Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:1177

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-02-2015
Datum publicatie
06-12-2019
Zaaknummer
AWB - 14 _ 247
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:20, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Top 600 lijst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/247

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. T.N. Ritzer),

en

de burgemeester van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. S. Gun en mr. H.A.L. Krans).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser hem van de top 600 lijst te verwijderen afgewezen.

Bij besluit van 13 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2014. Eiser en zijn gemachtigde zijn -met bericht- niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 20 augustus 2014 is het onderzoek heropend in afwachting van de uitspraak van de meervoudige kamer in soortgelijke zaken. Partijen hebben nog stukken ingezonden en de rechtbank toestemming gegeven zonder nadere zitting uitspraak te doen.

Overwegingen

1. Bij brief van 10 januari 2013 is aan eiser meegedeeld dat hij op de top 600 lijst is geplaatst.

2. De top 600-aanpak betreft een gecoördineerde inzet op basis van bestaande taken en bevoegdheden van gemeente, politie, justitie en hulpdiensten, in de vorm van een op individuele problemen, behoeften en mogelijkheden toegesneden aanpak van de top 600 notoire plegers van overvallen, straatroven, geweldsmisdrijven en woninginbraken, waarbij wordt beoogd deze feiten significant terug te dringen en verdere schade aan de betrokkenen, hun gezinsstructuur en de samenleving te voorkomen. Waar nodig krijgen ook broers, zussen en kinderen van de personen op de lijst op maat toegesneden zorg. De samenwerkende instanties hebben hiertoe het convenant aanpak top 600 met elkaar gesloten.

3. Bij brief van 28 maart 2013 heeft eiser verzocht hem te verwijderen van de top 600 lijst.

4. Blijkens het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiser beschouwd als een verzoek tot verwijdering in de zin van artikel 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens. Verweerder heeft het verzoek afgewezen en zich - kort weergegeven - op het standpunt gesteld dat het samenstellen van de top 600 lijst en de daarmee samenhangende gegevensverwerking in overeenstemming is met de geldende (privacy)wetgeving. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

5. Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat het opnemen van eiser in de top 600 lijst in strijd is met het leerstuk van de onschuldpresumptie, zoals neergelegd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daartoe heeft eiser aangevoerd dat er slechts sprake is van aanhoudingen. Het is onrechtmatig om deze maatregel te baseren op een redelijk vermoeden van schuld. Verweerder heeft geen degelijk onderzoek gedaan, zodat het besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.

6 . Deze rechtbank heeft de thans aan de orde zijnde rechtsvraag eerder beantwoord in een uitspraak van 16 oktober 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:7011). In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de verwerking van persoonsgegevens voor de top 600 lijst niet vervolging als doel heeft en niet leidt tot een punitieve sanctie. Daarom is geen sprake van een criminal charge en zijn ook de waarborgen die gelden als daarvan wel sprake is, niet van toepassing. In deze uitspraak heeft de rechtbank voorts geoordeeld dat verweerder ook de aanhoudingen als selectiecriterium heeft kunnen hanteren. De rechtbank volgt deze uitspraak en de motivering die daarin is gegeven. Het beroep van eiser op artikel 6 van het EVRM kan, gelet hierop, niet slagen.

7. Hetgeen overigens is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Het vorenstaande betekent dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

8. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Schoots, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Mol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2015.

rechter

grffier

de griffier is buiten staat de uitspraak te tekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden aan partijen op