Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:10125

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2015
Datum publicatie
12-08-2016
Zaaknummer
DX EXPL 14-179
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

‘Effectenlease-zaak. Artikel 1:88 BW. Afnemer is in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen het bewijsvermoeden dat zijn echtgenote eerder dan drie jaar voor de vernietigingsbrief kennis heeft gekregen van het bestaan van 3 van de in het geding zijnde leaseovereenkomsten. Afnemer is er in geslaagd dat tegenbewijs te leveren. Bij de vierde leaseovereenkomst is sprake van schending van de zorgplicht en een onaanvaardbaar zware financiële last. 2/3 deel van de schade wegens betaalde termijnen en restschuld terzake deze overeenkomst komt voor rekening van Dexia.’

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaak- en rolnummer: 2913831 DX EXPL 14-179

vonnis van: 18 juni 2015

f.no.: 466

Vonnis van de kantonrechter:

i n z a k e

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

gedaagde in reconventie,

nader te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. G. van Dijk,

t e g e n

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

nader te noemen: Dexia,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel.

Het verloop van de procedure

in conventie en in reconventie

Op 27 november 2014 is in deze zaak tussenvonnis gewezen (hierna: het tussenvonnis).
Voor het verloop van de procedure tot dan toe, verwijst de kantonrechter naar hetgeen dienaangaande in het tussenvonnis is overwogen.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de akte uitlating bewijs van [eiser] ;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 6 mei 2015.

Partijen hebben verklaard af te zien van het nemen van een conclusie na enquête.


Daarna is vonnis bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

in conventie en in reconventie

1.1.

De kantonrechter verwijst naar en blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in voornoemd tussenvonnis.

1.2.

In dit tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de aangevoerde bewijsmiddelen het (bewijs)vermoeden rechtvaardigen dat de echtgenote van [eiser] , [naam 1] (hierna: [naam 1] ), door kennisname van een of meer bankafschriften eerder dan drie jaar voor de vernietigingsbrief van 31 maart 2003 kennis heeft gekregen van het bestaan van de leaseovereenkomsten I tot en met V (hierna: de lease-overeenkomsten) en dat Dexia voorshands is geslaagd in haar bewijslevering dat het vernietigingsrecht is verjaard. [eiser] is in de gelegenheid gesteld hiertegen tegenbewijs te leveren.

1.3.

In dat kader zijn als getuigen gehoord [eiser] en [naam 1] .

1.4.

Gelet op de verklaringen van de getuigen en de overgelegde stukken zijn naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat

[eiser] er in is geslaagd tegenbewijs te leveren en het bewijsvermoeden te ontzenuwen.

De getuigen hebben op hoofdlijnen gelijkluidend en consistent verklaard. Dat geldt in het bijzonder ten aanzien van het moment waarop [eiser] zijn echtgenote over de leaseovereen-komsten (begin 2001, vlak na de 55e verjaardag van [naam 1] ) heeft verteld en de taakverdeling tussen hen beiden. Met de door de getuigen geschetste omstandigheden is verder aannemelijk geworden dat [eiser] de leaseovereenkomsten heeft kunnen sluiten en aan de hieruit voortvloeiende verplichtingen heeft kunnen voldoen zonder dat [naam 1] dit heeft gemerkt. [eiser] regelde de financiën en [naam 1] bemoeide zich hiermee niet. Er waren twee bankrekeningen (en/of- rekening en een andere rekening die later en/of is geworden) binnen het gezin en nog een zakelijke rekening. Volgens de getuigen had [naam 1] van beide privé rekeningen een bankpas, maar gebruikte zij die niet. [eiser] gaf [naam 1] contant huishoudgeld. Bij grotere uitgaven ging [eiser] met haar mee en pinde (waarschijnlijk) die bedragen. [eiser] opende de bankpost van de rekeningen en handelde deze af. [naam 1] keek niet in de afschriften. [eiser] deed de overboekingen van de en/of-rekening(en). [eiser] en [naam 1] bespraken de geldzaken niet uitgebreid. Zij spraken niet over verzekeringen, sparen of meer rendement. [naam 1] heeft nooit wegens omstandigheden de financiën of administratie van het gezin op zich genomen. Dat [eiser] het financiële overzicht had, en [naam 1] niet, volgt ook uit de verklaring van [naam 1] dat zij aan [eiser] vroeg of iets groots gekocht kon worden of niet. Volgens de getuigen deed een accountant de belastingaangiften. [eiser] vertelde [naam 1] als er geld terug werd ontvangen. Het feit dat [naam 1] een andere leaseovereenkomst met Dexia medeondertekend heeft, leidt niet tot een ander oordeel aangezien die overeenkomst volgens beide getuigen getekend is nadat [eiser] haar over het bestaan van de leaseovereenkomsten had geïnformeerd. De stelling van Dexia dat [naam 1] van de leaseovereenkomsten wist omdat op een eerdere leaseovereenkomst tussen [eiser] en Dexia een bedrag vooruit was betaald, wordt niet gevolgd. Uit de voortuitbetaling volgt immers niet dat [naam 1] van die overeenkomst op de hoogte was en al helemaal niet dat zij (daarom) van (meet af aan van) de leaseovereenkomsten wist.

De verklaringen van getuigen, alleen en in onderlinge samenhang bezien, geven geen aanleiding te veronderstellen dat het anders is gegaan dan door hen verklaard. Voor zover de

getuigenverklaringen op onderdelen niet geheel overeenstemmen kan dit niet tot een ander oordeel leiden. De verklaringen, die de kantonrechter niet ongeloofwaardig voorkomen, brengen mee dat niet kan worden vastgesteld dat [naam 1] voor 2001 daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van de leaseovereenkomsten I tot en met V. Op de door Dexia genoemde omstandigheden kan niet de (eerdere) feitelijke bekendheid van [naam 1] met het bestaan van deze leaseovereenkomsten worden gebaseerd. Het beroep van Dexia op verjaring slaagt derhalve niet en er moet daarom van worden uitgegaan

dat de leaseovereenkomsten tijdig zijn vernietigd. De door [eiser] gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar.

Dit betekent dat de vordering van Dexia ten aanzien van de leaseovereenkomsten II en V niet toewijsbaar is.

1.7.

Nu de leaseovereenkomsten met nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] rechtsgeldig zijn vernietigd dienen alle betalingen van [eiser] aan Dexia op grond van deze leaseovereenkomsten te worden gerestitueerd, verminderd met hetgeen hij op grond van die overeenkomsten van Dexia heeft ontvangen, zoals uitgekeerde dividenden. De eigendom van de geleasede effecten verblijft bij Dexia.

1.8.

Op grond van de leaseovereenkomsten I tot en met V is door [eiser] in totaal
€ 30.002,29 aan termijnen en € 3.185,23 aan restschuld aan Dexia betaald waarop een bedrag van € 3.850,07 aan dividenden en € 8.877,49 aan voordeel in mindering dient te worden gebracht, zodat per saldo een bedrag van € 20.459,96 door Dexia aan [eiser] dient te worden gerestitueerd.

1.9.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar over dit saldo vanaf het moment dat Dexia met de terugbetaling in verzuim was, zijnde na de afloop van de termijn als genoemd in de vernietigingsbrief, dan wel (bij gebreke daarvan) vanaf het moment waarop [naam 1] uit een reactie van Dexia mocht afleiden dat Dexia tekort zou schieten in de nakoming van haar terugbetalingsverplichtingen, dan wel (indien van het een noch het ander sprake is geweest) vanaf een termijn van vier weken na de vernietigingsbrief, waarna er immers redelijkerwijs vanuit mocht worden gegaan dat Dexia niet in de vernietiging berustte.

1.10.

Nu zich in dit geval de eerste situatie voordoet (in de vernietigingsbrief wordt een betaaltermijn genoemd van 14 dagen), is Dexia in deze zaak met de terugbetaling in verzuim geraakt vanaf 15 april 2003. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar over het door Dexia te restitueren bedrag vanaf dat moment. Indien het betalingen betreffen die nadien hebben plaatsgevonden, is daarover de wettelijke rente verschuldigd ingaande de dag van elke betaling.

Ten aanzien van de leaseovereenkomst VI wordt het volgende overwogen.

1.11.

Voor de maatstaven en beoordelingskaders verwijst de kantonrechter naar de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH 2815) en van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983), welke als leidraad worden genomen. Door partijen zijn geen althans onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld die in het onderhavige geval een afwijking daarvan rechtvaardigen. Toepassing van die maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

A. er is sprake van huurkoop;

er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[eiser] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;

er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

De kantonrechter verwijst naar het vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 (LJN BL0912), in het bijzonder de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3 daarvan, welke hier worden overgenomen.

1.12.

In het onderhavige geval dient op de schade eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW en vervolgens (op het restant) het deel van de schade dat [eiser] wegens eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW zelf dient te dragen. De wijze waarop dit gebeurt wordt hierna uiteengezet.

1.13.

Ingevolge artikel 6:100 BW dient in mindering te worden gebracht al het voordeel dat [eiser] ingevolge leaseovereenkomst VI heeft genoten, zoals aan hem betaalde of toekomende dividenden. De kantonrechter zal dit voordeel in eerste instantie in mindering brengen op de schade bestaande uit de verschuldigde rente en eventuele periodieke aflossingen en vervolgens, voor zover dan nog een deel van het voordeel resteert, op de restschuld. Dit ligt het meest voor de hand, omdat deze betalingsverplichtingen zich eerder hebben voorgedaan dan dat de restschuld zich openbaarde.

1.14.

Nadat het (eventuele) voordeel op de schade in mindering is gebracht, moet vervolgens worden beoordeeld in hoeverre de resterende door [eiser] geleden schade op de voet van artikel 6:101 BW (eigen schuld) als door hem veroorzaakt voor rekening van [eiser] moet blijven. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de termijnen en de restschuld. Verwezen wordt naar de rechtsoverwegingen 3.6 en 3.7 van eerdergenoemd vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 welke hier worden overgenomen. De kantonrechter gaat hierbij uit van de tot het moment van beëindiging ‘verschuldigde’ termijnen en niet slechts van de ‘betaalde’ termijnen, omdat het voor de vaststelling van de hoogte van de schade niet uitmaakt of een verschuldigd bedrag reeds is betaald of niet. Verschuldigde maar onbetaald gebleven termijnen blijven immers opeisbaar.

Termijnen

1.15.

[eiser] en Dexia zijn er het over eens dat uit de toepassing van de Hof formule volgt dat met het aangaan van leaseovereenkomst VI wel een onaanvaardbaar zware financiële last op [eiser] werd gelegd. In navolging van het Amsterdamse hof is de kantonrechter van oordeel dat deze (na verrekening van voordeel resterende) schade aan termijnen voor 1/3 deel voor rekening van [eiser] behoort te blijven.

Restschuld

1.16.

Ten aanzien van de restschuld stelt de kantonrechter voorop dat uit leaseovereen-komst VI voldoende duidelijk kenbaar was dat een geldlening werd verstrekt, dat het geleende geld werd belegd in effecten, dat [eiser] over het geleende bedrag rente was verschuldigd en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald ongeacht de verkoopopbrengst van de effecten. Op de gronden zoals door de Hoge Raad en het

Amsterdamse hof is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat hieruit volgt dat wat betreft de (na verrekening van voordeel resterende) schade bestaande uit restschuld in

beginsel 1/3 deel daarvan vanwege eigen schuld voor rekening van [eiser] behoort te blijven.

1.17.

Hetgeen [eiser] nog heeft gesteld met betrekking tot de resterende termijnen ter zake de overeenkomst V behoeft geen verdere inhoudelijke bespreking nu deze overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd. Dat geldt ook het beroep van [eiser] op strijd van enig in die overeenkomst V opgenomen beding met richtlijn 93/13/EEG dan wel met artikel 6:233 sub a BW jo. 6.237 lid 1 sub b en i BW.

Algemeen

1.18.

Van omstandigheden die meebrengen dat de billijkheid een andere verdeling van de schade eist dan volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is niet gebleken.

1.9.

Nu leaseovereenkomst VI niet rechtsgeldig is vernietigd of ontbonden zal

[eiser] aan de daaruit voortkomende betalingsverplichtingen dienen te voldoen voor zover deze meer bedragen dan de schade die volgens de bijlage door Dexia moet worden gedragen. De in aanmerking te nemen schade ter zake van de maandtermijnen komt voor 1/3 deel voor rekening van [eiser] .

1.20.

Dit betekent dat, na verrekening van de door Dexia te dragen schade als vastgesteld en na vermindering met hetgeen reeds aan Dexia is voldaan door verrekening of betaling, een en ander zoals berekend in de bijlage, door [eiser] nog een bedrag van
€ 31,99 aan Dexia zal moeten worden voldaan.

Dexia dient ingevolge de bijlage een bedrag van in totaal € 814,06 aan [eiser] te restitueren. Daarbij is rekening gehouden met het door [eiser] ontvangen batig saldo van € 2.336,92 uit een eerdere overeenkomst (met nummer [nummer 6] ).

Wettelijke rente

1.21.

[eiser] is over het door hem aan Dexia te betalen bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag waarop de betalingstermijn van de eindafrekening was verstreken, zijnde 19 maart 2006.

1.22.

Dexia is over het door haar aan [eiser] te betalen bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum van de eindafrekening, zijnde 9 maart 2006.

Overige

1.23.

Nu [eiser] ingevolge dit vonnis nog betalingsverplichtingen jegens Dexia heeft, wordt de vordering met betrekking tot de BKR-registratie afgewezen.

1.24.

Gelet op de uitslag van de procedure wordt Dexia veroordeeld in de kosten van het geding in conventie. De kantonrechter ziet - gezien de samenhang tussen het debat in conventie en in reconventie - aanleiding de proceskosten in reconventie op nihil te stellen.

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

verklaart voor recht dat de leaseovereenkomsten met nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] zijn vernietigd;

veroordeelt Dexia aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 20.459,96 , te vermeerderen met de wettelijke rente over het totaal van de voor 15 april 2003
aan Dexia gedane betalingen verminderd met de wettelijke rente over het totaal van voor die datum van Dexia ontvangen uitkeringen, een en ander vanaf die datum tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over elke eventuele na 15 april 2003 aan Dexia verrichte betaling, steeds vanaf het moment van betaling tot aan de dag der algehele voldoening, en verminderd met de wettelijke rente over elke na die datum van Dexia ontvangen uitkeringen, steeds vanaf het moment van ontvangst, tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Dexia aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 814,06, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 maart 2006 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op:

- voor verschuldigd griffierecht

448,00

- voor het exploot van dagvaarding

92,17

- voor salaris van gemachtigde

300,00

in totaal

840,17

een en ander, voor zover verschuldigd, inclusief btw;

in reconventie

veroordeelt [eiser] aan Dexia te voldoen een bedrag van € 31,99, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 19 maart 2003 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op nihil;

in conventie en in reconventie

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

VIII. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. M.S.F. Voskens, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter