Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:1423

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-02-2015
Datum publicatie
13-03-2015
Zaaknummer
13/693020-12 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren voor mensenhandel in vereniging jegens een persoon beneden de achttien jaren en medeplegen van onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/693020-12 (Promis)

Datum uitspraak: 4 februari 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres 1], [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 januari 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Dontje en van wat verdachte en zijn raadsman mr. P.D. Popescu naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat hij zich in de periode van 18 augustus 2012 tot en met 24 augustus 2012 tezamen met anderen heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel jegens [slachtoffer].

Daarnaast wordt verdachte verweten dat hij tezamen met anderen [slachtoffer], die nog minderjarig is, heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag.

De volledige tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Op 19 augustus 2012 is er in ’s-Hertogenbosch een onderzoek gestart naar de vermissing van de 14-jarige [slachtoffer]. [slachtoffer] was op 18 augustus 2012 samen met een vriendin vertrokken naar het station, omdat zij daar had afgesproken met een jongen, [persoon 1]. Met deze jongen zou zij, zonder dat haar ouders hiervan op de hoogte waren, samen naar Amsterdam gaan. In Amsterdam ontmoette zij ook nog [medeverdachte 1], [persoon 3] en [persoon 4]. Op 24 augustus 2012 krijgt haar moeder pas voor het eerst weer contact met [slachtoffer] en vertelt [slachtoffer] dat ze niet weet waar ze is en de hele dag op een kamer zit. Na een telefoongesprek met een verbalisant verlaat [slachtoffer] de woning en meldt zij zich bij de politie. Ze legt meerdere verklaringen af en doet uiteindelijk aangifte. Ze verklaart onder andere dat [medeverdachte 1] in een woning boven een shoarmazaak van haar foto’s in lingerie heeft gemaakt en deze foto’s samen met een seksadvertentie op internet heeft gezet. Ze zou van de jongens, zodra ze genezen was van haar keelontsteking, in de prostitutie moeten gaan werken.

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert op grond van de door haar in haar op schrift gestelde requisitoir genoemde bewijsmiddelen dat de ten laste gelegde mensenhandel en de onttrekking van de minderjarige aan het wettig gezag kunnen worden bewezen.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten wegens het ontbreken van voldoende bewijs. De tenlastelegging wordt onderbouwd met de verklaring van aangeefster, welke de raadsman onbetrouwbaar acht, terwijl deze voorts niet wordt ondersteund door bewijs uit een onafhankelijke bron. De raadsman beticht de officier van justitie van een complottheorie. Onttrekken van een minderjarige aan het wettig gezag is daarnaast volgens de raadsman een strafbaarstelling die met een ander doel tot leven is geroepen, namelijk ten behoeve van situaties waarbij een ouder die niet beschikt over het gezag zijn kind ontvoert.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht – anders dan de verdediging en met de officier van justitie – bewezen dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel. Zij overweegt in het bijzonder nog het volgende:

Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]

De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid zorgvuldig moet worden omgegaan met verklaringen van getuigen in strafzaken. Met name in mensenhandelzaken is behoedzaamheid op zijn plaats. De betrouwbaarheid van belastende verklaringen van vermeende slachtoffers in mensenhandelzaken kan onder druk staan vanwege wraakgevoelens. Ook de betrouwbaarheid van ontlastende verklaringen van vermeende slachtoffers kan negatief beïnvloed worden door gevoelens van angst of loyaliteit.

Anders dan de verdediging en met de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om de verklaring van [slachtoffer] onbetrouwbaar te achten. Aangeefster verklaart in de kern consistent over hetgeen is gebeurd, daarnaast wordt haar verklaring in voldoende mate ondersteund door andere objectieve bewijsmiddelen.

Ongeloofwaardigheid verklaring verdachte

Ter terechtzitting heeft verdachte voor het eerst een verklaring afgelegd. Hij verklaarde dat hij met aangeefster [slachtoffer] had afgesproken om te gaan ‘chillen’ in Amsterdam. Hij is haar daarom gaan ophalen in ’s-Hertogenbosch. Toen ze in Amsterdam kwamen zijn ze naar een restaurant gegaan waar ook twee vrienden van verdachte waren. In Amsterdam bleek dat verdachte en [slachtoffer] geen klik hadden en daarom is verdachte, nadat hij had gegeten in het restaurant, weggegaan en is aangeefster bij medeverdachte [medeverdachte 1] gebleven. Hij heeft aangeefster daarna niet meer gezien. Naar het oordeel van de rechtbank valt deze verklaring van verdachte, dat het allemaal slechts vriendschappelijk was, niet te verenigen met het feit dat verdachte zich tot aan de zitting altijd op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Daarnaast is de verklaring in tegenspraak met de verklaring van getuige [getuige]. Zij heeft verklaard dat zij meermalen met [slachtoffer] heeft gechat via de telefoon van [persoon 1], zowel op de dag dat [slachtoffer] naar Amsterdam is gegaan als de maandag erna. Daarnaast heeft [getuige] verklaard dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat zij niet tegen de politie mocht zeggen hoe hij heette en waar [slachtoffer] was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaring van verdachte, dat het slechts vriendschappelijk bedoeld was, dat hij wegging omdat zij geen klik hadden en daarna niets meer van haar heeft vernomen, als ongeloofwaardig moet worden beschouwd.

Plaatsing van de advertentie op [website]

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft in tegenstelling tot aangeefster verklaard dat hij geen seksueel getinte foto’s van [slachtoffer] heeft gemaakt en deze ook niet in een seksadvertentie op [website] heeft geplaatst. De rechtbank stelt het volgende vast. Op [website] is een advertentie aangetroffen waarop [slachtoffer] seksuele diensten aanbiedt. Bij deze advertentie wordt het telefoonnummer genoemd van de sim-kaart die [slachtoffer] van [medeverdachte 1] heeft gekregen. Op de mobiele telefoon die [slachtoffer] van [medeverdachte 1] heeft gekregen, Nokia N82, zijn op 23 augustus 2012 en ook nadat [slachtoffer] de woning aan de [adres 2] had verlaten, prostitutie gerelateerde sms-berichten binnengekomen. Nader onderzoek naar de adresgegevens en het IP-adres van de advertentie van het moment dat deze was aangemaakt bij [website] wijst uit dat het om IP-adres [IP-adres 1] gaat en postcode [postcode 1] gaat. Deze postcode hoort bij het adres [adres 3] te [plaats], zijnde het adres waar [medeverdachte 1] woont. Nader onderzoek wijst tevens uit dat het IP-adres van de gebruiker op 23 augustus 2012 hoort bij het adres [adres 2], het adres boven de shoarmazaak waarvan aangeefster ook heeft verklaard dat daar de foto’s en advertentie zijn gemaakt. Op de foto’s van de seksadvertentie is een sprei te zien die volgens de verbalisanten lijkt op de sprei die door hen is aangetroffen op het bed in de woning op het adres [adres 2]. Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] dat [medeverdachte 1] de foto’s heeft gemaakt en de advertentie heeft geplaatst voldoende wordt ondersteund door objectieve bewijsmiddelen. Dat [slachtoffer] de foto en advertentie zelf heeft gemaakt, acht de rechtbank niet aannemelijk, mede gelet op het feit dat [slachtoffer] niet op de hoogte was van de postcode van de woning van [medeverdachte 1], aan het [adres 3].

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II van dit vonnis vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

in de periode van 18 augustus 2012 tot en met 24 augustus 2012 te Amsterdam en Schijndel en ’s Hertogenbosch tezamen en in vereniging met anderen

een ander, te weten [slachtoffer], geboren [1998],

heeft geworven, vervoerd en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer] terwijl zij de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt,

en

die [slachtoffer] heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van 18 jaren nog niet had bereikt

immers heeft hij, verdachte, al dan niet tezamen met één of meer van zijn mededaders

- die [slachtoffer] via internet, MSN en Hyves, en Ping, Blackberry benaderd en/of zijn, verdachtes of een of meer van zijn mededaders telefoonnummer en/of MSN-adres en/of Ping-nummer gegeven en

- een afspraak met die [slachtoffer] gemaakt en/of laten maken om elkaar te ontmoeten op 's Hertogenbosch Centraal Station en

- die [slachtoffer] opgehaald en/of laten ophalen in 's Hertogenbosch en

- die [slachtoffer] naar woningen van verdachtes kennissen gebracht en/of laten brengen en

- terwijl die [slachtoffer] zich afhankelijk van hem, verdachte, voelde die [slachtoffer] onderdak verschaft in hotels en woningen en

- foto's van die [slachtoffer] in uitsluitend ondergoed gemaakt en

- een advertentie op internet, [website], geplaatst voorzien van bovengenoemde foto's waarin die [slachtoffer], onder pseudoniem, aangeboden werd voor het verrichten van seksuele handelingen met derden tegen betaling en

- met die [slachtoffer] en zijn mededaders gesproken over prijzen voor de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer] en

- die [slachtoffer] een mobiele telefoon gegeven waarop zij gebeld kon worden door klanten en

- die [slachtoffer] een laptop gegeven waarmee zij met medeverdachte kon communiceren en

- kledingstukken voor die [slachtoffer] aangeschaft en

- medicijnen voor die [slachtoffer] gekocht en

- die [slachtoffer] gezegd dat zij voor hem, medeverdachte, moest werken in de prostitutie;

