking tot de omschreven strafbare feiten. Er wordt melding gemaakt van observaties, cameraregistraties en onderschepte telefoongesprekken waarbij steeds weer de opgeëiste persoon wordt herkend. De rol van de opgeëiste persoon wordt beschreven als die van dader (‘auteur’), medepleger of medeplichtige. Hiermee voldoet de omschrijving van de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de in het EAB omschreven feiten aan de eisen van artikel 2, tweede lid onder e OLW. Het verweer faalt.
De rechtbank overweegt hierbij – ten overvloede – dat de overlevering wordt verzocht in verband met een vervolging en dat het strafrechtelijk onderzoek naar de feiten in Frankrijk nog niet is afgerond. De in het EAB omschreven feiten kunnen in de loop van dat onderzoek nader worden ingekaderd.

4 Strafbaarheid. Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1, 18 en 20, te weten:

Deelneming aan een criminele organisatie

Georganiseerde of gewapende diefstal

Oplichting

5 Onschuldverweer

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de betrokkenheid van de opgeëiste persoon slechts ziet op de signalering van de auto. Deze auto heeft hij regelmatig uitgeleend. Daarnaast stelt de opgeëiste persoon dat hij niet schuldig is aan de feiten.

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Hetgeen de raadsvrouw op dit punt in haar pleitnotities heeft aangevoerd, heeft betrekking op de vermeende betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten en is dus feitelijk een verweer in het kader van artikel 2, tweede lid onder e OLW. De rechtbank heeft hierboven reeds geoordeeld dat het EAB genoegzaam is.

De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon zijn gestelde onschuld tijdens het verhoor ter zitting niet heeft kunnen aantonen. De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

Standpunt van de verdediging

De opgeëiste persoon is gelijk te stellen met een Nederlander vanwege zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De opgeëiste persoon is in zijn eerste levensjaar naar Nederland gekomen en overlevering zou hem geheel ontwortelen van de Nederlandse samenleving. De IND heeft in haar brief van 29 januari 2015 vermeld dat de huidige situatie nog geen aanleiding geeft tot intrekking van het verblijfsrecht. Nu er in het EAB geen terugkeergarantie is gegeven dient de overlevering te worden geweigerd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat nu de IND in haar brief van 29 januari 2015 stelt dat de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsvergunning verliest hij niet gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en er ook geen terugkeergarantie vereist is.

Oordeel van de rechtbank

De opgeëiste persoon heeft de Turkse nationaliteit. Hij beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Nederland heeft rechtsmacht over de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht. In zoverre voldoet de opgeëiste persoon aan de eerste twee vereisten van artikel 6, vijfde lid OLW.

Met betrekking tot het derde vereiste overweegt de rechtbank het volgende.

Het is niet aan de overleveringsrechter om ten gronde te beoordelen of de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest als gevolg van een veroordeling voor de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Deze beoordeling zal eventueel op een later moment geschieden door de Minister van veiligheid en Justitie. De vreemdelingenrechter zal in voorkomende gevallen deze beoordeling ten gronde toetsen. In het geval van de beoordeling van het verlies van het verblijfsrecht heeft de wetgever de overleveringsrechter opgedragen hierover een ‘voorlopig’ oordeel te geven. De overleveringsrechter kan, en moet zich beperken tot de vraag of de verwachting bestaat dat de opgeëiste persoon niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. In de praktijk heeft deze toets vorm gekregen doordat de officier van justitie de IND laat beoordelen of deze verwachting bestaat. De overleveringsrechter baseert zich vervolgens op de beoordeling door de IND bij die voorlopige toetsing.1

In de onderhavige zaak geldt het volgende. In de brief van de IND van 29 januari 2015 wordt geconcludeerd dat het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon zal kunnen worden beëindigd na veroordeling door de Franse Justitie. Daarnaast kan de opgeëiste persoon ongewenst vreemdeling worden. De opgeëiste persoon is ook in Nederland voor soortgelijke feiten veroordeeld. Deze feiten vormen een ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. De IND heeft verklaard dat er vooralsnog geen omstandigheden bekend zijn die zich verzetten tegen de verblijfsbeëindiging.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van deze brief niet kan worden gezegd dat de verwachting niet bestaat dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht zal verliezen ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Daarmee voldoet de opgeëiste persoon niet aan het derde vereiste van artikel 6 lid 5 OLW en kan hij geen aanspraak maken op de in artikel 6, eerste lid OLW bedoelde waarborg. Het verweer wordt verworpen.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, aanhef en eerste lid, OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Daarnaast heeft het EAB betrekking op feiten die niet op Nederlands, maar ook niet op Frans grondgebied zijn gepleegd.

Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a en b, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten. De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • -

    Het onderzoek is aangevangen in Frankrijk;

  • -

    Mededaders worden vervolgd in Frankrijk dan wel er worden personalia van medeverdachten genoemd in het EAB;

  • -

    Het bewijs ligt in Frankrijk;

  • -

    Op [bedrijf 1] na (Luxemburgs bedrijf), zijn alle slachtoffers Franse bedrijven.

  • -

    Frankrijk heeft door het uitvaardigen van het EAB aangegeven te willen vervolgen;

  • -

    Er is in Frankrijk ingebroken in de vrachtwagens.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Franse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Niet zou zijn gebleken dat de verzochte overlevering aan de Franse autoriteiten en de verdere vervolging in Frankrijk de voorkeur verdient, boven de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten. Daartoe is door de raadsvrouw aangevoerd dat in ogenschouw moet worden genomen dat een eventueel beroep op de goede rechtsbedeling dient te wijken voor de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon. Dit kan gelegen zijn in het mogelijk verlies van een baan, woning en verblijfsstatus en alle daaruit voortvloeiende gevolgen voor de opgeëiste persoon en zijn familie. Ook dient rekening te worden gehouden met het gebrek aan terugkeergarantie, waardoor niet tegemoet kan worden gekomen aan de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot zijn vordering kunnen komen. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, onder a en b, OLW bedoelde weigeringsgrond.

De rechtbank overweegt hierbij nog het volgende.

De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op een uitspraak van de rechtbank van 1 april 2005, ECLI:NL:RBAMS:2005:AT3380.

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd kunnen de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon geen rol spelen bij deze toetsing. De uitspraak waar de raadsvrouw naar heeft verwezen is door de Hoge Raad in het belang der wet gecasseerd (ECLI:NL:HR:2006:AY6633).

Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld kan overlevering slechts in een uitzonderlijk geval en gelet op bijzondere omstandigheden onevenredig bezwarend worden geacht (ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3203). Van een dergelijk uitzonderlijk geval en dergelijke bijzondere omstandigheden is de rechtbank niet gebleken. De aangevoerde persoonlijke omstandigheden zijn niet van dien aard dat de verzochte overlevering geweigerd moet worden.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 13 Overleveringswet.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de procureur van de Republiek bij het Tribunal de Grande Instance te Nancy (Frankrijk) ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.C. Enkelaar, voorzitter,

mrs. C.F. de Lemos Benvindo en P. Rodenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. Beerts, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 20 februari 2015.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 ECLI:NL:RBAMS:2014:8198