Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:10242

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-10-2015
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
13/732009-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding inlichtingenplicht. Uitkeringsfraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/732009-13 (Promis)

Datum uitspraak: 29 oktober 2015

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( Marokko ) op [geboortedatum] 1972, ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres 1]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 23 oktober 2014 en 15 oktober 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Vriezen-Buist en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.J.R. Roethof naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode(n) vanaf 01 januari 2010 tot 01 oktober 2011 en/of 25 oktober 2011 tot 01 maart 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, in strijd met een aan zijn mededader, te weten [naam medeverdachte] , bij of krachtens wettelijk voorschrift (te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand) opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Dienst Werk en Inkomen te Amsterdam, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader (in die periode(n) en op die plaats) geheel of gedeeltelijk niet aan genoemde dienst(en) medegedeeld of kenbaar gemaakt dat hij en/of zijn mededader

- een gezamenlijke huishouding voerde(n) en/of had(den) gevoerd en/of

- samenwoonde(n) en/of had(den) samengewoond

zijnde dit (een) gegeven(s) waarvan hij en/of zijn mededader wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit/deze gegeven(s) van belang was/waren voor de vaststelling van het recht op een verstrekking of tegemoetkoming - namelijk een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand - dan wel voor de hoogte of de duur van voornoemde verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken en/of had kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander.

Artikel 227b juncto artikel 47 Wetboek van Strafrecht

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde bewezen moet worden verklaard. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

De ouders van medeverdachte [naam medeverdachte] hebben in eerste instantie verklaard dat zij het grootste deel van de tijd bij verdachte woonde. Die verklaringen waren volstrekt in lijn met de verklaring van [naam medeverdachte] , die verklaarde dat ze vier of vijf dagen per week bij verdachte verbleef. Ook waren die verklaringen in lijn met de waarnemingen van de sociale recherche en verklaringen van buurtbewoners. Er is geen reden om aan deze verklaringen te twijfelen. Bij de rechter-commissaris hebben de ouders van [naam medeverdachte] hun verklaring weliswaar ingetrokken, maar hebben ze ook tegenstrijdig verklaard over het woonadres van [naam medeverdachte] . Bovendien zou je uit hun verklaringen kunnen opmaken dat met [naam medeverdachte] is besproken wat wel en niet verklaard moest worden. De ontkennende verklaringen die de ouders van [naam medeverdachte] bij de rechter-commissaris en verdachte hebben afgelegd, moeten dus terzijde worden geschoven.

Uit het dossier blijkt dat verdachte wist dat [naam medeverdachte] een uitkering ontving. Dat heeft hij zelf ook verklaard. Bovendien heeft hij verklaard dat hij niet wilde dat [naam medeverdachte] zich bij hem inschreef. Gelet daarop kan worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met [naam medeverdachte] heeft gepleegd.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Uit de verklaring van verdachte blijkt niet dat hij tijdens de ten laste gelegde periode wist dat [naam medeverdachte] een uitkering ontving, noch dat zij tijdens de ten laste gelegde periode haar hoofdverblijf bij hem had of dat zij een gezamenlijke huishouding voerden.

De verklaringen die [naam medeverdachte] bij de Dienst Werk en Inkomen heeft afgelegd moeten van het bewijs worden uitgesloten. Zij heeft namelijk niet uitdrukkelijk afstand gedaan van het recht op een advocaat. Subsidiair moet die omstandigheid meewegen in de weging van die verklaringen. Uit de verklaringen van [naam medeverdachte] blijkt dat er hevige ruzies bij haar ouders waren en dat ze daarom soms bij verdachte was. Zij voerden echter geen gezamenlijke huishouding.

De moeder van [naam medeverdachte] heeft verklaard dat [naam medeverdachte] bij verdachte verbleef als er thuis ruzie was, maar dat ze verder wel thuis woonde. De kern van de verklaringen van de ouders van [naam medeverdachte] is dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen verdachte en [naam medeverdachte] . Ook uit de verklaringen van de buurtbewoners en de constateringen van de Nuon kan dat niet worden opgemaakt.

