Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2015:10000

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-12-2015
Datum publicatie
04-05-2016
Zaaknummer
C/13/588343 / HA RK 15-176
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een 843a Rv-vordering kan niet bij verzoekschrift worden ingesteld, ook niet samen met een verzoek voorlopig getuigenverhoor. Wisselbepaling 69 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/588343 / HA RK 15-176

Beschikking van 24 december 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[autobedrijf],

gevestigd te [plaats 1] ,

verzoekster,

advocaat mr. H.P. Plas te Zwolle,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RCI FINANCIAL SERVICES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster,

advocaat mr. T.P. Hoekstra te Amsterdam,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

NISSAN WEST EUROPE S.A.S.,

tevens handelend onder de naam Nissan Nederland,

gevestigd te Trappes, Frankrijk,

verweerster,

advocaat mr. H.M. Cornelissen te Amsterdam.

Verzoekster wordt hierna aangeduid met [autobedrijf] . Verweersters worden hierna aangeduid met RCI en Nissan.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 12 juni 2015,

- de tussenbeschikking van 16 juli 2015, houdende bepaling mondelinge behandeling,

- het verweerschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 20 oktober 2015,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van het verzoekschrift, gehouden op 29 oktober 2015, met de daarin genoemde stukken.

1.2.

De beschikking is bepaald op heden. Partijen zijn op de hoogte gesteld van de gewijzigde beschikkingsdatum.

2 De feiten

2.1.

[autobedrijf] exploiteert sinds 55 jaar een autobedrijf in [plaats 1] .

2.2.

[autobedrijf] is sinds 45 jaar een servicepunt van het merk Nissan. Op basis van de tussen Nissan en [autobedrijf] gesloten “Nissan Dealer verkoop- en service overeenkomst” heeft [autobedrijf] ook een dealerschap van het merk Nissan. De initiële overeenkomst is verlengd bij overeenkomst gesloten tussen [autobedrijf] en Nissan op 8 april 2013 (hierna: de dealerovereenkomst). De dealerovereenkomst luidt, voor zover thans relevant, als volgt.

“(…)

49. Beëindiging middels kennisgeving

Beide Partijen kunnen deze Overeenkomst middels een voorafgaande schriftelijke kennisgeving (welke geen redenen voor beëindiging hoeft te bevatten) ten aanzien van één of meerdere contractspartijen (geheel of gedeeltelijk) opzeggen met inachtneming van een minimale opzegtermijn van 24 maanden. In de gevallen waarin het voor Nissan Nederland noodzakelijk is om het gehele of een substantieel gedeelte van één of meerdere Nissan Distributienetwerken in Nederland te reorganiseren, geldt in tegenstelling tot het voorgaande, dat Nissan Nederland deze Overeenkomst middels een schriftelijke kennisgeving (geheel of gedeeltelijk) kan opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van minimaal 12 maanden. (…)”

2.3.

RCI maakt haar bedrijf van de financiering van diverse activiteiten van (onder andere) Nissan Dealers. Voor de financiering van (voorraad en demo) voertuigen alsmede de inkoop van Nissan-onderdelen heeft [autobedrijf] op 28 april 2008 een financieringsovereenkomst met RCI gesloten (hierna: de financieringsovereenkomst). De financieringsovereenkomst luidt, voor zover thans van belang, als volgt.

“(…)

6. Ontbinding en Vervroegde Opeisbaarheid

6.1.

RCI is gerechtigd om de Mantelovereenkomst te ontbinden indien de Dealer in strijd handelt met één van de hierna genoemde bepalingen of verplichtingen, zodra RCI de Dealer in gebreke heeft gesteld en een naar omstandigheden redelijke termijn heeft gegund om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen:

(…)

- de verplichting om alle verschuldigde bedragen uiterlijk op de overeengekomen vervaldatum te hebben betaald; (…)

Indien de Dealer in strijd met één van bovengenoemde verplichtingen handelt is RCI gerechtigd om de financiering stop te zetten. Alle uit hoofde van de Mantelovereenkomst verschuldigde bedragen zullen dan onmiddellijk opeisbaar worden. (…)

6.2.

RCI is gerechtigd om de Mantelovereenkomst met onmiddellijke ingang te ontbinden, zonder dat een ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst is vereist, in geval:

(…)

  • -

    enige andere kredietfaciliteit of lening die aan de Dealer is verstrekt, voortijdig opeisbaar wordt als gevolg van verzuim van de Dealer.

  • -

    de Dealer, enige uit deze Mantelovereenkomst c.q. uit enige andere overeenkomst met RCI voortvloeiende verplichting, na door RCI schriftelijk in gebreke te zijn gesteld niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomt;

  • -

    het Dealercontract om welke reden dan ook door Importeur of de Dealer is ontbonden of van rechtswege eindigt; (…)

7 Duur en opzegging

7.1.

De in deze Mantelovereenkomst vervatte bepalingen treden in werking op de datum van ondertekening en gelden voor onbepaalde tijd. (…) Naast de in artikel 6 genoemde gevallen en met inachtneming van het bepaalde in artikel 6.7 kan de werking van de Mantelovereenkomst tussen partijen door elk van hen met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden per aangetekend schrijven worden opgezegd (…)”

2.4.

Op de dealerovereenkomst is het “Contractaanhangsel bij Nissan Dealer Verkoop- & Service Overeenkomst voor de periode: 1 januari 2015 - 31 december 2015” van toepassing (hierna: het addendum)

. Het addendum luidt, voor zover thans relevant, als volgt.

“(…)

14 Inkoopprijs, facturering en betaling

(…)

14.2.

Nissan Nederland heeft RCI Financial Services B.V. (…) aangewezen als enige organisatie aan wie alle van Nissan Nederland afkomstige facturen bevrijdend kunnen worden betaald. (…) Deze facturen dienen in beginsel op de factuurdatum te worden voldaan (…) bij gebreke waarvan rente verschuldigd wordt en Nissan Nederland gerechtigd is om verdere leveringen uit hoofde van de Overeenkomst direct stop te zetten. (…)

14.3.

Het staat Dealer vrij daarnaast bepaalde financieringsdiensten van RCI af te nemen. (…)”

2.5.

Bij brief van 20 november 2013 bericht [naam 1] RCI (hierna: [naam 1] ) onder meer als volgt aan [autobedrijf] .

“(…)

Op 25 maart 2013 heeft een persoonlijk onderhoud plaatsgevonden te Schiphol – Rijk, waarbij de slechte betaalhistorie één van de onderwerpen van gesprek was. U heeft ons in dit gesprek toegezegd om verbeteringen in uw betaalgedrag aan te brengen en in de toekomst niet meer te zullen storneren. Helaas moeten wij constateren dat u deze toezegging niet heeft nagekomen of niet heeft kunnen nakomen: In de maand oktober 2013 heeft u maar liefst 10x gestorneerd en in deze lopende maand november 2013 is er reeds 5 x gestorneerd.

Hiermee heeft u de grens van het acceptabele ver overschreden en daarom delen wij u mede dat RCI geen nieuwe kentekens meer wenst af te geven zonder cash betaling. (…)”

2.6.

Bij brief van 9 februari 2015 berichten [naam 1] en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) namens RCI als volgt aan [autobedrijf] .

“(…)

In aansluiting op onze brief d.d. 25 januari 2015 constateren wij dat wij geen enkele betaling hebben ontvangen inzake de huidige en voor RCI onacceptabele achterstand van € 205.689,01. Inmiddels is dit bedrag opgelopen tot € 230.964,87 in verband met de storno d.d. 2 februari jl. (…) Wij stellen u daarom thans in gebreke en wij geven u tot uiterlijk 15 februari 2015 om genoemd totaal bedrag van € 230.964,87 aan ons over te maken (…)

Indien wij op genoemde datum geen betaling hebben ontvangen van de totale achterstand dan zullen wij de Mantelovereenkomst ontbinden en dan zullen wij onze rechten gaan uitoefenen. (…)”

2.7.

Bij brief van 11 februari 2015 berichten [naam 3] (hierna: [naam 3] ) en [naam 4] (hierna: [naam 4] ) namens [autobedrijf] als volgt aan RCI.

“(…)

Het is ons duidelijk dat wij teveel voorraadauto’s hebben ontvangen van Nissan. Deze voorraadwagens hadden in mindere mate besteld moeten worden, daar hebben wij ook maatregelen op genomen. (…)

Al vanaf oktober 2014 hebben wij intensief contact met RCI om alles duidelijk te bespreken, een aantal maatregelen zijn uwerzijds genomen. [autobedrijf] betaald een auto vooraf, niet onze keuze. Hiermee loopt RCI geen risico, echter zijn wij van mening dat intern bij RCI soms fouten worden gemaakt. (…)

Wij hebben van u gevraagd waaruit uw tekort van € 230.964,87 uit bestaat, wij hebben van u tot op heden geen onderbouwing gekregen van dit bedrag. (…)

Aan onderdelenfacturen staan voor € 7.116,15 bij storno’s, dit kunnen wij specificeren. Wij vragen u vriendelijk ons aan te geven waar de overige bedragen van zijn, welke wij niet kunnen specificeren, maar wel een vermoeden waar dat aan kan liggen. [autobedrijf] betaald vooraf aan u een wagen, welke wij uitleveren, maar zien uw interne boeking niet. Wellicht heeft u zelf een fout gemaakt. Wij staan er geheel voor open om dit met u door te nemen, dit is in uw belang. (…)”

2.8.

Bij brief van 18 februari 2015 berichten [naam 2] en [naam 1] als volgt aan [autobedrijf] .

“(…)

Ondanks sommaties onzerzijds op 25 januari en 9 februari jl. hebben wij moeten constateren dat wij tot op heden geen enkele betaling hebben ontvangen. Wij merken op dat [autobedrijf] nu al geruime tijd in verzuim is. Wij zullen dan ook de financiering van uw bedrijf staken en de nog onbetaalde voertuigen ophalen indien de uitstaande vordering van EUR 230.964,87 niet binnen 48 uren, te weten voor vrijdag 20 februari as. wordt voldaan. (…)”

2.9.

Bij brief van 20 februari 2015 berichten [naam 3] en [naam 4] als volgt aan RCI.

“(…)

Wij hebben herhaaldelijk gevraagd om een overzicht van de vermeende storno’s en of achterstand. Pas 18 februari om 09.33 uur hebben wij deze van RCI ontvangen, uw heer [naam 5] heeft e.e.a. uitgezocht en aangegeven hoe in uw administratie het tekort is opgenomen. Het blijkt dat diverse zaken intern bij u zijn verrekend. (…)

Wij hebben met uw heer [naam 5] alle details besproken en zijn overgegaan tot betalen. Alle onderdelen, achterstallige BPM en Demo wagens zijn vandaag betaald. (…)”

2.10.

Bij brief van 24 februari 2015 zegt Nissan de dealerovereenkomst met [autobedrijf] per 24 februari 2017 op. Daarnaast bevat de brief een sommatie en een voorwaardelijke ontbinding van de dealerovereenkomst. Deze brief luidt, voor zover thans relevant, als volgt.

“(…)

Tussen Nissan (…) en (…) [autobedrijf] (…) bestaat thans een “Nissan Dealer Verkoop- en Service Overeenkomst” (versie 1 juni 2013) voor het huidige primaire verzorgingsgebied en hoofdverkooppunt [plaats 1] (Dealerovereenkomst)

a. Reguliere opzegging

Op grond van artikel 49 van de Dealerovereenkomst zegt Nissan Nederland hierbij deze Dealerovereenkomst – zonder opgaaf van redenen – regulier op met inachtneming van de contractuele opzegtermijn van vierentwintig (24) maanden.

Dit betekent dat de Dealerovereenkomst en de handelsrelatie tussen partijen (uiterlijk) op 24 februari 2017 definitief zal eindigen (…)

Gedurende de opzegtermijn is [autobedrijf] gehouden haar contractuele verplichtingen te blijven nakomen. Dat geldt uiteraard ook voor Nissan. Voor de gevolgen van beëindiging verwijzen wij u alvast naar artikel 52 van de Dealerovereenkomst, maar over de praktische afwikkeling van de handelsrelatie zullen we te zijner tijd contact met u opnemen.

(…)

c. Financiële situatie: sommatie en voorwaardelijke ontbinding Dealerovereenkomst

Dat de financiële situatie van [autobedrijf] meer dan zorgelijk is, blijkt uit het feit dat Nissan vernomen heeft dat RCI Financial Services B.V. (RCI) de tussen haar en [autobedrijf] gesloten Mantelovereenkomst (…) met onmiddellijke ingang heeft ontbonden wegens de algehele financiële situatie van, alsmede wanbetaling en storneringen door [autobedrijf] .

Vanzelfsprekend neemt Nissan deze gebeurtenissen hoog op. Als gevolg daarvan zal RCI (…) onder meer de door [autobedrijf] onbetaalde Nissan-voertuigen in vuistpand nemen, dan wel beslag daarop leggen. Het spreekt voor zich dat daarmee de voortzetting van (…) het Nissan-dealerbedrijf in accuut gevaar is gekomen. Dit is voor Nissan onaanvaardbaar. (…) Het voorgaande levert voor Nissan dan ook een grond op om ook de Dealerovereenkomst met onmiddellijke ingang te ontbinden (…).

Nissan geeft u hierbij echter achtenveertig (48) uur de tijd (…) om de deugdelijke, directe voortzetting van (…) het Nissan-dealerbedrijf alsnog (…) te garanderen, bij gebreke waarvan Nissan de Dealerovereenkomst hierbij op voorhand met onmiddellijke ingang ontbindt wegens de ontstane (financiële) situatie. (…)

2.11.

Bij brief van 20 maart 2015 hebben [naam 1] en [naam 2] onder meer als volgt bericht aan [autobedrijf] .

“(…)

Vrijdag 16 maart jl. zijn wij vergezeld van een deurwaarder en een transportbedrijf naar uw bedrijf afgereisd teneinde de bij [autobedrijf] aanwezige, door ons gefinancierde producten in executoriaal pandbeslag te nemen. Eenmaal bij uw bedrijf aangekomen heeft alsnog het uitstaande bedrag van € 102.480,79 betaald. RCI is buitengewoon ontstemd erover dat het zover moest komen, alvorens u tot betaling overging van hetgeen waartoe RCI - uiteindelijk- onbetwist gerechtigd was. Voor een voortzetting van de financieringsrelatie is dan ook geen ruimte meer.

Gelet op alle onrechtmatige storneringen van incasso’s door RCI ten laste van [autobedrijf] , de weigeringen aan RCI verschuldigde bedragen (tijdig) te betalen en het niet voldoen aan de financieringseisen van RCI houdt RCI vast aan de ontbinding

(…)”

3. Het verzoek inzake het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor en het verweer

3.1.

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen. [autobedrijf] legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag.

3.2.

[autobedrijf] sloot telkens met haar vaste contactpersoon bij RCI, de heer [naam 5] (hierna: [naam 5] ), de financieringen van objecten kort. Deze financieringen hadden een bepaalde looptijd die [autobedrijf] in overleg met [naam 5] kon verlengen. Opeens werd [autobedrijf] geconfronteerd met de situatie dat RCI bedragen als opeisbaar ging incasseren terwijl [autobedrijf] met [naam 5] was overeengekomen dat voor deze bedragen een verlenging tot stand was gekomen. Voorts boekte RCI door [autobedrijf] aan RCI betaalde bedragen op een verkeerde niet opeisbare vordering af. RCI heeft middels deze handelwijze gekoerst op een situatie waarin zij bewust verzuim van [autobedrijf] veroorzaakte, zodat zij vervolgens de financieringsovereenkomst met onmiddellijke ingang kon ontbinden. Nu [autobedrijf] echter feitelijk niet in verzuim verkeerde en telkens aan haar verplichtingen uit hoofde van de financieringsovereenkomst heeft voldaan, is RCI - door de ontbinding - toerekenbaar tekort geschoten jegens [autobedrijf] . Voorts is de handelwijze van RCI in strijd met de redelijkheid en billijkheid en in strijd met de contractuele bepalingen. Vervolgens is Nissan toerekenbaar tekort geschoten jegens [autobedrijf] door de dealerovereenkomst op te zeggen met onmiddellijke ingang op grond van door RCI verkregen onjuiste informatie die zij heeft nagelaten te verifiëren. Voorts hebben RCI en Nissan onrechtmatig jegens [autobedrijf] gehandeld, nu RCI en Nissan hebben samengespannen door in onderling overleg af te koersen op een situatie waarin RCI de financieringsovereenkomst met [autobedrijf] kon ontbinden, zodat Nissan vervolgens kon profiteren van de door RCI gepleegde wanprestatie (namelijk door deze ontbinding aan te grijpen voor opzegging van de dealerovereenkomst). Met het houden van een voorlopig getuigenverhoor wil [autobedrijf] , met het oog op een te entameren bodemprocedure, aantonen dat zij niet in verzuim verkeerde jegens RCI en wenst zij voorts duidelijkheid krijgen over de gang van zaken rondom de opzegging/ontbinding van de overeenkomsten. Om haar proceskansen in te kunnen schatten is het van belang om de feiten en omstandigheden omtrent de intentie van RCI achter het ontbinden van de financieringsovereenkomst en de wetenschap van Nissan ten aanzien van deze intentie in kaart te brengen, aldus steeds [autobedrijf] .

3.3.

[autobedrijf] wenst de volgende getuigen te (doen) horen:

  1. [getuige sub 1] ;

  2. [getuige sub 2] ;

  3. [getuige sub 3] ;

  4. [getuige sub 4] ;

  5. [getuige sub 5] ;

  6. [naam 2] ;

  7. [naam 1] ;

  8. [naam 5] ;

  9. [getuige sub 9] ;

  10. [naam 3] ; en

  11. [naam 4] .

3.4.

RCI verzet zich tegen inwilliging van het verzoek en voert hiertoe het volgende aan. [autobedrijf] wenst middels het horen van getuigen onder meer te bewijzen dat RCI en Nissan over het beëindigen van de financieringsovereenkomst en de dealerovereenkomst overleg hebben gevoerd en dat zij oneigenlijke gronden hadden voor de beëindiging. Vervolgens wenst zij in de hoofdprocedure onder meer de vraag voor te leggen of RCI de financieringsovereenkomst met [autobedrijf] rechtsgeldig heeft beëindigd. De feiten die [autobedrijf] middels het voorlopig getuigenverhoor wenst te bewijzen zijn echter niet van belang voor de rechtsvraag die voorligt. Indien [autobedrijf] volgens de contractuele bepalingen gerechtigd was de financieringsovereenkomst op te zeggen is het immers niet van belang of tussen RCI en [autobedrijf] overleg heeft plaatsgevonden over deze beëindiging en of zij oneigenlijke gronden en/of belangen hadden om tot deze beëindiging te komen. Het verzoek dient aldus afgewezen te worden wegens gebrek aan belang. Voorts wenst [autobedrijf] middels het voorlopig getuigenverhoor aan te tonen dat de vermoede gesprekken onrechtmatig zijn geweest en wenst [autobedrijf] te bewijzen dat zij niet in verzuim verkeerde. Dit betreffen echter juridische kwalificaties en geen feiten of omstandigheden waarover een getuige zou kunnen verklaren. Tevens zullen de getuigen [getuige sub 5] , [naam 1] en [getuige sub 9] geen antwoord kunnen geven over de punten waarover [autobedrijf] opheldering wenst nu zij niets te doen hadden met de onderhavige kwestie. Het voorgestelde voorlopig getuigenverhoor dient daarmee geen enkel zinnig doel, aldus steeds RCI.

3.5.

Ook Nissan verzet zich tegen het verzoek van [autobedrijf] en voert hiertoe als volgt aan. [autobedrijf] wenst middels het voorlopig getuigenverhoor aan te tonen dat overleg heeft plaatsgevonden tussen Nissan en RCI over de contractbeëindiging met het oogmerk zo spoedig mogelijk afscheid te kunnen nemen van [autobedrijf] . Nissan ontkent en betwist niet dat er op regelmatige basis overleg plaatsvindt tussen haar en RCI. Nissan, RCI en iedere Nissan-dealer zijn zelfs expliciet overeengekomen dat RCI Nissan op de hoogte brengt van een eventuele situatie op grond waarvan de financieringsovereenkomst kan worden beëindigd en die van invloed kan zijn op de relatie tussen Nissan en de desbetreffende Nissan-dealer. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval sprake. Nu Nissan niet ontkent dat er overleg met RCI heeft plaatsgevonden en zij de beëindiging van de dealerovereenkomst heeft gebaseerd op de overeengekomen contractsbepalingen heeft [autobedrijf] geen enkel belang bij het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor. Het verzoek dient dan ook afgewezen te worden wegens gebrek aan belang. Voorts zien de punten die [autobedrijf] middels het voorlopig getuigenverhoor wenst te bewijzen niet op voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden nu dit juridische kwalificaties betreffen en zijn zij voorts onvoldoende concreet. Ten slotte maakt Nissan bezwaar tegen het grote aantal van de te horen getuigen en specifiek tegen het horen van de getuigen [getuige sub 3] , [getuige sub 1] en [getuige sub 4] nu zij geen antwoord kunnen geven over de punten waarover [autobedrijf] opheldering wenst. Bovendien is [getuige sub 1] woonachtig in [plaats 2] , aldus steeds Nissan.

4 De vordering ex 843a Rv

4.1.

In het verzoekschrift vordert [autobedrijf] voorts - kort gezegd - om RCI c.s. te bevelen afschrift van c.q. inzage te verstrekken in alle tussen 1 januari 2014 en 10 juni 2015 opgemaakte en op [autobedrijf] betrekking hebbende bescheiden die RCI c.s. en/of haar (voormalig) medewerkers ter beschikking of onder berusting heeft dan wel hebben verschaft.

4.2.

RCI en Nissan voeren verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

Verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor

5.1.

Uitgangspunt bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige is dat de rechter in beginsel op de voet van artikel 186 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), gelezen in samenhang met artikel 166 Rv, een getuigenverhoor beveelt zo vaak een partij dit verzoekt, indien de te bewijzen feiten zijn betwist, het bewijs daarvan door getuigen is toegelaten en de te bewijzen feiten tot een beslissing in de zaak kunnen leiden. Het voorlopig getuigenverhoor strekt er vooral toe verzoeker bij een eventueel naderhand aanhangig te maken bodemprocedure de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de (hem wellicht nog niet precies bekende) feiten, zulks teneinde hem in staat te stellen zijn positie beter te beoordelen.

5.2.

Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan evenwel, ook als het verder aan de eisen voor toewijzing voldoet, onder meer worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt. Ook kan toewijzing van het verzoek achterwege blijven indien het strijdig is met een goede procesorde, dan wel indien toewijzing van het verzoek moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig beoordeeld bezwaar. Voorts is ook de in artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) neergelegde regel, dat zonder belang niemand een rechtsvordering toekomt, op het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van toepassing.

5.3.

RCI en Nissan verweren zich allereerst met de stelling dat [autobedrijf] geen dan wel onvoldoende belang heeft bij haar verzoek nu de feiten die [autobedrijf] middels het voorlopig getuigenverhoor wenst te bewijzen niet relevant zijn voor de rechtsvraag die voorligt en zij deels reeds vaststaan. Dit verweer gaat niet op. De rechtbank begrijpt, na nadere toelichting ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, dat de door [autobedrijf] beoogde vragen zien op feiten en omstandigheden waaruit - samengevat - blijkt

1) dat de hiervoor vermelde afspraken met [naam 5] en anderen bij RCI en Nissan zijn gemaakt (zie 3.2), ten gevolge waarvan geen sprake was van verzuim van [autobedrijf] onder de financieringsovereenkomst,

2) dat RCI, in overleg met Nissan, heeft afgekoerst op een situatie waarin zij de financieringsovereenkomst met onmiddellijke ingang en op een voor RCI en Nissan voordelige manier kon ontbinden, terwijl [autobedrijf] daartoe geen aanleiding gaf, en

3) dat Nissan van deze situatie welbewust gebruik heeft gemaakt om de dealerovereenkomst op te zeggen.

Deze vragen acht de rechtbank relevant ter beoordeling van de verdere proceskansen van [autobedrijf] . Indien immers wordt bewezen dat sprake was van de gestelde samenspanning en de overeenkomsten op oneigenlijke gronden zijn opgezegd/ontbonden, kan dit van invloed zijn voor de beoordeling in de (te entameren) hoofdprocedure. Dit kan in ieder geval niet bij voorbaat worden uitgesloten. Nu partijen voorts verdeeld zijn over de feiten die volgens RCI en Nissan ertoe hebben geleid dat zij gerechtigd waren de overeenkomsten op te zeggen danwel te ontbinden, is het ook van belang dat [autobedrijf] hierover tijdens het voorlopig getuigenverhoor duidelijkheid kan verkrijgen over de haar wellicht nog niet precies bekende feiten. Het voorlopig getuigenverhoor is daarvoor bij uitstek bedoeld.

Om dezelfde reden kan evenmin worden gezegd dat sprake is van een ‘fishing expedition’; [autobedrijf] heeft in haar verzoekschrift en ter mondelinge behandeling voldoende duidelijk en concreet omschreven welke stellingen en de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden zij wenst te bewijzen en welke getuigen hierover kunnen verklaren. Het verweer van Nissen en RCI wordt verworpen.

5.4.

