Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:996

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-03-2014
Datum publicatie
15-04-2014
Zaaknummer
13-757036-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak artikel 6 WVW 1994, een verkeersfout. Bestuurder vuilnisauto laat recht doorgaande fietser niet voor

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/757036-12 (Promis)

Datum uitspraak: 5 maart 2014

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [1961],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres, te plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 februari 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.A. Kloos, en van wat verdachte en de raadsman, mr. F.M.M.M. Vogels, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat,



ten aanzien van het primair ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 6 april 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een vrachtwagen - in de hoedanigheid van beroepschauffeur -, daarmee rijdende over de Amstelveenseweg en/of over de kruising van de Amstelveenseweg met de De Cusestraat, zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [persoon 1], zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk van het ellebooggewricht (rechts), in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Amstelveenseweg, komende uit de richting van de Amsterdamseweg en gaande in de richting van de Van Nijenrodeweg,

- terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was en/of

- terwijl de (rechter) breedtespiegel van de door verdachte bestuurde vrachtwagen niet conform de wettelijke eis was afgesteld,

verdachte is, gekomen bij de kruising van de Amstelveenseweg met de De Cusestraat, naar rechts afgeslagen, althans is naar rechts af gaan slaan en heeft zich daarbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende blijven vergewissen, dat hij rechtsaf kon slaan zonder een bromfietser (zijnde voornoemde [persoon 1]), die het fietspad van de Amstelveenseweg bereed, komende uit de richting van de Amsterdamseweg en gaande in de richting van de Van Nijenrodeweg, voorrang te verlenen, althans voor te laten gaan,

voornoemde [persoon 1] heeft (vervolgens) een (nood)remming gemaakt, waarna deze [persoon 1] op het wegdek is komen te vallen en/of waarna deze [persoon 1] tegen de door verdachte bestuurde vrachtwagen is aangereden en/of aangebotst en/of aangegleden,

hierdoor werd aan bovengenoemde [persoon 1] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, toegebracht.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde,

hij op of omstreeks 6 april 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een vrachtwagen - in de hoedanigheid van beroepschauffeur -, daarmee rijdende over de Amstelveenseweg en/of over de kruising van de Amstelveenseweg met de De Cusestraat, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Amstelveenseweg, komende uit de richting van de Amsterdamseweg en gaande in de richting van de Van Nijenrodeweg,

- terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was en/of

- terwijl de (rechter) breedtespiegel van de door verdachte bestuurde vrachtwagen niet conform de wettelijke eis was afgesteld,

verdachte is, gekomen bij de kruising van de Amstelveenseweg met de De Cusestraat, naar rechts afgeslagen, althans is naar rechts af gaan slaan en heeft zich daarbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende blijven vergewissen, dat hij rechtsaf kon slaan zonder een bromfietser (zijnde voornoemde [persoon 1]), die het fietspad van de Amstelveenseweg bereed, komende uit de richting van de Amsterdamseweg en gaande in de richting van de Van Nijenrodeweg, voorrang te verlenen, althans voor te laten gaan,

voornoemde [persoon 1] heeft (vervolgens) een (nood)remming gemaakt, waarna deze [persoon 1] op het wegdek is komen te vallen en/of waarna deze [persoon 1] tegen de door verdachte bestuurde vrachtwagen is aangereden en/of aangebotst en/of aangegleden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Uit het dossier en uit hetgeen ter zitting is besproken leidt de rechtbank het volgende af.

Op 6 april 2012 vond op de kruising van de Amstelveenseweg met de De Cuserstraat te Amsterdam een verkeersongeval plaats, waarbij een vrachtwagen en een bromfietser waren betrokken. Verdachte wordt verweten dat hij dit ongeval heeft veroorzaakt doordat hij, rijdende in een vrachtwagen op de Amstelveenseweg, op voornoemde kruising naar rechts is afgeslagen en geen vrije doorgang heeft verleend aan het slachtoffer [persoon 1], die op dat moment op zijn bromfiets op het ernaast gelegen fietspad van de Amstelveenseweg rechtdoor reed.

Verdachte heeft bij de politie en ter zitting van 19 februari 2014 verklaard dat hij met zijn vuilnisauto op de Amstelveenseweg heeft gereden. Verdachte rijdt deze route elke dag en de situatie ter plaatse is hem bekend. Verdachte heeft richting naar rechts aangegeven, voorgesorteerd en door de door hemzelf afgestelde spiegels naar het fietspad gekeken. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij is gestopt voor de haaientanden bij het fietspad en op het moment dat hij naar rechts is afgeslagen en over het fietspad reed, hoorde hij een klap en zag hij een scooter en een persoon op de grond liggen.

Uit het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse (hierna: VOA) is gebleken dat door de afdeling Forensisch Technische Verkeersonderzoeken van de Dienst Controle Infrastructuur Verkeer de gegevens van de digitale tachograaf van de vrachtauto van verdachte veilig zijn gesteld. Uit de analyse van de snelheidsgrafiek is gebleken dat de vrachtauto op het moment van de aanrijding met een snelheid van ongeveer 24 – 26 km/u reed en dat de vrachtauto bij de haaientanden voor het fietspad niet is gestopt. In de VOA staat verder vermeld dat het zicht van de rechter breedtespiegel van de vrachtauto beperkter was dan de wettelijke eis voor deze vrachtauto.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij weet dat de vrachtwagen een dode hoek heeft en dat hij met een ruime bocht naar rechts is afgeslagen. Anders dan bij de politie heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij niet is gestopt bij de haaientanden voor het voor hem van rechts komende verkeer op het fietspad, omdat er op dat moment bij genoemde kruising niemand op het fietspad reed. Verdachte heeft de bromfiets niet gezien.

Het slachtoffer [persoon 1] kan zich niets meer van de aanrijding herinneren en de snelheid waarmee hij op zijn bromfiets heeft gereden is niet duidelijk geworden en kan evenmin (achteraf) worden vastgesteld.

Aan de orde is de vraag of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan, zoals primair is ten laste gelegd, overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Hiervoor dient de rechtbank te beoordelen of het handelen van verdachte is aan te merken als zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam.

Subsidiair is aan de orde de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft als standpunt naar voren gebracht dat bewezen kan worden dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

De officier van justitie beperkt zich, voor wat betreft de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting, tot de aanrijding op de kruising van de Amstelveenseweg en de De Cuserstraat en heeft voor het bewijs geen gebruik gemaakt van de interpretaties in de VOA voor wat betreft de berekeningen met de zichtvelden van de spiegels van de vrachtwagen.

Verdachte heeft als ervaren beroepschauffeur in een vrachtwagen gereden, voorzien van spiegels en een dode hoek camera. De rechter breedtespiegel was niet juist afgesteld en verdachte was verantwoordelijk voor het afstellen van de spiegels. Verdachte had bovendien maatregelen moeten nemen om zwakkere verkeersdeelnemers voorrang te verlenen. Vast staat dat de snelheid van de bromfietser een onzekere factor is en dat verdachte de bromfietser niet heeft gezien. Verdachte is op de desbetreffende kruising in een vloeiende lijn rechtsaf geslagen en heeft zijn snelheid onvoldoende aangepast. Hij is niet gestopt voor het recht doorgaande verkeer op het fietspad en heeft zich schuldig gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag, waardoor aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, onder verwijzing naar zijn pleitnota, als primair standpunt aangevoerd dat verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Verdachte heeft rustig over de Amstelveenseweg gereden en heeft onderweg een fietser gepasseerd. Verdachte is doorgereden naar de kruising met de De Cuserstraat en heeft bij het afslaan naar rechts de bromfietser over het hoofd gezien. Dit is mogelijk het gevolg van het bovenmatig hard rijden van de bromfietser, zij het dat het niet duidelijk is geworden hoe hard de bromfietser heeft gereden. Dit zou het gevolg kunnen zijn van een tijdelijke onoplettend-heid van verdachte. De culpa heeft een relatie tussen het gedrag en het verkeersongeval en een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 op te leveren.

De vrachtwagen van verdachte is voor technisch onderzoek meegenomen door de politie en op een andere plaats gekeurd. Niet kan worden uitgesloten dat tijdens het verplaatsen van de vrachtwagen de spiegels zijn bijgesteld. Er is onvoldoende bewijs voor zwaar lichamelijk letsel. De enkele omstandigheid dat het letsel na een bepaalde tijd nog niet is hersteld, wil niet zeggen dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

De raadsman heeft als subsidiair standpunt naar voren gebracht dat na een zorgvuldige vergelijking tussen de geschreven en getypte tekst van de verklaringen van onder meer de getuigen [persoon 2] en [persoon 3] een aantal storende en cruciale verschillen zijn opgevallen. Deze fouten hebben mogelijk geleid tot verkeerde aannames door de verbalisanten die de VOA hebben opgesteld. In het geval verdachte niet van het primair en subsidiair ten laste gelegde wordt vrijgesproken, verzoekt de raadsman om aanhouding van het onderzoek om een nieuwe VOA op te laten maken door een onafhankelijke rapporteur.4.4. Het oordeel van de rechtbank

4.4.1.

