Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:10059

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
13-06-2016
Zaaknummer
C/13/592460 / JE RK 15-996
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beeindiging van het ouderlijk gezag van de moeder van haar nog ongeboren kind

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Amsterdam

zaakgegevens : C/13/592460 / JE RK 15-996

datum uitspraak: 20 oktober 2015

beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Amsterdam,

betreffende

ONGEBOREN KIND [ongeboren kind], waarvan de geboorte wordt verwacht op of omstreeks [datum] .

[moeder] , wonende te [woonplaats] , is de moeder.

[vader] , wonende te [woonplaats] , is de vader.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: de moeder, de vader en de WILLIAM SCHRIKKER GROEP, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de WSG.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 19 augustus 2015, ingekomen bij de griffie op 20 augustus 2015.

Op 20 oktober 2015 heeft de meervoudige kamer de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- [naam 1] namens de Raad,

- [naam 2] namens de WSG.

Opgeroepen en niet verschenen zijn: de moeder en de vader.
De feiten


De moeder zal na de geboorte van rechtswege met het ouderlijk gezag over haar nu nog ongeboren kind zijn belast.

Het verzoek


De Raad heeft verzocht het gezag van de moeder direct na de geboorte van het nu nog ongeboren kind te beëindigen en de WSG tot voogd te benoemen. Subsidiair heeft de Raad een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing verzocht.

De standpunten

De Raad

[naam 1] heeft namens de Raad ter zitting gepersisteerd bij het verzoek.

Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat er ernstige zorgen zijn over de opvoedsituatie van de baby na de geboorte. Gezagsbeëindiging is de meest passende maatregel, omdat er sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de (ongeboren) baby en de verwachting gerechtvaardigd is dat moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen een voor de baby aanvaardbare termijn te dragen. De moeder is niet meer belast met het ouderlijk gezag over haar andere vier minderjarige kinderen. Dit omdate moeder in het verleden ten aanzien van haar andere kinderen te kort is geschoten in haar opvoedvaardigheden en dat zal ten aanzien van de nu nog ongeboren baby niet anders zijn. De moeder is niet in staat om sensitief en responsief op haar kinderen te reageren, omdat zij zich niet in kan leven in hun gevoelens en behoeften. Tevens is er sprake van agressieproblematiek.

Er zijn vermoedens van een verstandelijke beperking en psychiatrische problematiek bij de moeder. Aangezien de moeder stelselmatig weigert om mee te werken aan onderzoeken en met de hulpverlening, zijn er geen diagnoses gesteld.

De moeder accepteert geen pedagogische adviezen en weigert hulpverlening, waardoor de verzorging, veiligheid en stabiliteit van de baby na de geboorte in gevaar zal komen.

Over de vader is vrijwel geen informatie bekend en het is op dit moment onduidelijk welke rol hij na de geboorte zal vervullen. Gelet op de onduidelijke situatie van de vader acht de Raad het van belang dat de WSG met de voogdij wordt belast.

Subsidiair is verzocht de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing uit te spreken voor de duur van een jaar, om direct te kunnen handelen als het kind is geboren.

De Raad acht het van belang dat de baby direct na de geboorte in een pleeggezin wordt geplaatst om zijn veiligheid te kunnen borgen.

Het is de bedoeling dat de baby na de geboorte in hetzelfde pleeggezin als zijn broer [broer] gaat wonen.

WSG

[naam 2] heeft namens de WSG meegedeeld dat zij sinds twee weken ook de voogd van [broer] is. Zij heeft geen contact kunnen krijgen met de moeder. [broer] woont in een goed perspectief biedend pleeggezin en het gezin is voorbereid op de komst van de nu nog ongeboren baby. De omgang tussen de moeder en de kinderen is stopgezet, nadat de moeder [broer] kip met bot te eten had gegeven, waardoor hij bijna stikte en moeder desondanks niet ingreep.

De beoordeling

De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

Een ongeboren vrucht is als zodanig geen drager van rechten en plichten, maar op grond van artikel 1:2 van het BW wordt het kind waarvan een vrouw zwanger is als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert.
Daaruit leidt de rechtbank af dat een ongeboren vrucht de bescherming van het Nederlandse recht toekomt vanaf het moment dat redelijkerwijs moet worden geoordeeld dat het ongeboren kind de, overeenkomstig de laatste stand van de medische wetenschap te bepalen, levensvatbaarheidgrens is gepasseerd.

De (aanstaande) moeder is omstreeks 5 november 2015 uitgerekend en volgens informatie van de Raad zal de moeder rond 22 oktober 2015 ingeleid worden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in dit concrete geval het ongeboren kind de bescherming toekomt die het Nederlandse recht aan minderjarige kinderen toekent. Daaruit volgt dat, als de rechtbank in deze zaak tot de conclusie komt dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 1:266 BW, niets zich ertegen verzet het ongeboren kind als reeds geboren aan te merken en op die wijze het gezag te beëindigen.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is gebleken dat de moeder ten aanzien van haar andere minderjarige kinderen over onvoldoende pedagogische kwaliteiten beschikt om hen de verzorging en opvoeding te bieden die zij voor een goede ontwikkeling nodig hebben. Dit zal voor de nieuwe baby niet anders zijn, waardoor zijn/haar veiligheid in de ontwikkeling ernstig wordt bedreigd als de moeder na de geboorte belast blijft met het ouderlijk gezag.

Aangezien de moeder tevens stelselmatig weigert mee te werken met de hulpverlening, opvoedingsadviezen niet opvolgt en er vermoedens zijn van psychische problematiek, is de rechtbank met de Raad van oordeel dat de moeder niet in staat kan worden geacht – binnen een voor de persoon en ontwikkeling van de nu nog ongeboren baby aanvaardbare termijn – de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding op zich te nemen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen.

Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over de baby als hij/zij is geboren komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over hem/haar te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank acht het niet in het belang van de baby dat de vader wordt belast met de voogdij, omdat er thans geen zicht is op zijn situatie en onduidelijk is welke rol hij na de geboorte zal vervullen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat William Schrikker Jeugdbescherming, onderdeel van de WSG, moet worden belast met de voogdij.

De WSG heeft zich bij brief van 20 augustus 2015 bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.

De beslissing


De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van [moeder] over de [ongeboren kind] direct na de geboorte;

benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige William Schrikker Jeugdbescherming;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door

Mr. L. van der Heijden, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. H.C. Hoogeveen en J.P.C. van Dam van Isselt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.E. Thomas, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 oktober 2015.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam