Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:10058

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2015
Datum publicatie
13-06-2016
Zaaknummer
C/13/592763 / JE RK 15-1018
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schorsing gezag moeder, voorlopige voogdij naar JBRA

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Amsterdam

zaakgegevens : C/13/592763 / JE RK 15-1018

datum uitspraak: 10 september 2015

beschikking schorsing van het ouderlijk gezag

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Amsterdam.

betreffende

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

JEUGDBESCHERMING REGIO AMSTERDAM, hierna te noemen JBRA,

gevestigd te Amsterdam,

[moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. J. van Koesveld te Amsterdam.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 28 augustus 2015, ingekomen bij de griffie op 28 augustus 2015.

Op 10 september 2015 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- [minderjarige] en haar vader, die telefonisch apart zijn gehoord;

- de moeder en haar advocaat, bijgestaan door een tolk in de Ghanese taal,

- een vertegenwoordig(st)er van de Raad, [naam 1] .

De feiten


Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

[minderjarige] staat met ingang van 10 augustus 2015 in de Basisregistratie Persoonsgegevens geregistreerd als geëmigreerd en verblijft momenteel (tegen haar uitdrukkelijke wens in) in Ghana bij haar vader. Volgens Ghanees recht heeft vader in Ghana ook het gezag.

Het verzoek


De Raad heeft verzocht de moeder tijdelijk te schorsen in de uitoefening van het gezag en JBRA te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] .

Uit het rapport van de Raad van 28 augustus 2015 komt naar voren dat [minderjarige] een meisje is van Ghanese afkomst met de Nederlandse nationaliteit. Zij woont sinds 2010 in Nederland, na haar gehele leven in Ghana te hebben gewoond. In Nederland woont ze bij haar tante (mz) samen met haar oudere zus [zus] (14 jaar). Moeder woont in de buurt, maar onderling is besloten dat tante meer ruimte heeft om de zorg voor de kinderen op zich te nemen. Moeder heeft een zoon van vier jaar oud met haar nieuwe partner.

[minderjarige] verblijft momenteel in Ghana. Zij verkeerde in de veronderstelling naar Ghana te gaan voor vakantie, maar moeder wil haar niet terug laten keren naar Nederland. Haar paspoort is ingenomen door een kennis van moeder, waardoor [minderjarige] niet terug kan keren naar Nederland. [minderjarige] heeft getracht telefonisch contact op te nemen met moeder en tante, maar dit is haar niet gelukt. Zij heeft uiteindelijk de opvoedpoli gebeld en haar situatie uitgelegd. Haar vader heeft getracht een reisdocument voor haar te regelen via het Nederlandse consulaat in Ghana, maar omdat moeder het gezag heeft en haar toestemming vereist is voor afgifte van een reisdocument, is hem dit niet gelukt.

De zorgen van de Raad over de ontwikkeling van [minderjarige] betreffen met name haar sociaal emotioneel functioneren. [minderjarige] heeft aangegeven verdrietig en somber te zijn en heeft in april 2015 een suïcide poging ondernomen en voelt zich ongeliefd en ongewenst. Moeder vindt dat [minderjarige] overdrijft met haar huilerige gedrag en benoemt dat [minderjarige] thuis brutaal is. Zij zou per 17 augustus 2015 beginnen in de eerste klas van het VWO, maar is op school uitgeschreven vanwege het feit dat zij als geëmigreerd staat geregistreerd.

Veilig Thuis heeft zorgen gemeld over de opvoedingsomgeving op het gebied van basale zorg en veiligheid en opvoedershandelen. [minderjarige] heeft in januari 2015 aangegeven al jaren fysiek mishandeld te worden bij tante thuis; tante slaat haar. Bovendien zou [minderjarige] niet de medische hulp krijgen die ze nodig heeft. Ze heeft last van bloedneuzen nadat ze in oktober 2014 geslagen is, maar ondanks een verwijzing naar het AMC heeft tante nog geen afspraak gemaakt.

De Raad is van mening dat op grond van de melding en betrokkenen die gesproken zijn in dit onderzoek er sprake is van een ernstig vermoeden dat de gezaghebbende moeder haar gezag misbruikt en dat op grond hiervan het noodzakelijk is om het gezag van moeder per direct te schorsen. De maatregel is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen.

De bedreiging bestaat uit het feit dat [minderjarige] zonder hiervan door moeder op de hoogte te zijn gebracht en tegen haar uitdrukkelijke wil in nu in Ghana verblijft. Zij is somber en wil starten met de middelbare school, zoals de bedoeling ook was. [minderjarige] heeft, sinds zij weet dat moeder haar terugkeer blokkeert, zelf contact gezocht met de opvoedpoli en de politie Amsterdam en daarbij consequent de wens uitgesproken terug te willen keren. Ook vader wenst [minderjarige] naar Nederland terug te laten keren. Het ontbreekt hem aan financiële middelen om [minderjarige] de benodigde zorg en scholing te kunnen bieden in Ghana.

De Raad is van mening dat er een ernstig vermoeden bestaat dat moeder haar gezag misbruikt, nu zij er doelbewust voor heeft gezorgd dat [minderjarige] niet terug kan keren naar Nederland, terwijl moeder het leven van [minderjarige] heeft ingericht rondom een verblijf in Nederland en zij na de vakantie zou starten op de middelbare school. Ook na interventie door de politie weigert moeder afgifte van het paspoort van [minderjarige] , of te vertellen waar dit paspoort is. Daarnaast bagatelliseert moeder de zorgen die er zijn omtrent de opvoedsituatie en de zorgen omtrent [minderjarige] , bijvoorbeeld ten aanzien van haar suïcide poging. Moeder lijkt haar persoonlijke wensen en voorkeuren voorop te stellen en handelt daarmee niet in het belang van [minderjarige] .

Indien het gezag van moeder geschorst wordt, zal vader in Ghana, volgens Ghanees recht, belast zijn met het eenhoofdig gezag. Voor de Raad is echter genoeglijk gebleken dat dit eenhoofdig gezag onvoldoende is om per direct het benodigde reisdocument aan te vragen voor [minderjarige] op het consulaat waar gevraagd wordt om toestemming van moeder dan wel van een Nederlandse voogd. Hierdoor is de Raad van mening dat vader niet in staat is zijn gezag zodanig uit te oefenen dat hij ervoor zorg kan dragen dat [minderjarige] kan uitreizen en daarmee kan terugkeren naar Nederland, en dat hij daardoor feitelijk in de onmogelijkheid verkeert zijn gezag uit te oefenen.

Hierdoor zal bij de schorsing van het gezag van moeder alsnog een gezagsvacuüm ontstaan waardoor een voorziening in het gezag middels een voorlopige voogdijmaatregel per direct noodzakelijk is.

Indien JBRA wordt belast met de tijdelijke voogdij kan JBRA een toestemmingsverklaring ondertekenen bij het Gemeentehuis, zodat [minderjarige] in Ghana een reisdocument kan aanvragen. JBRA dient [minderjarige] te begeleiden naar Nederland en haar bij terugkomst te plaatsen in een pleegopvang.

Het verweer

Moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek. Zij heeft aangevoerd in samenspraak met de vader van [minderjarige] te hebben besloten dat het beter voor [minderjarige] was om voor een langere periode bij haar vader in Ghana te verblijven, omdat zij in Nederland aan het ontsporen was. Er bestaat scholing in Ghana en de moeder heeft gemeend dat de opvoedkundige hand van vader [minderjarige] goed zou doen. Zij is oprecht van mening dat het in het beste belang van [minderjarige] is om voor langere tijd in Ghana bij haar vader te blijven. Moeder betwist dat zij misbruik heeft gemaakt van haar gezag door [minderjarige] in Ghana te laten verblijven waarmee zij van mening is dat er geen wettelijke grondslag aanwezig is om haar te schorsen in haar gezag over [minderjarige] .