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit en betrekt in haar overwegingen het bewijsverweer van de verdediging1.

Verdachte is werkzaam als chauffeur bij de gemeente Amsterdam. Op 6 april 2012 heeft verdachte als bestuurder van een vrachtwagen op de Amstelveenseweg en de kruising van de Amstelveenseweg met de De Cuserstraat te Amsterdam gereden. Hij kwam uit de richting van de Amsterdamseweg en reed in de richting van de Van Nijenrodeweg. Verdachte rijdt deze route elke dag en de situatie ter plaatse is hem bekend. Hij weet dat naast de Amstelveense-weg een fietspad is gelegen. Bij de kruising van de Amstelveenseweg met de De Cuserstraat gekomen, heeft verdachte richting naar rechts aangegeven, voorgesorteerd en heeft verdachte door de buitenspiegels van de vrachtwagen naar het fietspad gekeken. Verdachte weet dat de vrachtwagen een dode hoek heeft. Hij is niet gestopt bij de haaientanden voor het van rechts komende verkeer op het fietspad en is vervolgens met de vrachtwagen met een ruime bocht naar rechts afgeslagen. Verdachte heeft de bromfietser op het fietspad niet gezien2.

Het slachtoffer [persoon 1] kan zich van de aanrijding niets meer herinneren3. Door een getuige is gezien dat de bromfietser op het fietspad van de Amstelveenseweg moest remmen voor een vuilniswagen en onderuit is gegleden4. Doordat verdachte de recht doorgaande bromfietser over het hoofd heeft gezien, heeft de bromfietser zich onderuit geremd om een aanrijding met de vuilniswagen te voorkomen. De bromfiets en de bestuurder zijn vervolgens tegen de vuilniswagen aangegleden5.

4.4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang.

De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak zowel primair als subsidiair is ten laste gelegd dat sprake is van een strafrechtelijk verwijtbare verkeersgedraging. Verdachte is als bestuurder van zijn vrachtwagen op de kruising van de Amstelveenseweg met de De Cuser-straat naar rechts afgeslagen en heeft een recht doorgaande bromfietser op het fietspad niet voor laten gaan. Deze verkeersgedraging dient als een ernstige verkeersovertreding te worden aangemerkt. In het verkeer moeten medeweggebruikers op elkaar kunnen vertrouwen als het gaat om het naleven van de verkeersregels die ten behoeve van de veiligheid zijn opgesteld, maar bij het bepalen van de vraag of verdachte hierbij zeer, althans aanmerkelijk onvoor-zichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gehandeld, zoals vereist bij toepassing van artikel 6 van deze wet, dient de rechtbank de bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak te beoordelen.

De rechtbank heeft daarbij laten meewegen dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden op een overzichtelijke kruising en dat er geen sprake is geweest van omstandigheden die de oorzaak, gevolgen of toedracht van het ongeval zouden kunnen hebben beïnvloed.

Het kruispunt was gelegen binnen de bebouwde kom en de wettelijk toegestane maximum snelheid ter plaatse was 50 km/u voor de personenauto en 25 km/u voor de bromfiets.

Niet is gebleken dat deze snelheid door verdachte is overschreden en evenmin kan worden vastgesteld of het slachtoffer de toegestane maximum snelheid heeft overschreden.

Gelet op de in rubriek 4.4.1. opgesomde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte een verkeersfout heeft gemaakt door op deze kruising bij het rechtsaf slaan met de vrachtwagen een recht doorgaande bromfietser niet voor te laten gaan. De rechtbank is van oordeel dat dit weliswaar als een ernstige verkeersfout kan worden aangemerkt, waarvan de gevolgen voor het slachtoffer groot zijn, maar deze verkeersfout acht de rechtbank onvoldoende om te spreken van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De officier van justitie verwijt verdachte dat hij de rechter breedtespiegel niet juist heeft afgesteld. Gelet op de onduidelijkheid rond de snelheid van de bromfiets kan de rechtbank echter niet vaststellen dat deze verkeerde afstelling het ongeval (mede) heeft veroorzaakt. Door de officier van justitie is in zijn requisitoir verder naar voren gebracht dat verdachte niet is gestopt en dat verdachte zijn snelheid onvoldoende heeft aangepast, maar dat is niet aan verdachte ten laste gelegd. Van andere feiten en omstandigheden die meebrengen dat aan verdachte een schuldverwijt in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden gemaakt is niet gebleken en daarom zal verdachte van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Nu verdachte van het primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken behoeft het verweer dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel geen verdere bespreking.



4.4.3.

De rechtbank acht wel voldoende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich door zijn handelen schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde overtreding. Het verweer van de raadsman dat er geen causaal verband zou zijn tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval mist feitelijke grondslag, omdat het ongeval het directe gevolg is van het verwijtbaar niet voor laten gaan van het slachtoffer [persoon 1]. Verdachte wist dat de vrachtauto een dode hoek heeft. Hij heeft zich er niet tijdig en/of onvoldoende van vergewist dat hij rechtsaf kon slaan.

4.4.4.

De rechtbank zal verdachte van het ten laste gelegde verwijt “terwijl de (rechter) breedte-spiegel van de door verdachte bestuurde vrachtwagen niet conform de wettelijke eis was afgesteld” vrijspreken omdat, zoals in alinea 4.4.2. is overwogen, ten aanzien van dit verwijt het causaal verband ontbreekt.

Tenslotte is door de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan in het geval verdachte niet van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Door de raadsman is in dat geval om aanhouding van het onderzoek verzocht om een nieuwe VOA op te laten maken door een onafhankelijke rapporteur. Dat voorwaardelijke verzoek wordt afgewezen, omdat de noodzaak daartoe ontbreekt, mede nu de rechtbank voor het bewijs van het subsidiair ten laste gelegde geen gebruik maakt van de VOA en vast staat dat de snelheid van de bromfietser niet kan worden vastgesteld.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde,

op 6 april 2012 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een vrachtwagen - in de hoedanigheid van beroepschauffeur -, daarmee rijdende over de Amstelveenseweg en over de kruising van de Amstelveenseweg met de De Cuserstraat, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Amstelveenseweg, komende uit de richting van de Amsterdamseweg en gaande in de richting van de Van Nijenrodeweg,

- terwijl verdachte ter plaatse bekend was,

verdachte is, gekomen bij de kruising van de Amstelveenseweg met de De Cuserstraat, naar rechts afgeslagen en heeft zich daarbij niet tijdig en/of voldoende vergewist en is zich niet tijdig en/of voldoende blijven vergewissen, dat hij rechtsaf kon slaan zonder een bromfietser, zijnde [persoon 1], die het fietspad van de Amstelveenseweg bereed, komende uit de richting van de Amsterdamseweg en gaande in de richting van de Van Nijenrodeweg, voor te laten gaan,

voornoemde [persoon 1] heeft een (nood)remming gemaakt, waarna deze [persoon 1] op het wegdek is komen te vallen en waarna deze [persoon 1] tegen de door verdachte bestuurde vrachtwagen is aangegleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor het primair ten laste gelegde dient te worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft bij het bepalen van zijn eis rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan onvoorzichtig rijgedrag, waardoor het leven van het slachtoffer ingrijpend is veranderd. Na de aanrijding is het slachtoffer geopereerd en heeft hij een aantal maanden niet kunnen werken. In het voordeel van verdachte heeft de officier van justitie rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte geen documentatie heeft en dat hij heeft aangegeven dat hij sinds het ongeval voorzichtiger is gaan rijden.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, onder verwijzing naar zijn pleitnota, als strafmaatverweer aangevoerd dat verdachte heel erg is geschrokken van het voorval en dat een veroordeling voor verdachte niet is te verkroppen. Hij is niet eerder veroordeeld voor een verkeersovertreding. De werkgever van verdachte heeft namens verdachte contact gezocht met het ziekenhuis en een bos bloemen laten afleveren bij het slachtoffer.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige verkeersovertreding, zoals hiervoor bewezen is verklaard. Het slachtoffer is als gevolg van dit verkeersongeval zwaar gewond geraakt, in het ziekenhuis opgenomen en aan zijn rechterarm geopereerd,

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld, alsmede dat verdachte ter zitting heeft laten blijken dat hij erg geschrokken is van het verkeersongeval en dat zijn rijgedrag hierdoor is beïnvloed. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte zijn werk als chauffeur zo zorgvuldig mogelijk tracht te doen.

Nu de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 is een lagere straf op zijn plaats dan door de officier van justitie gevorderd. Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 verbiedt gevaarlijk gedrag in het verkeer en de op te leggen straf dient dan ook met name gerelateerd te zijn aan de mate van gevaarzetting en niet aan de ernst van de gevolgen. Alles overwegende acht de rechtbank na te noemen strafoplegging passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 750,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 15 dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 3 maanden.

Beveelt dat deze bijkomende straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Salomon, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en C.C.M. Oude Hengel, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 maart 2014.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 februari 2014.

3 Proces-verbaal verhoor benadeelde [persoon 1] (P. 23-24).

4 Proces-verbaal verhoor getuige [persoon 2] (P. 09-10).

5 Proces-verbaal aanrijding (P. 01-07).