Subsidiair kan niet worden bewezen dat er sprake was van medeplegen en moet verdachte daarom worden vrijgesproken. Daarvoor moet sprake zijn van een intellectuele en materiële bijdrage die van voldoende gewicht is. Een dergelijke bijdrage van verdachte blijkt niet uit het dossier.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] in de ten laste gelegde periode hebben samengewoond en een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, hetgeen zij opzettelijk niet hebben gemeld. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.

Voor de vraag of vanaf de start van de ten laste gelegde periode sprake was van samenwonen en het voeren van een gezamenlijke huishouding is artikel 3 van de Wet werk en bijstand van belang. Dit artikel bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Blijkens lid 4 van dit artikel wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in de dezelfde woning en

  1. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;

  2. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander;

  3. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of

  4. zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.

Nu uit de relatie van verdachte en [naam medeverdachte] meerdere kinderen zijn geboren, dient alleen nog te worden onderzocht of verdachte vanaf 1 januari 2010 tot en met 1 maart 2012 samen met [naam medeverdachte] zijn hoofdverblijf had op het adres [adres 1] De rechtbank is van oordeel dat het dossier hiervoor voldoende bewijs bevat. Immers hebben zowel [naam medeverdachte] – zowel bij haar eerste verhoor in 2012 als naderhand bij haar tweede verhoor in 2014 – alsmede haar vader en moeder verklaard dat zij bij verdachte woonde en is gedurende twee periodes waargenomen dat [naam medeverdachte] – elke dag dat werd waargenomen – ‘s ochtends uit de woning van verdachte kwam, kennelijk om haar kind(eren) naar school te brengen. [naam medeverdachte] heeft in haar verhoor uit 2012 bovendien als motief hiervoor gegeven dat dat zij niet heeft gemeld dat zij haar hoofdverblijf op het adres [adres 1] had, omdat de woonsituatie in haar ouderlijk huis slecht was, zodat zij wel weg moest en zij niet wilde dat haar uitkering stop werd gezet. Deze verklaring van [naam medeverdachte] is bruikbaar voor het bewijs, nu zij aan het begin van het verhoor telkens expliciet heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan bijstand van een advocaat. Er is dus geen sprake van een Salduz-schending. De rechtbank onderkent dat [naam medeverdachte] en haar ouders deze belastende verklaringen later hebben ingetrokken, maar schuift deze latere ontkennende verklaringen terzijde nu er geen enkele reden is om aan te nemen dat de eerder afgelegde verklaringen tot stand zijn gekomen als gevolg van ongeoorloofde druk, noch dat de verklaringen van [naam medeverdachte] en haar ouders onjuist zijn weergegeven. Bovendien sluiten deze verklaringen aan bij de hiervoor genoemde waarnemingen. Dit oordeel brengt mee dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte en [naam medeverdachte] in de ten laste gelegde perioden samenwoonden en een gezamenlijke huishouding voerden, maar dat [naam medeverdachte] dit opzettelijk niet heeft gemeld.

De rechtbank acht voorts bewezen dat verdachte en [naam medeverdachte] dit feit tezamen en in vereniging hebben gepleegd. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte gedurende de ten laste gelegde perioden op de hoogte was van het feit dat [naam medeverdachte] een uitkering ontving. Bovendien kan uit de verklaring van [naam medeverdachte] ook worden opgemaakt dat verdachte wist dat [naam medeverdachte] het niet aan de DWI meldde dat zij haar hoofdverblijf bij hem had. Verdachte heeft zelf ook een uitkering gehad en kende dus de verplichtingen die daaraan zijn verbonden, zoals het verstrekken van inlichtingen die van invloed kunnen zijn op de toekenning of hoogte van de uitkering. Hij wilde ook niet dat [naam medeverdachte] zich bij hem zou inschrijven, waardoor hij het mogelijk heeft gemaakt dat [naam medeverdachte] kon nalaten de nodige gegevens te verstrekken terwijl dat tot voordeel strekte of kon strekken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen en de in rubriek 4.3. vervatte bewijsoverwegingen bewezen dat verdachte

in de perioden vanaf 1 januari 2010 tot 1 oktober 2011 en 25 oktober 2011 tot 1 maart 2012 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, in strijd met een aan zijn mededader, te weten [naam medeverdachte] , bij of krachtens wettelijk voorschrift, te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Dienst Werk en Inkomen te Amsterdam, immers hebben hij en zijn mededader in die perioden en op die plaats niet aan genoemde dienst medegedeeld dat hij en zijn mededader

- een gezamenlijke huishouding voerden

- samenwoonden

zijnde dit gegevens waarvan hij en zijn mededader wisten dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van het recht op een verstrekking of tegemoetkoming, namelijk een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 100 (honderd) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 (vijftig) dagen. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

[naam medeverdachte] heeft misbruik gemaakt van voorzieningen door een uitkering aan te vragen, terwijl zij daar misschien helemaal geen recht op had. Verdachte heeft dat feit tezamen en in vereniging met haar gepleegd. In totaal is de samenleving hierdoor voor ruim € 37.000, - benadeeld. Verdachte is echter niet de hoofdverantwoordelijke in deze zaak. Hij moet er echter wel van doordrongen zijn dat ook hij een verantwoordelijkheid heeft. Daarom moet een voorwaardelijke taakstraf worden opgelegd.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat – in geval van een bewezenverklaring – conform de eis van de officier van justitie geen onvoorwaardelijke straf aan verdachte zou moeten worden opgelegd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan bijstandsfraude door de uitkerende instantie gedurende een periode van ruim twee jaren onjuist in te lichten. Verdachte heeft dit opzettelijk gedaan nu hij wist dat verdachte een bijstandsuitkering ontving en hij op de hoogte was van de inlichtingenplicht, aangezien hij zelf eerder ook tijdelijk een bijstandsuitkering heeft ontvangen. Verdachte heeft niets ondernomen om deze situatie te beëindigen. De uitkerende instantie is daardoor niet in staat geweest op juiste wijze te bepalen of en, zo ja, in hoeverre de mededader van verdachte recht had op een uitkering, en heeft ten onrechte gelden uitgekeerd. Sociale voorzieningen zijn uitsluitend bestemd voor degenen die er recht op hebben en werkelijk daarvan afhankelijk zijn. In het verlengde daarvan moeten uitkeringsinstanties er op kunnen vertrouwen dat hun de juiste gegevens worden aangeleverd. De verdachten hebben door aldus te handelen misbruik van het stelsel van sociale zekerheid gemaakt. Weliswaar heeft verdachte de uitkering niet zelf ontvangen maar doordat zijn echtgenote ten onrechte een bijstandsuitkering ontving, nam het gezinsinkomen toe en hoefde verdachte minder aan het gezin uit te geven, hetgeen de rechtbank hem aanrekent. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke straf, zoals door de officier van justitie is gevorderd. Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit en de rol van verdachte acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke taakstraf geboden.

Uit een uittreksel van de Justitiële Documentatie van verdachte van 30 september 2014 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank dient daarnaast rekening te houden met het tijdsverloop sinds de ten laste gelegde feiten, in welke periode verdachte niet opnieuw in de fout is gegaan. Dit tijdsverloop is zodanig dat de redelijke termijn van berechting inmiddels is overschreden.

De berechting van een zaak in eerste aanleg dient in beginsel met een eindvonnis te zijn afgerond binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank is van bijzondere omstandigheden geen sprake. In deze zaak is de redelijke termijn begonnen op 8 oktober 2012, zijnde de dag dat verdachte voor het eerst is verhoord. Nu sinds de aanvang van de redelijke termijn ongeveer drie jaren zijn verstreken en er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn met een jaar overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding van de redelijke termijn dient te worden gecompenseerd door de helft van de aan verdachte op te leggen taakstraf voorwaardelijk op te leggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 227b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van in strijd met een bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van het recht op een verstrekking, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 100 (honderd) uren.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen.

Beveelt dat een gedeelte van deze straf, groot 50 (vijftig) uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op 2 (twee) jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 25 (vijfentwintig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. N.A.J. Purcell en R.K. Pijpers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Spliet, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 oktober 2015.