Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:1048

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-02-2015
Datum publicatie
06-03-2015
Zaaknummer
13-993677-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 37-jarige vrouw veroordeeld tot een geldboete van 2300 euro voor verboden schuldbemiddeling (artikel 47 Wet op het consumentenkrediet). De vrouw hield zich van januari 2012 tot en met december 2013 in Almere met haar eenmansbedrijf naast inkomsten- en budgetbeheer voor cliënten die in problematische schulden zaten ook bezig met commerciële schuldbemiddeling. De vrouw had met haar cliënten afgesproken dat zij hun schuldeisers zou benaderen om een regeling te treffen met betrekking tot de schulden en kreeg daarvoor betaald. De kosten voor de intake en de maandelijkse kosten die de cliënten voor haar diensten moesten betalen, moet zij als schadevergoeding terugbetalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/993677-14

Datum uitspraak: 5 februari 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvende op het adres [adres, te plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 januari 2015 en mede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting voor de economische politierechter van 22 september 2014.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie bij het Functioneel Parket, mr. C. Goedegebuure, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. J.B. de Jong, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.

1.3.

Ten slotte heeft de rechtbank kennisgenomen van de 13 vorderingen tot schadevergoeding van hen die zich overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering als benadeelde partij in het strafproces hebben gevoegd. De benadeelde partijen werden bijgestaan of vertegenwoordigd door mr. R.A. Korver, advocaat te Amsterdam.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij zich op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 19 december 2013 in de gemeente Almere, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) heeft beziggehouden met schuldbemiddeling als bedoeld in artikel 47 lid 2 van de Wet op het consumentenkrediet, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of (één of meer van) haar medeverdachte(n) toen aldaar -zakelijk weergegeven- (telkens) in de uitoefening van het (eenmans)bedrijf [bedrijf A], anders dan door het aangaan van krediettransacties, (telkens) diensten verricht, waaronder het voeren van (een) intakegesprek(ken) en/of het (schriftelijk) benaderen van schuldeisers en/of het inventariseren van de schulden en/of het innemen van één of meer bankpas(sen) met bijbehorende TAN-code(s) en/of het openen en/of omzetten van één of meer bankrekening(en) met/(ten behoeve) van na te noemen natuurlijke perso(o)n(en), welke diensten waren gericht op de totstandkoming van (een) regeling(en) met betrekking tot de bestaande schuldenlast(en) van de natuurlijke perso(o)n(en) [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] en/of [persoon 6] en/of [persoon 7] en/of [persoon 8] en/of [persoon 9] en/of [persoon 10] en/of één of meer andere natuurlijke perso(o)n(en), welke schuldenlast(en) geheel of gedeeltelijk voortvloeide(n) uit één of meer krediettransactie(s).

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Verdachte wordt samengevat beschuldigd van schuldbemiddeling. Onder schuldbemiddeling wordt verstaan het in de uitoefening van een bedrijf of beroep, anders dan door het aangaan van een krediettransactie, verrichten van diensten, gericht op de totstandkoming van een regeling met betrekking tot de bestaande schuldenlast van een natuurlijke persoon, geheel of gedeeltelijk voortvloeiend uit een of meer krediettransacties (artikel 47 en 48 van de Wet op het consumentenkrediet, hierna ook: WCK). Het gaat met andere woorden bij schuldbemiddeling om activiteiten die zijn gericht op de afwikkeling van een schuldenlast bestaande uit (onder meer) kredietverplichtingen, door in overleg met de schuldeisers een regeling te treffen. Het betreft derhalve een verbod en de ratio daarvan is het voorkomen dat de schuldenlast van een in financiële moeilijkheden geraakte kredietnemer verder verslechtert als gevolg van de kosten die ter zake van schuldbemiddeling in rekening worden gebracht.

