Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:1111

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
awb 15/28 en 15/29
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Intrekking bedrijfsparkeervergunning.

Adres in de zin van de Wet BAG?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 15/28 en AMS 15/29

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 februari 2015 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker][verzoeker] te[woonplaats], eigenaar van eenmanszaak [firma naam], te[woonplaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, (Parkeerregieorgaan), verweerder

(gemachtigde: mr. D.R. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de parkeervergunning van de eenmanszaak [firma naam] voor het [kenteken]per 31 maart 2015 ingetrokken.

Bij besluit van 19 december 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2015. Verzoeker is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleidende bepalingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de bedrijfsvergunning van verzoekers eenmanszaak ingetrokken, omdat uit controle was gebleken dat het adres waarop het bedrijf volgens de Kamer van Koophandel gevestigd is, [adres 1] te[woonplaats], niet voorkomt in de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (hierna: BAG). Verweerder heeft overwogen dat een bedrijfsvergunning enkel kan worden verleend aan een bedrijf dat gevestigd is op een volgens de BAG bestaand adres. Verweerder heeft daarbij overwogen dat op het adres [adres 2] te[woonplaats] al een bewonersvergunning is verstrekt, met een oudere aanvraagdatum dan de bedrijfsvergunning. Volgens artikel 10, vijfde lid, van het Uitwerkingsbesluit parkeren Stadsdeel West 2013 (hierna: het Uitwerkingsbesluit), wordt het aantal te verlenen bedrijfsvergunningen verminderd met het aantal op hetzelfde adres verleende bewonersvergunningen. Omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de Parkeerverordening 2013 wordt de bedrijfsvergunning ingetrokken. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van verzoeker ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Wettelijk kader

3.1

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Parkeerverordening 2013 (hierna: de Parkeerverordening) wordt een bedrijfsvergunning verleend aan een bedrijf dat gelegen is in een vergunninggebied.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder b, is het aantal vergunningen per bedrijf afhankelijk van het aantal in het bedrijf daadwerkelijk gestationeerde werknemers en kan het maximaal één per tien werknemers bedragen indien het bedrijf is gelegen in gebied II.

Ingevolge het elfde lid, voor zover thans van belang, wordt het aantal op basis van dit artikel te verlenen bedrijfsvergunningen verminderd met het aantal op hetzelfde adres verleende bewonersvergunningen voor bewoners indien in de krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels is bepaald.

3.2

Ingevolge artikel 27, zesde lid, van de Parkeerverordening voor zover thans van belang, wordt de bedrijfsvergunning als bedoeld in artikel 10 steeds stilzwijgend verlengd voor een periode van zes maanden, zolang is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening en de verschuldigde parkeerbelasting tijdig is voldaan.

3.3

Ingevolge artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Parkeerverordening, voor zover thans van belang, trekt het college een vergunning in, indien niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening.

3.4

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Uitwerkingsbesluit, voor zover thans van belang, bedraagt het aantal te verlenen bedrijfsvergunningen voor bedrijven maximaal één per tien werknemers.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, wordt het aantal op basis van dit artikel te verlenen bedrijfsvergunningen verminderd met het aantal op hetzelfde adres verleende bewonersvergunningen.

3.5

Ingevolge artikel 1, eerste lid onder a van de Wet BAG wordt verstaan onder:

adres: door het bevoegde gemeentelijke orgaan aan een verblijfsobject, een standplaats of een ligplaats toegekende benaming, bestaande uit een combinatie van de naam van een openbare ruimte, een nummeraanduiding en de naam van een woonplaats;

3.6

Ingevolge artikel 21, eerste lid van de Wet BAG bevat de adressenregistratie de volgende authentieke gegevens met betrekking tot nummeraanduidingen:

a. de identificatiecode van de nummeraanduiding;

b. de identificatiecode van de openbare ruimte waaraan de nummeraanduiding is gerelateerd;

c. de identificatiecode van de woonplaats, zoals opgenomen in de landelijke woonplaatsentabel, waarbinnen het object waaraan de nummeraanduiding is toegekend gelegen is indien die woonplaats afwijkt van de woonplaats waarbinnen de openbare ruimte waaraan de nummeraanduiding is gerelateerd gelegen is;

d. het huisnummer;

e. de huisletter;

f. de huisnummertoevoeging;

g. het type object waaraan een nummeraanduiding is toegekend, en

h. een aanduiding waaruit de actuele dan wel de historische status van de nummeraanduiding blijkt.

3.7

In artikel 35, eerste lid van de Wet BAG is bepaald dat indien een bestuursorgaan bij het vervullen van zijn publiekrechtelijke taak een gegeven nodig heeft dat krachtens deze wet als authentiek gegeven in de adressenregistratie respectievelijk de gebouwenregistratie beschikbaar is, het dat authentieke gegeven gebruikt.

Ingevolge het tweede lid van artikel 35 van de Wet BAG kan een bestuursorgaan ander gegeven gebruiken dan een krachtens deze wet beschikbaar authentiek gegeven, ingeval:

a. bij het desbetreffende authentieke gegeven de aanduiding is geplaatst dat de opneming is gebaseerd op een proces-verbaal als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel b;

b. bij het desbetreffende authentieke gegeven de aantekening «in onderzoek» is geplaatst;

c. het met betrekking tot het desbetreffende authentieke gegeven een melding heeft gedaan als bedoeld in artikel 37;

d. het door toepassing van het eerste lid zijn publiekrechtelijke taak niet naar behoren zou kunnen vervullen, of

e. bij wettelijk voorschrift anders is bepaald dan in het eerste lid.

Motivering

4.1

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.

Verzoeker is woonachtig op het adres [adres 2] te[woonplaats]. Volgens het zich in het dossier bevindende overzicht van de BAG is dit adres geregistreerd als een verblijfsobject in gebruik met woonfunctie. Verzoeker is eigenaar van de eenmanszaak [firma naam], die volgens het uittreksel van het Handelsregister is gevestigd met het postadres Van der Hoopstraat 103-3 en met bezoekadres [adres 1]. De nummeraanduiding [adres 1] komt niet voor in de BAG.

4.2

Op 16 mei 2012 heeft verweerder een bedrijfsparkeervergunning verleend aan [firma naam] op het adres [adres 1]. Dit was een bedrijfsparkeervergunning op code. Bij besluit van 17 juli 2014 heeft verweerder de bedrijfsvergunning op code omgezet naar een bedrijfsvergunning op kenteken, omdat uit controle was gebleken dat geen sprake was van een voortdurend en onvermijdelijk wisselend bestand aan auto’s. Bij besluit van 19 december 2014 heeft verweerder verzoekers bezwaar tegen de vervanging van de bedrijfsvergunning op code in een bedrijfsvergunning op kenteken ongegrond verklaard, waartegen verzoeker beroep heeft ingesteld (geregistreerd onder zaaknummer AMS 15/30). Dit beroep maakt geen deel uit van de onderhavige voorlopige voorziening. Bij het primaire besluit van 29 augustus 2014 heeft verweerder de op 17 juli 2014 op kenteken verleende bedrijfsparkeervergunning ingetrokken. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat dit is gebeurd naar aanleiding van een algehele controle die in[woonplaats] plaatsvindt naar de rechtmatigheid van de uitgegeven parkeervergunningen.

4.3

Verzoeker voert ten eerste aan dat de BAG niet voorkomt in de Parkeerverordening 2009 of 2013 en dat volgens de toelichting op artikel 10, eerste lid, van de Parkeerverordening 2013 wordt uitgegaan van de vestiging volgens de inschrijving van de Kamer van Koophandel. Verzoeker heeft aangevoerd dat de[adres 1] een werkruimte is met eigen opgang, deurbel en sleutel. In deze ruimte bevindt zich volgens verzoeker de green-screen opnamestudio, de montagestudio en wordt alle filmapparatuur bewaard. Volgens verzoeker moest hij zich als zodanig inschrijven in de Kamer van Koophandel. Tevens is de werkruimte fiscaal, aftrekbaar hetgeen de Belastingdienst sinds 2007 juist heeft bevonden.

4.4

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het is juist dat de Parkeerverordening geen begripsomschrijving van het begrip “adres” kent en dat daarin niet wordt verwezen naar de Wet BAG. Verzoeker heeft in dit verband verwezen naar de toelichting op artikel 10 van de Parkeerverordening, waarin ten aanzien van het eerste lid van artikel 10 is opgenomen:

Bij de beoordeling of een bedrijf gelegen is binnen een vergunninggebied wordt in eerste instantie uitgegaan van de vestiging volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Voor de bedrijven waarvoor dat niet mogelijk is, bijvoorbeeld ambulante handel, kan op andere wijze worden aangetoond dat er binnen het vergunninggebied sprake is van een daadwerkelijke uitoefening van het bedrijf.

De voorzieningenrechter overweegt dat [adres 1] als bezoekadres, maar dat het adres [adres 2] als postadres van verzoekers onderneming in het Handelsregister is opgenomen. Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan de hand van deze gegevens kunnen concluderen dat verzoekers bedrijf gelegen is binnen het vergunninggebied.

4.5

Op grond van artikel 10, vijfde lid, van het Uitwerkingsbesluit heeft verweerder de op de[adres 1] verleende bedrijfsvergunning verminderd met het aantal op de [adres 2] verleende bewonersvergunningen, omdat sprake is van eenzelfde adres. Aan de orde is de vraag of verweerder zich daarbij heeft mogen baseren op de gegevens uit de basisregistratie zoals vastgelegd op de grond van de Wet BAG. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend, en overweegt allereerst dat gelet op de Memorie van Toelichting het uitgangspunt van de Wet BAG is dat de basisregistraties adressen en gebouwen een volledig beeld bieden van de binnen een gemeente aanwezige adressen en gebouwen. Ingevolge artikel 21, eerste lid, en onder d. en f. van de Wet BAG, zijn adresgegevens authentieke gegevens en maakt niet alleen het huisnummer maar ook de nummertoevoeging onderdeel uit van het adres. Zoals hiervoor is overwogen kent de[adres 1] geen nummeraanduiding/toevoeging in de BAG, maar bestaat alleen de nummeraanduiding/toevoeging [adres 2].

