Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:10244

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
16-06-2017
Zaaknummer
13/661020-12 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/661020-12 (ontneming)

Datum uitspraak: 29 oktober 2015

Tegenspraak

VONNIS

Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/661020-12, tegen:

[naam veroordeelde] , hierna te noemen veroordeelde,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres veroordeelde]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 15 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Vriezen-Buist en van wat de gemachtigde raadsvrouw van veroordeelde mr. D.M. Rupert naar voren heeft gebracht.

2 Voorvragen

De verdediging heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering omdat uit het ontnemingsdossier niet blijkt dat de officier van justitie tijdens de procedure in de strafzaak kenbaar heeft gemaakt dat zij voornemens was een ontnemingsvordering aanhangig te maken.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat zij – met instemming van de officier van justitie en de verdediging – na het onderzoek ter terechtzitting het dossier van de strafzaak heeft opgevraagd uit het archief. Dit dossier bevatte een proces-verbaal terechtzitting van 5 september 2013 waarin aantekening is gemaakt dat de officier van justitie dat voornemen kenbaar heeft gemaakt. Een kopie van dit proces-verbaal is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3 De vordering

De vordering van de officier van justitie van 4 september 2015 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 1.000, - (duizend euro).

Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het onder dit parketnummer onder 2 ten laste gelegde feit waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

4 Grondslag van de vordering

Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 september 2013 ter zake van het volgende strafbare feit veroordeeld.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

5 Het wederrechtelijk verkregen voordeel

5.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat veroordeelde als gevolg van het bewezen verklaarde feit geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij het geld onder dwang heeft gepind en direct heeft moeten afgeven. Dit kan niet worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel als gevolg van het inlossen van een schuld, want er was nooit officieel een schuld vastgesteld.

5.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat in de strafzaak is vastgesteld dat veroordeelde twee keer een bedrag van € 500, - heeft gepind en dat hij dat geld daarmee wederrechtelijk heeft weggenomen. Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan dus op € 1.000, - worden vastgesteld. Dat kan ook als veroordeelde het gepinde geld meteen heeft afgegeven. In dat geval is er namelijk sprake van het inlossen van een schuld, hetgeen ook kan worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

In de onderliggende strafzaak is bewezen dat veroordeelde op 4 oktober 2011 twee keer € 500, - heeft gepind bij het Holland Casino [plaats] met behulp van een gestolen pinpas van [naam bedrijf B.V.] Veroordeelde heeft bekend dit geld te hebben gepind.1

Veroordeelde heeft verklaard dat hij het door hem gepinde geld heeft afgedragen omdat hij een schuld zou hebben bij een persoon genaamd [naam ] (fonetisch), omdat diens bromfiets door toedoen van veroordeelde zou zijn beschadigd. Veroordeelde zou op 4 oktober 2011 zijn benaderd en verteld dat de schuld van de bromfiets afgelost kon worden als hij meeging naar het Holland Casino en geld zou pinnen. Dit heeft hij gedaan, waarna hij het geld en de pinpas weer heeft afgegeven.

Veroordeelde heeft het voorgaande niet nader kunnen onderbouwen. Echter, ook als de rechtbank uitgaat van deze verklaring, is aannemelijk dat veroordeelde een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 1.000, - heeft genoten. Veroordeelde heeft in dat geval zijn openstaande schuld immers met dat bedrag verminderd of afgelost. Weliswaar blijkt uit het dossier niet hoe hoog de schuld van veroordeelde was, maar wel blijkt dat veroordeelde heeft erkend dat hij verantwoordelijk was voor schade aan de bromfiets van een ander en dat zijn handelingen gericht waren op het aflossen van die schuld.

6 De verplichting tot betaling

6.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij het bepalen van de verplichting tot betaling rekening moet worden gehouden met de beperkte financiële middelen van veroordeelde en een overschrijding van de redelijke termijn. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat veroordeelde rond moet komen van een uitkering van slechts € 650, - per maand en moeilijk een baan kan vinden. Daarnaast moet de betalingsverplichting met 10% worden verminderd omdat de redelijke termijn, die is aangevangen op het moment dat veroordeelde werd aangehouden, met meer dan één jaar is overschreden.

6.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de verweren van de verdediging ten aanzien van de betalingsverplichting.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde geen feiten die van invloed moeten zijn op de betalingsverplichting. Op grond van hetgeen door de verdediging is aangevoerd is niet aanstonds duidelijk dat veroordeelde op dit moment en in de toekomst (naar redelijke verwachting) geen draagkracht heeft of zal hebben.

Anders dan door de verdediging is betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn in de ontnemingsprocedure niet is begonnen op het moment dat veroordeelde is aangehouden, maar op het moment dat de officier van justitie kenbaar heeft gemaakt dat zij een ontnemingsvordering aanhangig zou maken. Dit heeft zij blijkens het proces-verbaal terechtzitting in de bijlage gedaan op 5 september 2013. Dit betekent dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn nu niet binnen twee jaren over de ontnemingsvordering is beslist. Deze overschrijding van de redelijke termijn bedraagt iets meer dan één maand en niet meer dan één jaar, zoals door de verdediging is betoogd. Gelet op deze zeer geringe overschrijding van de redelijke termijn is de rechtbank van oordeel dat volstaan kan worden met de enkele constatering dat er sprake is geweest van een overschrijding van de redelijke termijn, zonder daar consequenties aan te verbinden. De rechtbank zal de overschrijding van de redelijke termijn dus niet compenseren door de verplichting tot betaling te matigen.

Ook voor het overige ziet de rechtbank geen omstandigheden die van invloed moeten zijn op de betalingsverplichting.

De rechtbank stelt het door veroordeelde te betalen bedrag op € 1.000, -.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 1.000, -.

Legt op aan [naam veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 1.000, - (duizend euro) aan de Staat.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. N.A.J. Purcell en R.K. Pijpers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Spliet, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 oktober 2015.

1 Vonnis van de rechtbank Amsterdam van 5 september 2013 in de zaak tegen [naam veroordeelde] , parketnummers 13/661020-12 (A), 13/660588-12 (B) en 13/650603-10 (TUL).