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

in de periode van 18 augustus 2012 tot en met 24 augustus 2012 te 's-Hertogenbosch en Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer], geboren [1998], heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag, immers heeft verdachte daar toen tezamen en in vereniging met anderen die [slachtoffer] in 's-Hertogenbosch opgehaald en vervolgens naar Amsterdam begeleid en die [slachtoffer] bij een of meer van zijn verdachtes, mededader(s)) ondergebracht en gehuisvest, terwijl hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] pas 14 jaar oud was en zij geen contact hebben opgenomen of overleg hebben gevoerd met diegene die het gezag over die [slachtoffer] uitoefent;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, nu vrijspraak is bepleit, geen strafmaatverweer gevoerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan mensenhandel. Verdachte heeft [slachtoffer] benaderd op Hyves en net zolang aangedrongen totdat zij ermee instemde om met verdachte af te spreken en naar Amsterdam te gaan. [slachtoffer] dacht dat zij gewoon gingen ‘chillen’ maar al snel werd er een seksadvertentie van haar geplaatst op internet en moest zij in de prostitutie gaan werken. Gelukkig is het, doordat [slachtoffer] ziek was, niet zo ver gekomen. [slachtoffer] was een kwetsbaar meisje van slechts 14 jaar. Dit rekent de rechtbank verdachte zeer zwaar aan. Zij had daarnaast geen identiteitskaart en geld bij zich waardoor zij zich erg afhankelijk van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] voelde. Ze was angstig waardoor zij niet in staat was om weg te gaan.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat de redelijke termijn is overschreden. Daarnaast zal de rechtbank gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte een deel van de straf voorwaardelijk opleggen. Zij hoopt verdachte hierdoor een extra motivering te geven om niet opnieuw strafbare feiten te plegen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van [slachtoffer] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De benadeelde partij heeft € 142,96 aan materiële en € 4.000,00 aan immateriële schadevergoeding verzocht.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de kostenpost ‘Rechtbank Den Bosch’ niet op deze strafzaak kan zien en dat het rechtstreekse verband tussen deze zaak en het bezoek aan Bureau Jeugdzorg ontbreekt. De kosten ‘OvJ Amsterdam’ zullen waarschijnlijk zien op kosten die de ouders van [slachtoffer] hebben gemaakt en zijn daarom niet toewijsbaar als schade van [slachtoffer]. Omdat er ook een strafzaak in Den Bosch loopt en het drie keer naar slachtofferhulp gaan ook daarmee te maken kan hebben zal de rechtbank de reiskosten één keer toewijzen. Dit geldt tevens voor het parkeergeld in Den Bosch. In totaal waardeert de rechtbank de materiële schade op € 13,28.

[slachtoffer] heeft in haar vordering vermeld dat zij na het misdrijf veel last had van herbeleving. Ze sliep slecht en had last van nachtmerries. Ze is bang om de verdachten weer tegen te komen. Ook heeft ze door het misdrijf zes weken niet naar school kunnen gaan. Tot slot heeft ze een andere kijk op jongens/mannen gekregen. Gelet op voorgaande en wat in soortgelijke zaken aan immateriële schade wordt toegewezen acht de rechtbank € 2.000,00 passend.

De rechtbank waardeert de totale schade op € 2.013,28 (tweeduizenddertien euro en achtentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 24 augustus 2012, tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het restant van de vordering levert wel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [moeder van slachtoffer]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [moeder van slachtoffer], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De benadeelde partij heeft € 750,00 aan immateriële schadevergoeding verzocht. In haar vordering heeft zij deze schade als volgt toegelicht. In de periode dat haar 14-jarige dochter vermist was stond zij doodsangsten uit over wat er met haar dochter gebeurd zou kunnen zijn. Zij hield zelfs rekening met een overlijdensbericht. Daarnaast werd zij onophoudelijk benaderd door lokale en landelijke media, wat zij als zeer belastend heeft ervaren. Ook toen haar dochter weer terecht was durfde zij niet de straat op omdat zij bang was voor alle vragen van de mensen. Ze heeft drie maanden niet kunnen werken.

Gelet op voorgaande waardeert de rechtbank de schade op € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 24 augustus 2012, tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [moeder van slachtoffer] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 273f en 279 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Mensenhandel in vereniging jegens een persoon beneden de achttien jaren.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

Medeplegen van onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 (zestien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot € 2.013,28 (tweeduizenddertien euro en achtentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 24 augustus 2012, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bestaande voor € 2.000,00 aan immateriële schade en € 13,28 aan materiële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer], € 2.013,28 (tweeduizenddertien euro en achtentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 24 augustus 2012, tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 31 (eenendertig dagen). De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [moeder van slachtoffer], toe tot € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 24 augustus 2012, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bestaande uit immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [moeder van slachtoffer] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [moeder van slachtoffer], aan de Staat € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 24 augustus 2012, tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens ander is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 15 (vijftien) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. C.F. de Lemos Benvindo en P. Sloot, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. Beerts, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 februari 2015.