4.6

Voorts is op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wet BAG bepaald dat het bestuursorgaan bij uitvoering van zijn publieke taak de in de Wet BAG opgenomen authentieke gegevens gebruikt. Van de situatie als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Wet BAG is in het onderhavige geval geen sprake. Dat betekent dat verweerder in de onderhavige zaak terecht alleen rekening heeft gehouden met het adres [adres 2], waar reeds een bewonersvergunning was verleend. Dit betekent ook dat de voorzieningenrechter niet kan toekomen aan beoordeling en waardering van verzoekers stelling dat feitelijk wel sprake is van een apart adres [adres 1] omdat zijn bedrijfsruimte een eigen opgang en toegang heeft. Ook aan de stelling dat elders in de [adres 3] veelal aan de vierde verdieping een eigen huisnummertoevoeging is gegeven, gaat de voorzieningenrechter – wat er overigens ook van die stelling zij – voorbij. Als verzoeker het met de nummeraanduiding/toevoeging van de vierde verdieping niet eens is, zal hij daarover een beslissing moeten vragen aan de houder van de basisregistratie. De voorzieningenrechter vindt voor die opvatting steun in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 22 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7701 en JB 2012/256 m.n. G. Overkleeft-Verburg en in ECLI:NL:RVS:2015:64.

4.7

Uit het voorgaande volgt dat verzoekers stelling dat de registratie van het bezoekadres [adres 1] in het Handelsregister doorslaggevend zou moeten zijn, omdat de klanten van zijn bedrijf de[adres 1] bezoeken en anders de registratie uit het Handelsregister niet zou kloppen, wordt niet gevolgd. Bij het onderhavige besluit gaat het om de toepassing van de Parkeerverordening en het Uitwerkingsbesluit door verweerder en de vraag of het maximum van een op één adres verleende vergunning is bereikt. Dit is van belang omdat de parkeerdruk in het vergunninggebied hoog is. De registratie in het Handelsregister dient een ander doel, namelijk (onder meer) de rechtszekerheid in het economisch verkeer. Bij de bepaling van het aantal vergunningen op één adres en intrekking van de onderhavige bedrijfsvergunning heeft verweerder de vermelding in het Handelsregister van het (bezoek)adres [adres 1] dan ook niet doorslaggevend hoeven achten.

4.8

De stelling van verzoeker dat blijkens de toelichting op de Parkeerverordening het mogelijk is om voor ambulante handelaren geen overwegende betekenis toe te kennen aan het adresvereiste treft geen doel, nu – zoals ter zitting is besproken – verzoeker geen ambulante handelaar is.

4.9

De voorzieningenrechter is eveneens met verweerder van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Zoals ook volgt uit rechtspraak van de Afdeling (zie de uitspraak van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5700) mocht verzoeker er op basis van opeenvolgende verlengingen niet op vertrouwen dat hij ook in de toekomst steeds over de aan hem verleende parkeervergunning kon blijven beschikken. Ook de omstandigheid dat de bedrijfsvergunning in 2012 pas na een bezwaarprocedure is verleend en voorts nog op 17 juli 2014 was omgezet van een bedrijfsvergunning op code naar een bedrijfsvergunning op kenteken, maakt niet dat verzoeker er op mocht vertrouwen dat hij van de bedrijfsvergunning op kenteken gebruik zou mogen blijven maken, indien zou blijken dat deze niet op juiste (adres)gegevens berustte. De verlening van de vergunning schept in zoverre geen rechten voor de toekomst. Verweerder heeft bovendien aan verzoeker de gelegenheid gegeven om de bedrijfsvoering aan de nieuwe situatie aan te passen door de verleende vergunning eerst in te trekken met ingang van 31 maart 2015.

4.10

Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verzoeker alleen gesteld dat hem meerdere gevallen bekend zijn van ondernemers, die geen BAG registratie binnen de gemeente[woonplaats] hebben, van wie de parkeervergunning ook is ingetrokken, maar bij wie de bezwaren gegrond zouden zijn verklaard. Dit acht de voorzieningenrechter ontoereikend voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel.

4.11

De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verweerder op grond van de dwingendrechtelijke bepaling in artikel 37, eerste lid, aanhef en onder c, van de Parkeerverordening gehouden was de bedrijfsvergunning van verzoeker in te trekken. Het standpunt van verzoeker, dat door de intrekking zijn bedrijfsvoering in gevaar komt omdat hij afhankelijk is van vervoer van zware apparatuur leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onjuist is. De bestuurlijke regeling biedt immers geen ruimte om aan verzoekers wensen tegemoet te komen.

4.12

Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard. De voorzieningenrechter zal het verzoek om voorlopige voorziening afwijzen. Voor een veroordeling in de proceskosten of teruggave van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Niekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2015.

is verhinderd te tekenen

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.