Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:10251

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-12-2015
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
13/741234-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld. Gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/741234-15 (Promis)

Datum uitspraak: 29 december 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 december 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.M. Kees en van wat de gemachtigd raadsman van verdachte mr. F.P.M. van Gerven naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat

primair:

hij op of omstreeks 01 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op de Oudeschans , in elk geval op of aan een openbare weg,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [naam 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

naar voornoemde [naam 1] is gegaan en/of voornoemde [naam 1] heeft aangesproken en/of gevraagd of hij drugs wilde kopen, waarna hij, verdachte,

- (vervolgens) onverhoeds (de jas van) voornoemde [naam 1] heeft vastgepakt en/of aan (de jas van) voornoemde [naam 1] heeft getrokken, waardoor voornoemde [naam 1] ten val kwam en/of

- (vervolgens) in/op de (broek)zak(ken) van voornoemde [naam 1] heeft getast en/of

- (vervolgens) éénmaal of meermalen heeft geslagen en/of gestompt in/op het gezicht, in elk geval op/tegen het lichaam van voornoemde [naam 1] ;

(Artikel 312/45 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair:

hij op of omstreeks 01 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [naam 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, te weten een gebroken (linker)wang en/of (linker)kaak en/of (blijvende) gevoelloosheid en/of verminderd gevoel in de (linker)wang en/of (linker)kaak, door voornoemde [naam 1] met dat opzet (met kracht) éénmaal of meermalen in/op het gezicht te slaan en/of stompen;

(Artikel 302 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 01 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) éénmaal of meermalen heeft geslagen en/of gestompt in/op het gezicht van voornoemde [naam 1] .

(Artikel 302/45 Wetboek van Strafrecht)

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde bewezen moet worden verklaard. Hij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Verbalisanten hebben verdachte, kort na het incident, als bijrijder zien zitten in een zwarte Opel Astra met kenteken [kenteken] . Ook hebben ze gezien dat hij uit is gestapt en naar de achterzijde van de auto liep. Later is de bestuurder van deze auto aangehouden. Hij heeft verklaard dat hij aan kwam rijden en zag dat er twee mensen lagen te vechten. Eén van die mensen, een donkere man, had duidelijk de overhand. Deze man stapte bij hem in, en is even later, toen er een politieauto aankwam, uitgestapt om zogenaamd naar schade aan de auto te kijken. Gelet op deze combinatie van bewijsmiddelen kan het niet anders dan dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer [naam 1] heeft geslagen. Bovendien heeft [naam 1] een duidelijke omschrijving gegeven van de dader en daarbij verklaard over een afwijkende tatoeage, waarover verdachte blijkt te beschikken. Ook heeft [naam 1] verdachte voor 100% herkend als de dader. Ten slotte heeft ook getuige [naam 2] verklaard dat de dader in een zwarte auto is gestapt.

[naam 1] is heel duidelijk over de reden waarom hij werd geslagen. De dader wilde volgens hem geld en ging telkens met zijn handen naar de broekzak van [naam 1] . Ook [naam 2] heeft verklaard dat ze heeft gezien dat de dader meerdere malen naar de broekzak van [naam 1] graaide. Er kan dus worden bewezen dat verdachte een poging tot straatroof met geweld heeft gepleegd.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende – ten aanzien van het primair ten laste gelegde – aangevoerd.

[naam 1] heeft een beschrijving gegeven van de dader en daarbij gezegd dat de dader een tatoeage met de tekst “ [tekst 1] ” zou hebben. Verbalisant [verbalisant 1] heeft in een ander proces-verbaal echter opgenomen dat hij hoorde dat de dader volgens aangever een tatoeage met de tekst “ [tekst 2] ” zou hebben en concludeert daarom dat verdachte de dader moet zijn geweest. Aangever heeft dat echter helemaal niet verklaard. Bovendien is het, zoals verdachte heeft verklaard, niet zo dat hij de enige persoon in die buurt is met deze tatoeage.

Aangever heeft daarnaast verklaard dat de dader kwam aanfietsen op een mountainbike. Deze fiets is, toen de dader er vandoor ging, door getuige [naam 2] binnen gezet en later in beslag genomen. Een dag later wordt verdachte aangehouden op het moment dat hij fietsend wordt aangetroffen. Verdachte heeft echter maar één fiets. Uit het fiets dat hij fietsend werd aangetroffen, kan dus worden afgeleid dat hij niet de dader kan zijn geweest, van wie immers de fiets in beslag was genomen. Verdachte moet dus van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

[naam 1] is ook de enige persoon die heeft verklaard dat de dader hem probeerde te beroven. De overige getuigen hebben alleen een vechtpartij gezien. Er is ook niet vastgesteld dat er iets van [naam 1] is weggenomen of dat er iets te halen viel. Ook om deze reden kan het primair ten laste gelegde niet worden bewezen.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 1 november 2015 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot straatroof, daaruit bestaande dat hij geprobeerd heeft om geld of goederen van [naam 1] af te nemen en daarbij [naam 1] aan diens jas heeft vastgepakt en getrokken, aan diens broekzakken heeft getast en [naam 1] meerdere vuistslagen in diens gezicht heeft gegeven. Gelet op de verklaring van [naam 1] , getuige [naam 2] en medeverdachte [medeverdachte] , gecombineerd met de waarnemingen van de verbalisanten, die verdachte kort na de poging tot straatroof in de auto van [medeverdachte] hebben waargenomen, kan het niet anders dan dat verdachte de dader van dit feit is. Bovendien kan uit de voornoemde verklaringen worden opgemaakt dat verdachte uit was op geld (of andere waardevolle goederen). De verweren van de verdediging, strekkende tot vrijspraak, worden derhalve verworpen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen en de in rubriek 4.3. vervatte bewijsoverwegingen het primair ten laste gelegde bewezen, te weten dat verdachte:

op 1 november 2015 te Amsterdam op de Oudeschans , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of goederen van zijn gading, toebehorende aan [naam 1] , welke poging tot diefstal werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [naam 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

naar voornoemde [naam 1] is gegaan en voornoemde [naam 1] heeft aangesproken en gevraagd of hij drugs wilde kopen, waarna hij, verdachte,

- vervolgens onverhoeds de jas van voornoemde [naam 1] heeft vastgepakt en aan de jas van voornoemde [naam 1] heeft getrokken, waardoor voornoemde [naam 1] ten val kwam en

- vervolgens op de broekzak van voornoemde [naam 1] heeft getast en

- vervolgens meermalen heeft gestompt in het gezicht van voornoemde [naam 1] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem onder primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 17 (zeventien) maanden, met aftrek van voorarrest. Hij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

[naam 1] heeft als gevolg van het handelen van verdachte een gebroken jukbeen opgelopen. Wat hem is overkomen, is vreselijk.

Verdachte heeft twee keer ISD opgelegd gekregen, maar beide keren is de behandeling gestaakt omdat verdachte weigerde mee te werken. Verdachte geeft dus aan de ene kant wel aan de hij zorg wil hebben, maar geeft aan de andere kan niet thuis als er iets van hem wordt verwacht. Verdachte heeft blijkbaar een autoriteitsprobleem. Dat erkent hij ook. Volgens hem kan dat komen doordat hij naar een internaat is gestuurd in zijn jeugd. Verdachte heeft inderdaad geen prettige jeugd gehad, maar dat heeft wel een hardnekkig probleem in zijn persoonlijkheid doen nestelen, namelijk dat hij alle problemen externaliseert. In het laatste reclasseringsrapport wordt aangegeven dat verdachte erg graag behandeld wil worden, maar verdachte is tot twee keer toe niet aanwezig geweest op zitting. Ook de raadsman lijkt daardoor vandaag verrast. Dit onderstreept het hardnekkige probleem van verdachte. Gelet daarop moet het advies in het rapport van de reclassering om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen terzijde worden geschoven.

Op de Justitiële Documentatie van verdachte staan nog een aantal openstaande zaken, waarvoor hij nog gedagvaard moet worden of waarvan hij in appel is gegaan. Dat zijn bijna allemaal geweldszaken. Dat is alarmerend.

Gelet op de richtlijnen van het Openbaar Ministerie moet er voor een straatroof met dergelijk letsel aan een recidivist een gevangenisstraf van 22 tot 26 maanden worden opgelegd. Nu het in deze zaak slechts bij een poging is gebleven, moet daarvan een derde worden afgetrokken. Er is geen reden om een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk op te leggen, nu toezicht door de reclassering, gezien de houding van verdachte, niets zal oplossen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat aan verdachte een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, moet worden opgelegd, Hij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Aan verdachte is niet twee keer een ISD maatregel opgelegd. Eén van de opgelegde ISD-maatregelen was voorwaardelijk. Hij heeft ook bijna geen zaken meer open staan. Hij is op 9 december 2015 nog veroordeeld door de politierechter Amsterdam in de zaak parketnummer 13/154748-14. De politierechter vond toen nog wel een werkstraf aan de orde.

De reclassering ziet geen contra-indicaties voor het opleggen van een werkstraf en adviseert een deels voorwaardelijke straf op te leggen. Verdachte heeft het niet gemakkelijk gehad in zijn leven door problemen met zijn verslaafde ouders en het opgroeien in internaten. Desondanks ziet de reclassering nog alle mogelijkheid om hem te steunen. Verdachte wil dat ook graag. Dat hij vandaag niet aanwezig is, betekent niet dat hij dat niet wil.