Ter zitting heeft moeder toegezegd, dat indien de rechtbank van oordeel is dat [minderjarige] naar Nederland dient terug te keren, zij bereid is hieraan haar medewerking te verlenen.

De belanghebbenden

[minderjarige] en haar vader zijn telefonisch gehoord door de kinderrechter. [minderjarige] heeft aangegeven niet in Ghana te willen verblijven. Zij wil zo snel mogelijk terugkeren naar Nederland en naar school gaan. Zij realiseert zich dat zij in Nederland niet bij haar moeder kan wonen, maar heeft met de Opvoedpoli de mogelijkheid besproken om in een pleegezin te gaan wonen en daar kan [minderjarige] zich in vinden.

De vader van [minderjarige] heeft betwist dat hij en de moeder een afspraak hadden om [minderjarige] voor langere tijd in Ghana te laten verblijven. Er is bewust een vliegticket gekocht voor de vakantieperiode, zodat [minderjarige] op tijd terug in Nederland zou zijn om naar school te gaan.

De beoordeling

bevoegdheid

Ingevolge artikel 265 Rv is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige.

Ingevolge artikel 1:12, eerste lid BW volgt een minderjarige de woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent.

Nu de gezaghebbende ouder woonplaats heeft in Amsterdam is de rechtbank Amsterdam bevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat nu [minderjarige] tegen haar wil in Ghana verblijft en haar verblijf buiten Nederland bedoeld was van tijdelijke aard te zijn, zij geacht kan worden haar woonplaats in Amsterdam te hebben behouden.

Gezag
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat door moeders handelen [minderjarige] thans tegen haar wil in Ghana verblijft. [minderjarige] is een minderjarig Nederlands meisje die tot voor kort woonachtig was in Nederland en is geworteld in de Nederlandse samenleving. Zij is hier leerplichtig en dient zo spoedig mogelijk terug naar Nederland te keren om haar veiligheid en positieve ontwikkeling te waarborgen en ervoor te zorgen dat zij zo spoedig mogelijk kan beginnen op de middelbare school die inmiddels is gestart. Daarbij heeft [minderjarige] aangegeven ongelukkig te zijn in Ghana en suïcidale gedachten te hebben. Gelet op het feit dat zij eerder een suïcidepoging heeft ondernomen acht de rechtbank het gevaar aanwezig dat zij een nieuwe poging zal ondernemen indien zij niet spoedig kan terugkeren naar Nederland.

De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:268, eerste lid, sub a, BW, een ouder geheel of gedeeltelijk in de uitoefening van het gezag kan schorsen, indien de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. Er dient dan een ernstig vermoeden te bestaan dat de ouder het gezag misbruikt.

Door [minderjarige] moedwillig niet terug te laten keren naar Nederland, tegen de wil van [minderjarige] en vader in, heeft moeder naar het oordeel van de rechtbank misbruik van haar gezag gemaakt.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting komt een consistent verhaal naar voren van [minderjarige] , haar vader en de Raad, wat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat aan het criterium van artikel 1:268, eerste lid, sub b BW is voldaan. De rechtbank zal daarom het verzoek tot schorsing van de moeder in de uitoefening van het gezag toewijzen.

Op grond van artikel 1:268, derde lid, BW zal de rechtbank JBRA belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige] . De rechtbank merkt daarbij uitdrukkelijk op dat JBRA bevoegd is een reisdocument aan te vragen voor [minderjarige] .

De beslissing


De rechtbank:

schorst [moeder] , geboren op [geboortedatum] , wonende te [woonplaats] in de uitoefening van het ouderlijk gezag over [minderjarige] met ingang van heden tot 10 december 2015;

belast Jeugdbescherming Regio Amsterdam, Amsterdam, met de voorlopige voogdij over [minderjarige] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. van Slooten als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2015.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam