Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:1071

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-02-2015
Datum publicatie
10-03-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3146
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wabo-zaak. Eiseres heeft tegen het ter inzage gelegde ontwerpbesluit geen zienswijze ingediend als bedoeld in artikel 3:15 van de Awb. Nadien heeft vergunninghouder een gewijzigd bouwplan ingediend op grond waarvan de vergunning is verleend. De rechtbank is van oordeel dat het beroep slechts ontvankelijk is voor zover het gericht is tegen de wijzingen van het bouwplan, voor zover het aannemelijk dat eiseres daardoor in een ongunstiger positie is geraakt. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder naar aanleiding van de wijziging van het bouwplan, het bouwplan opnieuw ter inzage had moeten leggen. Er is geen sprake van een ondergeschikte wijziging. Door de vergroting van het bouwplan zal onder andere de parkeerdruk toenemen. Volgens verweerder is niet gebleken dat als gevolg van de wijziging in het bouwplan derden worden geschaad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een ondergeschikte wijziging van het bouwplan en dat geen derden worden geschaad door de wijziging van het bouwplan. Verweerder hoefde het gewijzigde bouwplan dus niet opnieuw ter inzage te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/3146

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2014 in de zaak tussen

[eiseres]., te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: M.M.C. van der Hoorn),

en

burgemeester van en wethouders van de gemeente Aalsmeer, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van der Kroft).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghoudster]., te Hedel, vergunninghoudster

(gemachtigde: M. Niermeijer).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een bedrijfspand op de hoek[straatnaam 1] en [straatnaam 2] te [woonplaats].

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2014.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mevrouw P.C. Vermond. Vergunnighoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door de heren[naam] en haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Vergunninghoudster heeft op 24 december 2013 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning eerste fase voor het realiseren van een bakkerij op de hoek[straatnaam 1] en [straatnaam 2] in [gebied] te [woonplaats]. Het ontwerpbesluit op de aanvraag heeft van 17 januari 2014 tot 27 februari 2014 ter inzage gelegen. Op 7 maart 2014 heeft vergunninghoudster een gewijzigde situatietekening ingediend. Op 3 april 2014 is door de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Op 10 april 2014 is het bestreden besluit gepubliceerd.

2. Bij het bestreden besluit is aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening.

3.1.

Op grond van de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt een ontwerpbesluit ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht. Niet in geschil is dat eiseres geen zienswijze tegen het ontwerpbesluit naar voren heeft gebracht.

3.2.

Op grond van artikel 6:13 van de Awb kan beroep slechts worden ingesteld door de belanghebbende die tegen het ontwerpbesluit zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

3.3.

Eiseres heeft in dat kader ter zitting aangevoerd dat het ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerpbesluit niet duidelijk was wat de precieze locatie van de bakkerij zou worden, om welke straten het ging en dat het een aangrenzend perceel betrof, met name omdat de straten nieuw zijn en in cirkelvorm zijn gesitueerd.

3.4.

De rechtbank ziet daarin geen aanleiding om het verschoonbaar te achten dat eiseres geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Op het kaartje, afkomstig uit Google Maps, dat ter zitting met partijen is bekeken, blijkt niet dat de aanduiding hoek[straatnaam 1]/[straatnaam 2] betrekking zou kunnen hebben op meerdere locaties. Zelfs wanneer het voor eiseres niet duidelijk was geweest waar het bouwplan precies voorzien was, had het haar in ieder geval duidelijk kunnen zijn dat dat in de nabijheid van haar perceel was.

3.5.

Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep slechts ontvankelijk is voor zover het gericht is tegen de wijzingen van het bouwplan, voor zover het aannemelijk dat eiseres daardoor in een ongunstiger positie is geraakt. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ7547).

3.6.

De wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbesluit omvatten, voor zover hier van belang:

- de voorgevel zal in plaats van maximaal 3 meter, maximaal 3,25 meter achter de gevellijn worden gerealiseerd in plaats van in de gevellijn;

- de laad- en losvoorziening wordt op circa 10 meter achter de gevellijn gerealiseerd in plaats van minimaal 20 meter achter de aangegeven gevellijn;

- de bebouwingsoppervlakte wijzigt van 12.575 m2 naar 13.275 m2.

Hetgeen eiseres heeft aangevoerd met betrekking tot de eis van maximaal 35 parkeerplaatsen per parkeerterrein, de bouwhoogte, de geur en het kostenverhaal van de exploitatiekosten heeft geen betrekking op deze wijzigingen en dient daarom buiten beschouwing te blijven.

3.7.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder naar aanleiding van de aangepaste situatie tekening die op 7 maart 2014 is ingediend, het bouwplan opnieuw ter inzage had moeten leggen. Er is geen sprake van een ondergeschikte wijziging. Door de vergroting van het bouwplan zal onder andere de parkeerdruk toenemen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een vergroting van het bouwplan met 5,5% en dat dit een ondergeschikte wijziging is. Volgens verweerder is niet gebleken dat als gevolg van de wijziging in het bouwplan derden worden geschaad.

3.8.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 21 januari 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AO1999) overwogen dat bij toepassing van de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht het na het ter inzage leggen van de aanvraag en het ontwerp van het besluit behoudens uitzonderingen niet meer geoorloofd is de aanvraag nog te wijzigen en aan te vullen. Uitzonderingen zijn alleen toelaatbaar als vast staat dat geen derden zijn benadeeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze uitspraak niet ook van toepassing is op de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.

3.9.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een ondergeschikte wijziging van het bouwplan en dat geen derden worden geschaad door de wijziging van het bouwplan. Verweerder heeft als uitgangspunt genomen bij de vaststelling van de parkeernorm op grond van artikel 4.4.4 van de planvoorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “[gebied] [woonplaats], deelgebieden 9 en 10” (de planvoorschriften) dat sprake is van een arbeidsextensief en bezoekersextensief bedrijf. De parkeernorm voor een dergelijk bedrijf bedraagt op grond van dat artikel dan 0,6 parkeerplaats per 100 m2 brutovloeroppervlak. Een toename van het brutovloeroppervlak met 700 m2 leidt dan tot een toename van 3,2 parkeerplaatsen. Niet aannemelijk is dat dit een zodanige toename van de parkeerdruk oplevert dat derden daardoor geschaad worden. Voor verweerder bestond gelet daarop geen noodzaak om het gewijzigde plan opnieuw ter inzage te leggen.

3.10.

Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte van de parkeernorm voor een arbeidsextensief en bezoekersextensief bedrijf is uitgegaan. Volgens eiseres dient een bakkerij/broodfabriek aangemerkt te worden als arbeidsintensief en had verweerder een parkeernorm van 1,7-2,2 dienen te hanteren op basis van de parkeerkencijfers van het CROW. Verder is verweerder volgens eiseres, gelet op het aantal medewerkers bij andere vestigingen van [vergunninghoudster] ten onrechte uitgegaan van een aantal van 44 productiemedewerkers en 25 administratieve medewerkers en maximaal 12 bezoekers.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat op adequate wijze wordt voorzien in de parkeerbehoefte. Er worden 140 in plaats van 126 parkeerplaatsen gerealiseerd. Vergelijking van de aanvraag met andere vestigingen van[vergunninghoudster] leidt door modernisering en een meer efficiënte bedrijfsvoering tot een onjuiste inschatting van het aantal medewerkers en bezoekers, volgens verweerder.

3.11.

De rechtbank stelt vast dat verweerder voor het gewijzigde bouwplan met toepassing van artikel 4.5.4 van de planvoorschriften omgevingsvergunning heeft verleend voor de activiteit ‘gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan” als bedoeld in artikel 2.1, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ook met het gewijzigde plan op een adequate wijze in de parkeerbehoefte wordt voorzien. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder daarbij niet uit heeft mogen gaan van het hiervoor onder 3.3 genoemde aantal medewerkers en bezoekers, nu verweerder heeft gesteld dat een vergelijking met andere vestigingen niet opgaat vanwege modernisering en een meer efficiënte bedrijfsvoering in deze vestiging. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in het bestreden besluit een toename van 14 parkeerplaatsen is voorzien, terwijl op basis van de toename van het brutovloeroppervlak slechts een toename van 3,2 parkeerplaatsen nodig zou zijn.

4. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de onderdelen van het bouwplan die niet zijn gewijzigd op 7 maart 2013, niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van mr. K.M.H. Stikkers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2015.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.