Uit het dossier blijkt dat verdachte onlangs in de Top 600 is ingestroomd. Er is echter geen casus-regisseur aan hem toebedeeld. Misschien was het wel anders gegaan als hem wel de hulp was geboden die hij in het kader van de Top 600 zou moeten hebben gekregen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot straatroof. Straatroven zijn ernstige delicten, die psychische schade kunnen veroorzaken bij de slachtoffers, nog afgezien van het financieel nadeel dat hen wordt berokkend. Als gevolg van het handelen van verdachte heeft het slachtoffer bovendien ernstig letsel opgelopen, als gevolg waarvan hij een operatie heeft moeten ondergaan. De ernst van het bewezen verklaarde rechtvaardigt in beginsel dan ook een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank is echter van oordeel dat de ernst van de feiten geen aanleiding geven om een gevangenisstraf op te leggen van de duur zoals door de officier van justitie is gevorderd en zal daarom bij de straftoemeting in matigende zin afwijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Uit de Justitiële Documentatie van verdachte blijkt dat hij al meermalen is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten. Ook is in het verleden meermalen geprobeerd om hulpverlening van de grond te krijgen, ook middels het ISD-traject. Dit heeft er tot op heden echter niet toe geleid dat veroordeelde niet meer recidiveert. Uit een reclasseringsrapport van 11 november 2015 blijkt dat de reclassering ook nu nog aanknopingspunten ziet om hulpverlening aan verdachte te bieden. Nu verdachte nog steeds veelvuldig met politie en justitie in aanraking blijft komen en in deze zaak tot twee keer toe niet ter terechtzitting is verschenen, is de rechtbank van zijn motivatie om mee te werken aan een hulpverleningstraject onvoldoende gebleken. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het advies van de reclassering naast haar neer te leggen en zal een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte opleggen.

9 De vordering van de benadeelde partij

9.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 335,- moet worden toegewezen en dat de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd. Hij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

De schade aan de broek is niet onderbouwd, maar uit het dossier blijkt wel dat er schade was, dus daarvoor kan in redelijkheid € 100, - worden toegewezen. Verder is het ook redelijk om de schade als gevolg van de drie taxiritten en de ziekenhuiskosten toe te wijzen. Het dossier bevat een pro forma factuur voor de ziekenhuiskosten; deze zijn ook toewijsbaar. De gevorderde schade als gevolge van het niet kunnen werken door de benadeelde partij, is echter onvoldoende onderbouwd en kan dus niet worden toegewezen.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

De vordering is in de Engelse taal opgesteld en voldoet daarmee niet aan de eisen dat de stukken in het dossier in de Nederlandse taal opgesteld of vertaald moeten zijn. De vordering is daarnaast onvoldoende onderbouwd. Het is onduidelijk of de benadeelde partij voor een deel van de kosten verzekerd was. Ook is niet duidelijk wanneer de taxiritten plaats zouden hebben gevonden.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [naam 1], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor primair bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 335, - (driehonderdvijfendertig euro), bestaande uit € 175, - voor ziekenhuiskosten in Amsterdam, € 60, - voor drie taxiritten en € 100, - voor schade aan de kleding van de benadeelde partij. Hoewel de vordering in het Engels is opgesteld, is de rechtbank van oordeel dat deze vordering voldoende begrijpelijk is om daarover te kunnen oordelen. De vordering van gederfd inkomen is echter niet onderbouwd, zodat deze niet voor toewijzing vatbaar is. Bij de vordering is ook geen onderbouwing van de gevorderde ziekenhuiskosten gevoegd, maar een rekening van deze kosten bevindt zich wel in het dossier, zodat deze schade voor toewijzing vatbaar is. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde schade als gevolg van drie taxiritten voldoende aannemelijk is om ook zonder bewijsstukken te kunnen toewijzen. Ten slotte is de rechtbank, gelet op de foto’s van de broek van de benadeelde partij die zich in het dossier bevinden, van oordeel dat redelijkerwijs € 100, - kan worden toegewezen voor schade aan de kleding van de benadeelde partij. De vordering kan dan ook tot een bedrag van € 335, - worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het restant van de vordering levert wel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [naam 1] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [naam verdachte], daarvoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

 Wijst de vordering van [naam 1], wonende op het adres [adres] toe tot een bedrag van € 335, - (driehonderdvijfendertig euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 1] , € 335, - (driehonderdvijfendertig euro) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 6 (zes) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. R.H.C. Jongeneel en B. Vogel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Spliet, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 december 2015.