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft overeenkomstig haar schriftelijk requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig zijn schriftelijk pleidooi vrijspraak bepleit en daartoe het volgende aangevoerd. Het Openbaar Ministerie neemt ten onrechte aan dat alle werkzaamheden van verdachte werkzaamheden zijn geweest als bedoeld in de artikelen 47 en 48 WCK. Nagenoeg alle facturen betroffen en betreffen budgetbeheer en inkomensbeheer. Slechts in die gevallen dat verdachte als bewindvoerder was aangesteld, mocht zij schuldregelingen treffen en facturen daarvoor verzenden, en is sprake van handelen binnen de normen van artikelen 47 en 48 WCK. Dat mocht verdachte, gezien artikel 48 lid 1 onder c van die wet. Het is niet verboden op grond van artikelen 47 en 48 WCK om natuurlijke personen, die op de een of andere manier een grote althans problematische schuldenlast hebben, te helpen met het inventariseren van de omvang van die schulden, zien of bepaalde vorderingen verjaard zijn, hen te ondersteunen en te coachen bij inkomensbeheer dan wel budgetbeheer. De diensten van verdachte zijn er primair op gericht inzicht in de schulden te krijgen. Vanuit dat inzicht is natuurlijk het doel dat schulden betaald gaan worden. Verdachte helpt klanten om – nadat dat inzicht in de financiële huishouding tot stand is gebracht – ervoor te zorgen dat de vaste lasten worden betaald. De schuld wordt dan niet groter, maar dat is geen extern gerichte bemiddeling (of onderhandeling) gericht op een schuldenregeling. Inzicht in de financiële huishouding leidt er ook toe dat klanten zich bewust worden van onzinnige uitgaven. Bijvoorbeeld: drie mobiele telefoonabonnementen, tv-gids, duur internetabonnement. Subsidiemogelijkheden worden verkend. Kortom, budgetbeheer. Op welke wijze kunnen de klanten per maand van hun netto inkomen méér overhouden? Dat is ook onderdeel van de dienstverlening van verdachte en daar mag zij onder de vigeur van de artikelen 47 en 48 WCK geld voor vragen. Verdachte zou zelfs namens die klanten regelingen mogen treffen met schuldeisers, maar dan mag ze sec voor dat deel van de dienstverlening géén geld vragen. Aan die regel heeft [verdachte] zich 100% gehouden. Verdachte heeft enkel werk voor schuldbemiddeling in rekening gebracht, in die acht dossiers en in de periode dat zij als bewindvoerder was aangesteld door de rechtbank, te weten van 4 januari 2013 tot 1 juli 2013. Het is niet zo dat het ontslag als bewindvoerder “terugwerkende kracht” had. Verdachte heeft ook daadwerkelijk gewerkt voor het geld dat ze factureerde. Er is inkomensbeheer, budgetbeheer et cetera gedaan voor en ten behoeve van klanten. Contractueel is vastgelegd dat verdachte daar een rekening voor mocht sturen. Zij heeft nooit al haar werk uit gefactureerd. In sommige schrijnende gevallen heeft zij afgezien van facturering. Verdachte ziet niet in dat zij geen geld mag of kan vragen voor een intakegesprek. Overigens, in diverse gevallen heeft zij daarvan afgezien. Verdachte ziet evenmin in dat zij geen geld mag vragen voor het aanschrijven van schuldeisers van klanten, waarbij het doel enkel is informatie te krijgen over de hoogte van de schuld. Er kan natuurlijk pas budget- en inkomensbeheer gedaan worden, als er een goede analyse en inventarisatie van schulden heeft plaatsgehad. Verdachte is de grens die strijd oplevert met artikelen 47 en 48 WCK niet overgegaan, aldus de raadsman.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1.

De rechtbank heeft op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden, die zijn opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en die als hier ingevoegd geldt, de overtuiging gekregen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals nader uitgewerkt in rubriek 5. De rechtbank overweegt voorts het volgende.

4.4.2.

Verdachte heeft verklaard dat zij inkomsten- en budgetbeheer voor haar cliënten heeft verricht. Een aantal cliënten van verdachte heeft verklaard dat zij bij verdachte hebben aangeklopt in verband met hun problematische schuldenlast en dat verdachte hun schuldeisers zou benaderen om tot een oplossing te komen en zij daar een vergoeding voor kreeg. Die verklaringen worden ondersteund door correspondentie van en aan verdachte waaruit blijkt dat er door haar actie is ondernomen om tot een schuldenregeling met schuldeisers te komen en de aanvraagformulieren Schuldregeling die een aantal van hen heeft ingevuld. Ten slotte stelt de rechtbank vast dat het eenmansbedrijf [bedrijf A] (hierna: [bedrijf A]) van verdachte geen instelling als bedoeld in artikel 48 WCK is.

4.4.3.

De rechtbank overweegt ten overvloede, dat zelfs indien zij verdachte zou volgen in haar stellingen dat zij alleen aan budgetbeheer, -advies en -begeleiding deed en slechts de voorwaarden voor haar cliënten creëerde om zelfstandig tot een schuldregeling met hun schuldeisers te kunnen komen, dit niet wegneemt dat haar eenmansbedrijf [bedrijf A] kan worden gekwalificeerd als een schuldbemiddelingsbureau dat optreedt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, waarvoor de in artikel 48 lid 1 onder d WCK genoemde aanwijzing juist bedoeld is. De bedoeling van de wetgever – te weten: ‘de wens te voorkomen dat schuldenaren zich zouden laten bijstaan door malafide of onkundige schuldhulpbemiddelingsbureaus’ (MvA Eerste Kamer, vergaderjaar 2006-2007, 29 942, C, p. 12) – zou op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien dergelijke bureaus zich aan de ingevolge artikel 48 lid 1 onder d WCK te stellen eisen zouden kunnen onttrekken door de kosten van schuldbemiddeling vergoed te krijgen onder de noemer van (parallel lopend) budget- of inkomensbeheer, hetzij die kosten van derden te ontvangen, hetzij (in een incidenteel geval) die werkzaamheden om niet te verrichten (Vgl. Hof Arnhem 10 april 2008 - ECLI:NL:GHARN:2008:BD3935).

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2012 tot en met 19 december 2013 in de gemeente Almere heeft beziggehouden met schuldbemiddeling als bedoeld in artikel 47 lid 2 van de Wet op het consumentenkrediet, immers heeft zij, verdachte, toen aldaar – zakelijk weergegeven – in de uitoefening van het eenmansbedrijf [bedrijf A], anders dan door het aangaan van krediettransacties, diensten verricht, waaronder het voeren van intakegesprekken en het (schriftelijk) benaderen van schuldeisers en het inventariseren van de schulden en het innemen van bankpassen met bijbehorende tancodes en het openen en omzetten van bankrekeningen, met of ten behoeve van na te noemen natuurlijke personen, welke diensten waren gericht op de totstandkoming van een regeling met betrekking tot de bestaande schuldenlast van de natuurlijke personen [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en [persoon 4] en [persoon 5] en [persoon 6] en [persoon 7] en [persoon 8] en [persoon 9] en [persoon 10] en andere natuurlijke personen, welke schuldenlasten geheel of gedeeltelijk voortvloeiden uit een of meer krediettransacties.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 2.300,00.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. In het geval van een veroordeling heeft de raadsman gewezen op de omstandigheden dat verdachte als first offender moet worden beschouwd, dat talloze bureaus hetzelfde doen en dat verdachte haar straf al gehad als gevolg van de hetze die tegen haar gaande is.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

8.3.1.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft er ook rekening mee gehouden dat de officier van justitie een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen ingediend.

8.3.2.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verboden schuldbemiddeling. De wetgever heeft het verbod op schuldbemiddeling ingesteld om de mensen die te maken hebben met een problematische schuldenlast ervoor te behoeden dat zij nog dieper in de problemen raken. Helaas is dat laatste in deze zaak wel gebeurd. De rechtbank is van oordeel dat een straf hier op zijn plaats is. Aangezien verdachte bij vonnis van heden ook wordt veroordeeld wegens valsheid in geschrift tot een taakstraf van 180 uur waarvan 60 uur voorwaardelijk zal de rechtbank, mede gelet op het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht de officier van justitie volgen in haar eis en verdachte een geldboete van € 2.300,00 opleggen.

9 De vordering van de benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij gevoegd en daarbij het bedrag gevorderd dat achter hun naam staat:

  1. [persoon 6] (€ 2.139,41);

  2. [persoon 1] (€ 818,08);

  3. [persoon 11] (€ 1.437,52);

  4. [persoon 12] (€ 4.418,66);

  5. [persoon 13] (€ 1.356,36);

  6. [persoon 14] (€ 1.081,00);

  7. [persoon 2] en [persoon 3] (€ 4.750,88);

  8. [persoon 15] (€ 1.186,00);

  9. [persoon 16] (€ 1.811,08);

  10. [persoon 17] (€ 1.813,00);

  11. [persoon 18] (€ 769,52);

  12. [persoon 19] (€ 306,00);

  13. [persoon 20] (€ 896,06).

Zij vorderen kort samengevat ieder voor zich de kosten van het intakegesprek, voor zover in rekening gebracht, alsmede de maandelijkse kosten. Een aantal van hen vordert ook immateriëleschadevergoeding. Ten slotte vorderen de benadeelde partijen de kosten van rechtsbijstand.

9.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen en daartoe het volgende aangevoerd. Het ten laste gelegde betreft een feit dat ziet op wetgeving op het gebied van de sociaal-economische ordening. De bedoeling van de wetgever met de strafbaarstelling is dat schuldhulpbemiddeling om niet plaatsvindt, tenzij sprake is van bepaalde professionals die ook een bepaalde taak hebben in de schuldhulpbemiddeling. Deze beroepsbeoefenaren worden volgens de Memorie van Toelichting bij uitstek geacht deskundig te zijn op het terrein van de schuldenproblematiek. Zij zijn namelijk speciaal opgeleid, geregistreerd en worden geauditeerd. Daarnaast hebben zij een verplichte beroepsaansprakelijkheidsverzekering als ook een afgezonderde derdenrekening. Bovendien kennen deze beroepsgroepen bepaalde waarborgen die maken dat de werkzaamheden hij hem of haar in goede handen zijn. Dat is waarom er door de overheid wordt gehandhaafd. Wij willen een goede schuldhulpbemiddeling in Nederland van mensen die weten wat zij aan het doen zijn en daarvoor vanuit de Staatskas worden betaald of aan wie het op grond van wettelijke regelingen is toegestaan dat een kleine vergoeding wordt gevraagd. Voor degenen die zich hebben gesteld als benadeelde partij geldt dat zij nu meer geld hebben betaald voor schuldhulpbemiddeling dan dat zij anders hadden moeten betalen. Maar in een groot aantal gevallen zou door hen ook moeten zijn betaald aan een echte bewindvoerder of aan een schuldbemiddelaar die wel over een vergunning beschikte. Het is ook niet uit te sluiten dat bepaalde mensen hun heil hebben gezocht bij verdachte omdat een WSNP-traject nadeliger had kunnen zijn qua bedragen die door hen maandelijks vrijelijk konden worden besteed. Gezien het bovenstaande is het Openbaar Ministerie van mening dat deze benadeelde partijen geen slachtoffer zijn. Deze strafbaarstelling handhaaft een regeling die is opgelegd vanuit de overheid als ordening van deze markt of sector van de samenleving. Bij overtreding van een dergelijk gebod is er niet een direct slachtoffer. Als mensen van mening zijn dat verdachte haar werk niet goed heeft uitgevoerd, moeten ze deze nakoming van de overeenkomst voorleggen aan de civiele rechter. Het wel of niet met een vergunning handelen is naar de mening van het Openbaar Ministerie niet het schadeveroorzakende handelen. Daarnaast kan ook niet eenvoudig worden vastgesteld wat de omvang van de benadeling is geweest voor de verschillende benadeelde partijen. Er kan namelijk wel een bepaalde nakoming van de overeenkomst zijn geweest, aldus de officier van justitie.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – kort samengevat en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor hetgeen verdachte ten laste gelegd is, derhalve vrijspraak dient te volgen en dat de vorderingen mitsdien niet-ontvankelijk zijn. Verder heeft hij betoogd dat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert, mede omdat de vorderingen in een zo laat stadium zijn ingediend dat er geen mogelijkheid voor de verdediging is geweest om deze te kunnen bespreken en zij er dus niet inhoudelijk op kan reageren, aldus de raadsman.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

9.3.1.

Ontvankelijkheid

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (commerciële) schuldbemiddeling hetgeen strafbaar is gesteld in artikel 47 WCK. Het verbod op private schuldbemiddeling beoogt de in financiële moeilijkheden geraakte kredietnemer te beschermen tegen verdere verslechtering van zijn positie (Kamerstukken II 1987/88, 19 785, nr. 3 blz. 64). Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vorderingen niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het betreft telkens een eenvoudige vordering. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de benadeelde partijen kunnen worden ontvangen in hun vordering.

9.3.2.

Rechtstreekse schade

In de onderhavige zaak is naar het oordeel van de rechtbank datgene gebeurd waarvoor de wetgever de consument heeft willen behoeden. Aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 van het Burgerlijk Wetboek wordt derhalve voldaan en de materiële schade die de cliënten van verdachte hebben geleden, is rechtstreeks het voorzienbaar gevolg van de overtreding van de genoemde wet. De rechtbank waardeert de materiële schade telkens op de bedragen zoals die zijn gevorderd en de vorderingen kunnen dan ook in zoverre tot die bedragen worden toegewezen met uitzondering van de vordering van [persoon 2] en [persoon 3], hun vordering wordt toegewezen voor zover het betreft de intakekosten en de kosten voor de door verdachte in rekening gebrachte schuldhulpverlening, dat wil zeggen de maandelijkse betalingen tot de benoeming van verdachte tot bewindvoerder op 4 januari 2013, in totaal zeven maanden. Naar het oordeel van de rechtbank valt de geleden schade binnen het begrip schuldbemiddeling zoals in dit vonnis gehanteerd.

9.3.3.

Immateriëleschadevergoeding?

In gevallen waarbij geen sprake is van fysiek letsel, kan slechts in een beperkt aantal gevallen immateriële schade worden toegekend. Deze gevallen zijn limitatief in de wet opgesomd (artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Uit de toelichting op de immateriëleschadevergoeding komt naar voren dat de benadeelde partijen zich zeer gedupeerd voelen door verdachte. De wet stelt echter strenge eisen aan het verhalen – op daders – van deze gevoelens. Voor vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 BW is vereist dat het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld (Hoge Raad 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356 NJ 2002/240 m.nt. [naam 1]). In zijn arrest van 9 mei 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF4606, NJ 2005/168 m.nt. [naam 2]) heeft de Hoge Raad de aan geestelijk letsel als persoonsaantasting te stellen eisen gepreciseerd en bepaald dat de partij die zich op aantasting van de persoon beroept, voldoende concrete gegevens zal moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel is of had kunnen zijn vastgesteld. Dit zal in de regel betekenen dat rapportage door een deskundige onontbeerlijk is, aldus de Hoge Raad. De rechtbank is, gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel bij de benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde onvoldoende aannemelijk is geworden. Er zijn geen stukken van een deskundige waaruit dit zou kunnen blijken. De rechtbank zal de benadeelde partijen in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaren zodat zij, desgewenst, nader onderbouwd de vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

9.3.4.

De wettelijke rente

De rechtbank zal bepalen dat de toegekende schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

9.3.5.

De kosten van rechtsbijstand

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen ieder voor zich hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken conform het geldende liquidatietarief I, zoals dat in civiele zaken na 1 november 2004 voor zaken met een geldswaarde beneden € 10.000,00 wordt gehanteerd (één punt: € 384,00) tenzij de benadeelde partij minder dan dit bedrag vordert, dan zal het gevorderde bedrag worden toegewezen. De rechtbank ziet in dit geval, mede in aanmerking genomen de gelijkluidendheid van de vorderingen, geen grond om in afwijking van het liquidatietarief een hoger bedrag aan kosten voor rechtsbijstand toe te kennen, zodat in die gevallen waarin meer is gevorderd het meer gevorderde zal worden afgewezen.

9.3.6.

De schadevergoedingsmaatregel

In het belang van de benadeelde partijen voornoemd wier vordering wordt toegewezen wordt als extra waarborg voor betaling telkens de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 23, 24c, 36f en 63 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 47 van de Wet op het consumentenkrediet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 47 van de Wet op het consumentenkrediet.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 2.300,00 (tweeduizend driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 33 (drieëndertig) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van [persoon 6], wonende op het adres [adres, te plaats], toe tot € 567,16 (vijfhonderdzevenenzestig euro en zestien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 6] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [persoon 6] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 384,00 (driehonderdvierentachtig euro) voor kosten van rechtsbijstand.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 6] aan de Staat
€ 567,16 (vijfhonderdzevenenzestig euro en zestien cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 11 (elf) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen aan [persoon 6] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst af het door [persoon 6] meer of anders gevorderde.

Wijst de vordering van [persoon 1], wonende op het adres [adres, te plaats], toe tot € 322,08 (driehonderdtweeëntwintig euro en acht cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [persoon 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 196,00 (honderdzesennegentig euro) voor kosten van rechtsbijstand.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] aan de Staat
€ 322,08 (driehonderdtweeëntwintig euro en acht cent), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 6 (zes) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen aan [persoon 1] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [persoon 1] wat betreft de vordering tot immateriëleschadevergoeding niet-ontvankelijk.

Wijst de vordering van [persoon 11], wonende op het adres [adres, te plaats], toe tot € 626,52 (zeshonderdzesentwintig euro en tweeënvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 11] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [persoon 11] gemaakt en ten behoevce van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 384,00 (driehonderdvierentachtig euro) voor kosten van rechtsbijstand.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 11] aan de Staat
€ 626,52 (zeshonderdzesentwintig euro en tweeënvijftig cent), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 12 (twaalf) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen aan [persoon 11] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst het door [persoon 11] meer of anders gevorderde af.

Wijst de vordering van [persoon 12], wonende op het adres [adres, te plaats], toe tot € 2.668,54 (tweeduizend zeshonderdachtenzestig euro en vierenvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 12] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [persoon 12] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 384,00 (driehonderdvierentachtig euro) voor kosten van rechtsbijstand.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 12] aan de Staat
€ 2.668,54 (tweeduizend zeshonderdachtenzestig euro en vierenvijftig cent), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 36 (zesendertig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen aan [persoon 12] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst het door [persoon 12] meer of anders gevorderde af.

Wijst de vordering van [persoon 13], wonende op het adres [adres, te plaats], toe tot € 860,36 (achthonderdzestig euro en zesendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 13] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [persoon 13] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 196,00 (honderdzesennegentig euro) voor kosten van rechtsbijstand.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 13] aan de Staat
€ 860,36 (achthonderdzestig euro en zesendertig cent), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 17 (zeventien) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen aan [persoon 13] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [persoon 13] wat betreft de vordering tot immateriëleschadevergoeding niet-ontvankelijk.

Wijst de vordering van [persoon 2] en [persoon 3], wonende op het adres [adres, te plaats], toe tot
€ 826,66 (achthonderdzesentwintig euro en zesenzestig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 2] en [persoon 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [persoon 2] en [persoon 3] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 384,00 (driehonderdvierentachtig euro) voor kosten van rechtsbijstand.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 2] en [persoon 3] aan de Staat € 826,66 (achthonderdzesentwintig euro en zesenzestig cent), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 16 (zestien) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen aan [persoon 2] en [persoon 3] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [persoon 2] en [persoon 3] wat betreft de vordering tot immateriëleschadevergoeding niet-ontvankelijk.

Wijst af het door [persoon 2] en [persoon 3] meer of anders gevorderde.

Wijst de vordering van [persoon 14], wonende op het adres [adres, te plaats], toe tot € 1.081,00 (éénduizend éénentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 14] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [persoon 14] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 14] aan de Staat
€ 1.081,00 (éénduizend éénentachtig euro), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 21 (éénentwintig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen aan [persoon 14] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [persoon 15], wonende op het adres [adres, te plaats], toe tot € 1.186,00 (elfhonderd zesentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 15] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [persoon 15] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 15] aan de Staat
€ 1.186,00 (elfhonderd zesentachtig euro), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 23 (drieëntwintig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen aan [persoon 15] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [persoon 16], wonende op het adres [adres, te plaats], toe tot € 852,08 (achthonderd tweeënvijftig euro en acht cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 16] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [persoon 16] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 384,00 (driehonderdvierentachtig euro) voor kosten van rechtsbijstand.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 16] aan de Staat
€ 852,08 (achthonderd tweeënvijftig euro en acht cent), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 17 (zeventien) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen aan [persoon 16] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [persoon 16] wat betreft de vordering tot immateriëleschadevergoeding niet-ontvankelijk.

Wijst af het door [persoon 16] meer of anders gevorderde.

Wijst de vordering van [persoon 18], wonende op het adres [adres, te plaats], toe tot € 576,52 (vijfhonderdzesenzeventig euro en tweeënvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 18] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [persoon 18] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 193,00 (honderddrieënnegentig euro) voor kosten van rechtsbijstand.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 18] aan de Staat
€ 576,52 (vijfhonderdzesenzeventig euro en tweeënvijftig cent), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 11 (elf) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen aan [persoon 18] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [persoon 19], wonende op het adres [adres, te plaats], toe tot € 113,00 (honderddertien euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 19] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [persoon 19] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 193,00 (honderddrieënnegentig euro) voor kosten van rechtsbijstand.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 19] aan de Staat
€ 113,00 (honderddertien euro), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 2 (twee) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen aan [persoon 19] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [persoon 17], wonende op het adres [adres, te plaats], toe tot € 1.154,00 (elfhonderd vierenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 17] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [persoon 17] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 384,00 (driehonderdvierentachtig euro) voor kosten rechtsbijstand.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 17] aan de Staat
€ 1.154,00 (elfhonderd vierenvijftig euro), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 23 (drieëntwintig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen aan [persoon 17] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst af het door [persoon 17] meer of anders gevorderde.

Wijst de vordering van [persoon 20], wonende op het adres[adres, te plaats], toe tot € 700,00 (zevenhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 20] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [persoon 20] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 196,00 (honderdzesennegentig euro) voor kosten van rechtsbijstand.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 20] aan de Staat
€ 700,00 (zevenhonderd euro), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 14 (veertien) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen aan [persoon 20] heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. M.B. de Boer en F.G. Bauduin, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2015.

Bijlage

Bewijsmiddelen

(…)

9. Het geschrift, zijnde de schriftelijke verklaring van 6 november 2013 van [persoon 4] (D-029 – pagina 168 tot en met 170).

Dit geschrift houdt onder meer als verklaring van [persoon 4], zakelijk weergegeven:

In december 2011 ben ik samen met mijn vrouw [persoon 5] in contact gekomen met [bedrijf A]. [verdachte] van [bedrijf A] is toen eind december bij ons thuis geweest. Er werd bij dat gesprek door haar uiteengezet wat er verder in ons traject zou gebeuren. Er werd een inventarisatie gemaakt van onze schulden, de schuldeisers zouden worden benaderd en de schuld zou worden opgelost. We hebben onze rekeningnummers van de [bank A] bank doorgegeven aan haar. De tancodes die beschikbaar zijn gesteld door de [bank A] moesten we aan [verdachte] afgeven. De rekeningnummers waren: [rekeningnummer 1] van mij en van mijn vrouw: [rekeningnummer 2]. In totaal bedroeg op dat moment de schuld circa 8.000 euro. De belangrijkste schuldeisers waren: de zorgverzekering bij [zorgverzekering A], de Belastingdienst, [financiële instelling], dat is een krediet van circa 3.000 euro en postorderbedrijf [postorderbedrijf A] van ongeveer 300 euro. In het intakegesprek werd er door [verdachte] gezegd dat wij alle correspondentie van schuldeisers niet meer mochten openmaken maar direct naar haar moesten doorsturen. Dat hebben we vanaf dat moment ook gedaan. Op 8 januari 2012 is door ons beiden een overeenkomst schuldregeling ondertekend. U toont ons deze overeenkomsten en wij herkennen deze exemplaren en onze handtekeningen daarop. U toont mij het aanvraagformulier schuldregeling deze is in mijn bijzijn door mijn vrouw ingevuld op 5 februari 2012. Het machtigingsformulier werd door ons samen met [verdachte] ingevuld en ondertekend op 16 januari 2012. Daardoor hebben we [bedrijf A] en de eigenaar [verdachte] toestemming gegeven om onder meer persoonsgebonden informatie aan haar beschikbaar te stellen. Wij hoorden op 16 januari 2012 van [verdachte] dat er schuldhulpverleningsactiviteiten door [bedrijf A] zouden worden gedaan. Dus de schulden zouden worden opgelost zoals verwoord in punt 7 en 8 van de overeenkomst schuldregeling, die door ons op 16 januari 2012 is ondertekend.

10. Het geschrift, zijnde een kopie van het Aanvraagformulier Schuldregeling (D-032 – pagina 177 tot en met 179).

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Gegevens aanvrager

Achternaam: [persoon 4]

Voornamen: [voornaam persoon 4]

Woonplaats: [plaats]

Gegevens huidige partner

Achternaam: [persoon 5]

Voornamen: [voornaam persoon 5]

Toelichting op het traject schuldregeling

  1. Het is nodig dat wij volledig inzicht krijgen in uw financiële situatie. Daarom moet u alle schulden, uw inkomsten en eventueel vermogen opgeven. Naast deze toelichting staat welke bewijsstukken u mee moet nemen. Zonder bewijsstukken kunnen wij uw aanvraag niet in behandeling nemen.

  2. U ondertekent een schuldregelingsovereenkomst waarin de afspraken met betrekking tot het traject schuldregeling zijn vastgelegd.

  3. Uw inkomen wordt volledig aan ons overgemaakt, waarbij het bedrag dat nodig is om uw schulden af te lossen, door ons wordt gereserveerd. Het resterende bedrag krijgt u op uw bank- of girorekening gestort.

  4. De schuldregeling wordt op uw naam en geboortedatum, en (indien van toepassing) de naam van uw partner en geboortedatum, geregistreerd bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) te Tiel.

  5. Wij zullen naar aanleiding van uw aanvraag gaan overleggen met alle schuldeisers. Door de indiening van deze aanvraag en ondertekening heeft u toestemming gegeven om informatie te vragen en te verstrekken.

  6. Doordat wordt geprobeerd met alle schuldeisers tot overeenstemming te komen, kost de afhandeling van de aanvraag tijd.

  7. Wanneer tijdens de behandeling van de aanvraag blijkt dat er méér en/of hogere schulden zijn dan u heeft opgegeven, kan de aanvraag worden afgewezen.

  8. Regeling van schulden kan via schuldbemiddeling of door het verstrekken van een saneringskrediet. Bij schuldbemiddeling wordt voor u maandelijks het bedrag boven het Vrij Te Laten Bedrag gereserveerd, conform de door ReCoFa methode vastgestelde budget. De hoogte van het bedrag wordt bepaald aan de hand van de landelijke normen. Tenminste éénmaal per jaar toetsen wij uw inkomenssituatie. Bij sanering van schulden, door middel van een krediet, wordt u een lening verstrekt, waarvan (een deel van) de schulden worden betaald. Op het saneringskrediet is het op dat moment geldende rentepercentage van toepassing.

  9. De regeling van schulden slaagt alleen als u zich stipt houdt aan de gemaakte afspraken, uw vaste lasten vanaf het moment van indiening van deze aanvraag op tijd betaalt én geen nieuwe schulden maakt.

  10. Wij kunnen andere voorwaarden stellen om naleving van de overeengekomen betalingsverplichtingen te garanderen.

  11. Wij verlangen van u dat u tijdens de periode van de schuldregeling alle wijzigingen in uw persoonlijke situatie doorgeeft die van belang zijn, zoals verhuizing, verandering van werkgever, wijzigingen van inkomsten enzovoort.

  12. Tijdens de behandeling dient u de maximale inspanning te leveren om de betalingsverplichting na te komen.

Dit formulier is door de NVVK ontwikkeld in samenwerking met de VFN en de NVB en mag uitsluitend gebruikt worden na toestemming van de NVVK.

(…)