De rechtbank voegt hier nog aan toe dat ook het aantal van de aangevoerde getuigen en het feit dat de getuige [getuige sub 1] woonachtig is in [plaats 2] geen aanleiding geeft het verzoek van [autobedrijf] wegens strijd met de goede procesorde af te wijzen. Dat het enige tijd zal duren voordat alle getuigen zijn gehoord en dat daar kosten aan zijn verbonden is als zodanig onvoldoende. Gesteld noch gebleken is dat de tijdsinvestering en de kosten in dit geval zodanig zijn dat er wel sprake is van strijd met de goede procesorde.

5.5.

Nu verder niet is gesteld noch is gebleken dat sprake is van strijd met de goede procesorde dan wel dat toewijzing van het verzoek moet afstuiten op een ander, door de rechter zwaarwichtig beoordeeld bezwaar, is het verzoek op de wet gegrond en dient het verzoek te worden toegewezen.

5.6.

De rechtbank zal om proceseconomische redenen wel bepalen dat eerst drie getuigen zullen worden gehoord en dat verdere getuigen worden gehoord in overleg met de rechter-commissaris. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld hun verhinderdata voor de aankomende drie maanden aan de rechtbank door te geven, waarna het verhoor zal worden bepaald met inachtneming van deze verhinderdata.

5.7.

Aangezien de advocaten van RCI en Nissan een afschrift van deze beschikking ontvangen, is [autobedrijf] niet gehouden RCI en Nissan op voet van artikel 190 Rv een afschrift van deze beschikking te zenden

Vordering ex artikel 843a Rv

5.8.

[autobedrijf] heeft aangevoerd dat zij deze vordering, hoewel deze strikt genomen

door middel van een dagvaarding moet worden ingeleid, om proceseconomische redenen combineert met haar verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Volgens [autobedrijf] past het binnen de deformaliseringstendens in het procesrecht en is het in lijn met aanstaande wetgeving, waarin het onderscheid tussen de dagvaardings- en verzoekschriftprocedure wegvalt, om ook in een verzoekschriftprocedure maatregelen ex artikelen 843a Rv te kunnen treffen. Voor zover in de onderhavige verzoekschriftprocedure geen plaats is voor toewijzing van de 843a Rv- maatregel, wordt verzocht toepassing te geven aan de wisselbepaling van artikel 69 Rv.

RCI en Nissan refereren zich ten aanzien van de bevoegdheid aan het oordeel van de rechtbank.

5.9.

Het verzoek van [autobedrijf] beoogt van de rechtbank, naast het verlof tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, een zelfstandige beslissing te krijgen als bedoelt in artikel 843a Rv. Een dergelijke beslissing dient te worden ingeleid met een dagvaarding, ook in een situatie als de onderhavige, waar de feitelijke onderbouwing ervan nauw samenhangt met de onderbouwing van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. De verwijzing naar toekomstige wetgeving kan [autobedrijf] niet baten. Immers, de behandeling van het Wetsvoorstel tot aanpassing van de huidige regeling betreffende het recht op afschrift van bescheiden is begin 2014, in afwachting van een verdere uitwerking van de modernisering van het civiele bewijsrecht, op de lange baan geschoven (zie hiervoor brief van 21 februari 2014 van de Minister van Veiligheid en Justitie, Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 079, nr. 6). Ten aanzien van het Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in het kader van het programma Kwaliteit en Innovatie Rechtspraak (programma KEI) geldt eveneens dat de beoogde wetswijziging nog niet door de wetgever is vastgesteld en het, gelet op meerdere aanhoudingen van de behandeling van het wetsvoorstel, thans onduidelijk is wanneer het wetsvoorstel zal worden aangenomen. Nu het derhalve ongewis is wanneer de beoogde wetswijzigingen daadwerkelijk in werking zullen treden, ziet de rechtbank geen aanleiding daarop vooruit te lopen. Dit geldt te meer nu het hier een regel van formeel procesrecht betreft, waarbij extra terughoudendheid op zijn plaats is bij het vooruitlopen van toekomstige wetgeving.

5.10.

Artikel 69 Rv bepaalt, voor zover hier relevant:

“1. Indien een procedure met een verzoekschrift is ingeleid in plaats van met een dagvaarding of met een dagvaarding in plaats van met een verzoekschrift, beveelt de rechter, zo nodig, de aanlegger binnen een door de rechter te bepalen termijn op kosten van de aanlegger het stuk waarmee de procedure is ingeleid, te verbeteren of aan te vullen. De procedure is aanhangig vanaf de oorspronkelijke dag van indiening of dagvaarding.

2. De rechter beveelt voorts, zo nodig met verwijzing naar een andere kamer, dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure respectievelijk de verzoekschriftprocedure.

zal de rechtbank bevelen dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt zal worden voortgezet volgens de regels van de verzoekschriftprocedure.

3. Beveelt de rechter dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure, dan bepaalt hij tevens een dag waarop de zaak op de rol zal komen. Heeft nog geen oproeping van de verweerder plaatsgevonden, dan beveelt hij dat deze dag door de aanlegger bij exploot aan de verweerder wordt aangezegd.

4. De rechter stelt partijen, zo nodig, in de gelegenheid hun stellingen aan de dan toepasselijke procesregels aan te passen.

[…]”

5.11.

De rechtbank zal op de voet van artikel 69 Rv bevelen dat de 843a-zaak, in de staat waarin zij zich bevindt, zal worden voortgezet als een dagvaardingsprocedure. Het verzoekschrift zal daarbij worden aangemerkt als de dagvaarding, met dien verstande dat [autobedrijf] zal worden bevolen om het verzoekschrift zodanig aan te vullen dat het voldoet aan de eisen van artikel 111 Rv. Het door RCI reeds ingediende verweerschrift zal als de conclusie van antwoord van RCI worden aangemerkt. Verder heeft op 29 oktober 2015 een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij Nissan mondeling verweer heeft gevoerd, onder overlegging van pleitnotities. Dit verweer van Nissan zal als de conclusie van antwoord van Nissan worden aangemerkt.

5.12.

Tijdens de hiervoor genoemde mondelinge behandeling is met partijen al de mogelijkheid besproken dat de 843a-zaak mogelijk zal moeten worden voortgezet als een dagvaardingsprocedure. Partijen hebben tijdens die zitting uit doelmatigheidsoverwegingen al over en weer gereageerd op elkaars standpunten in de 843a-zaak, welke reactie in het proces-verbaal is weergegeven. Uit het oogpunt van hoor en wederhoor hoeft dan in beginsel ook geen comparitie van partijen meer plaats te vinden en kan, na plaatsing van de zaak op de rol en na aanvulling van de processtukken door partijen overeenkomstig artikel 69 lid 3 en 4 Rv, vonnis worden gewezen.

6 De beslissing

De rechtbank

Verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor

6.1.

beveelt een voorlopig getuigenverhoor,

6.2.

benoemt een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank tot rechter-commissaris,

6.3.

bepaalt dat de zaak wordt aangehouden tot 28 januari 2016 om partijen in de gelegenheid stellen om hun verhinderdata en die van de op te roepen getuigen voor de maanden februari tot en met mei 2016 schriftelijk door te geven aan de griffie van deze rechtbank (t.a.v. rekestenadministratie van de Afdeling privaatrecht, team Handelszaken), waarna een datum voor verhoor zal worden bepaald.

6.4.

bepaalt dat op het voor het verhoor te bepalen dagdeel drie getuigen mogen worden opgeroepen en dat een voortzetting van het voorlopige getuigenverhoor nader zal worden bepaald door de rechter-commissaris.

Verzoek ex artikel 843a Rv

6.5.

beveelt dat [autobedrijf] , voor zover nodig, op haar kosten overgaat tot verbetering of aanvulling van haar inleidend processtuk aan de voor de dagvaardingsprocedure toepasselijke procesregels;

6.6.

verwijst de procedure aangaande het verzoek tot het verstrekken van afschrift van bescheiden op de voet van artikel 843a Rv hiertoe naar de rolzitting van deze rechtbank, afdeling privaatrecht, team handel, van 27 januari 2016,

6.7.

beveelt dat de procedure aangaande het verzoek tot het verstrekken van afschrift van bescheiden op de voet van artikel 843a Rv in de stand waarin zij zich bevindt zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure (en met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 5.11 en 5.12 is overwogen);

6.8.

bepaalt dat RCI en Nissan, indien gewenst, gelegenheid zullen krijgen tot aanvulling van de processtukken overeenkomstig artikel 69 lid 4 Rv,

6.9.

bepaalt dat daarna (in beginsel) vonnis zal worden gewezen (zie hetgeen hiervoor onder 5.11 en 5.12 is overwogen).

Deze beschikking is gegeven door mr. L. Biller en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2015.