Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:991

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
C/13/557620 / KG ZA 14-63
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige publicatie. De uitlatingen vinden voldoende steun in de feiten en zijn niet onrechtmatig. Vordering tot rectificatie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/557620 / KG ZA 14-63 MvW/SvE

Vonnis in kort geding van 26 februari 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 21 januari 2014,

advocaat mr. W.H. Jonkers te Den Haag,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HET FINANCIEELE DAGBLAD B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Amsterdam,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. S.N. Vlaar te Den Haag.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden zullen afzonderlijk Het Financieele Dagblad B.V.,[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] worden genoemd en gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) worden aangeduid als Het Financieele Dagblad c.s.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 29 januari 2014 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Het Financieele Dagblad c.s. heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. De voorzieningenrechter en de griffier hebben voorafgaand aan de terechtzitting van 29 januari 2014 kennis genomen van de tv-uitzending van Nieuwsuur van 13 december 2013. De behandeling van de zaak is na de toelichting op de dagvaarding en het antwoord aangehouden en voortgezet ter terechtzitting van 12 februari 2014. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter terechtzitting van 29 januari 2014 en 12 februari 2014 waren – voor zover van belang – aanwezig:

aan de zijde van [eiser]: mr. Jonkers en diens kantoorgenoot mr. D.G. Hassink;

aan de zijde van Het Financieele Dagblad c.s.: [persoon] (hoofdredacteur),[gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en mr. Vlaar.

[eiser] was aanwezig ter terechtzitting van 29 januari 2014.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 1 januari 1992 in dienst getreden bij Bouwfonds Nederlandse Gemeenten, later SNS Property Finance (hierna: Bouwfonds), eerst als vice-voorzitter van de raad van bestuur en van eind 1998 tot mei 2001 als voorzitter van de raad van bestuur.

2.2.

Het Financieele Dagblad B.V. is uitgever van het dagblad Het Financieele Dagblad (hierna: FD).[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn beiden als journalist/redacteur werkzaam bij het FD en zijn tevens medeauteurs van het boek “De val van SNS Reaal”.

2.3.

[eiser] heeft, via zijn besloten vennootschap Cristel Vastgoed BV (hierna: Cristel Vastgoed), van het derde kwartaal van 2001 tot en met het tweede kwartaal van 2003 facturen gestuurd aan Museum Vastgoed Groep B.V. (hierna: Museum Vastgoed), waar K.H. Hummel (hierna: Hummel) en W. Endstra (hierna: Endstra) beiden voor 50% aandeelhouder van waren. Cristel Vastgoed heeft van het derde kwartaal van 2003 tot het vierde kwartaal van 2004 facturen gestuurd aan Lapidus Holding B.V., waarvan Hummel 100% aandeelhouder is. Het bedrag dat Cristel Vastgoed in totaal bij Museum Vastgoed en Lapidus Holding heeft gedeclareerd bedraagt € 113.403,92.

2.4.

[eiser] is verdachte in de vastgoedfraudezaak ‘Klimop’. [eiser] is door de rechtbank Haarlem vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie en veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur voor valsheid in geschrift en witwassen. [eiser] is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan. In het hoger beroep is nog geen uitspraak gedaan.

2.5.

[gedaagde sub 2] heeft op 13 december 2013 in het televisieprogramma Nieuwsuur een interview gegeven ter promotie van het boek ‘De val van SNS Reaal’. In dit interview is, voor zover hier van belang, het volgende gezegd, waarbij[gedaagde sub 2] hierna wordt aangeduid met “VB” en presentator Twan Huys met “TH”:

“TH: (…) Wat is jullie meest verbijsterende ervaring tijdens de research van dit boek?

VB: Ja, nou, wat ik eh echt eh het schokkendste vind, is dat SNS een vastgoedbank van Bouwfonds heeft gekocht die veel zieker was dan eh iedereen wist. Eh, het was een bank die gecorrumpeerd was. Waarbij eh de bankiers eh innige relaties eh met hun klanten onderhielden, te innige relaties zou je kunnen zeggen, en ondertussen eh werd het geld met bakken ehm eigenlijk weggegeven aan de klanten, uitgeleend aan de klanten, zonder dat de bank in de gaten hield hoeveel ze uitleenden ehm en aan wat voor soort mensen ze dat geld uitleenden. Het was een bank ‘out of control’. (…)

VB: D’r waren innige banden tussen eh een aantal vooraanstaande bankiers van Bouwfonds en Bouwfonds Property Finance en eh nou ja mensen waarvan we nu weten dat ze eh eh bij de onderwereld hoorden. En een voorbeeld: we hebben ontdekt dat oud-topman van Bouwfonds [eiser], die ging met pensioen, deed de deur bij Bouwfonds achter zich dicht en ging meteen naar Willem Endstra, de onderwereldbankier, en ging daar zijn hand ophouden. Eh, Endstra was een van de grootste klanten van Bouwfonds. Jarenlang heeft Bouwfonds bestuur vergaderd over hun probleemklant Endstra, de onderwereldbankier. De topman van Bouwfonds gaat weg bij Bouwfonds en komt zijn beloning ophalen bij de onderwereldbankier.

TH: En neemt zijn, zijn informatie, zijn inside-informatie mee ..

VB: (heel zacht) Mja

TH: van de bank en klapt daar uit de school.

VB: (heel zacht) Ja

TH: Nu heeft [eiser], wat is het, 240 uur taakstraf gekregen?

VB: Ja eh, in een ander proces waarin hij wel terecht staat voor, ja het indienen eigenlijk van valse facturen. Eigenlijk een vorm van corruptie eh, corrupte facturen indienen bij vastgoedpartijen. Maar die facturen die die heeft ingediend bij Endstra, daar staat ie nu niet voor terecht. Ik verwacht wel dat die onthulling die wij doen over dat [eiser] is betaald door Endstra, dat die een rol zou kunnen spelen in het hoger beroep voor de corruptiezaak waarvoor die nu bij het gerechtshof staat. (…)”

2.6.

In een artikel op de voorpagina van het FD van 14 december 2013 staat, voor zover van belang, het volgende:

Onderwereldbankier Endstra betaalde ex-topman Bouwfonds

[eiser] hield na pensionering hand op bij meest omstreden Bouwfonds-klant

(…)

[eiser] ontving na zijn vertrek in 2001 als bestuursvoorzitter bij Bouwfonds betalingen van de in opspraak geraakte Bouwfonds-klant Willem Endstra. [eiser] incasseerde dit geld voor onduidelijke tegenprestaties (…) [eiser] bleef beloningen van Endstra en diens toenmalige zakenpartner Klaas Hummel ook aannemen nadat De Telegraaf had gepubliceerd dat Endstra ‘bankier van de onderwereld’ zou zijn. (…) Dit onthult het boek De val van SNS Reaal dat vijf FD-redacteuren komende week publiceren. Hieruit komt naar voren dat SNS in 2006 met de aankoop van Bouwfonds Property Finance uit handen van ABN Amro een gecorrumpeerde vastgoedportefeuille overnam waarin persoonlijke belangen van bankiers met die van hun klanten waren verstrengeld. Bij Bouwfonds was de gewoonte dat bankiers overstapten naar grote klanten. [eiser] overstap naar Endstra is een voorbeeld. (…) [eiser] liet zich na zijn pensionering betalen door Endstra en Hummel, nadat onder zijn leiding het Bouwfonds-bestuur bijna wekelijks over dit duo had vergaderd. Zij vormden het grote hoofdpijndossier van de bank. Uit geheime bestuursnotulen blijkt dat de zorgen voortkwamen uit kennis bij Bouwfonds van strafonderzoeken naar Endstra. Bouwfonds wist ook dat een eigen medewerker verdacht werd. Het Bouwfondsbestuur vergaderde ook regelmatig over een onderzoek door een departementale inspectiedienst naar Endstra/Hummel en de politieke ophef daarover. Toen [eiser] in het Bouwfonds-bestuur zat, van januari 1992 tot juni 2001, was de commotie over Endstra reden formeel het krediet aan hem en Hummel te bevriezen en te verminderen. In werkelijkheid nam het bedrag toe dat Bouwfonds aan hen toevertrouwde. Vier maanden na zijn vertrek bij Bouwfonds stuurde [eiser] op 30 oktober 2001 zijn eerste factuur (…) naar de Museum Vastgoed Groep – het bedrijf dat Endstra en Hummel samen hadden. (…) In totaal stuurde de Bouwfonds-baas na zijn vertrek eerst acht facturen aan Endstra en Hummel gezamenlijk, en daarna vanaf september 2003 nog eens zes facturen aan Hummel alleen. Het ging per factuur steeds om een bedrag van € 8100, op een paar centen verschil na (…) Zijn laatste factuur stuurde [eiser] 15 december 2004 (…) Opgeteld vroeg de Bouwfondsbaas € 113.403,92 aan Endstra en/of Hummel. Dat kreeg hij ook. Volgens Hummel werd [eiser] betaald ‘omdat hij ons heeft geholpen met nieuwe bankrelaties. Lobbyen, ja. Dat heeft [eiser] vier jaar lang gedaan.’ [eiser] zegt in een reactie, ten onrechte, dat alleen Hummel hem betaalde. Hij kan zich zijn tegenprestatie niet herinneren.”

2.7.

Op pagina 2 van het FD van 14 december 2013 staat een kader met de titel “Terughoudendheid ex-bankiers gewenst”, waarin onder meer het volgende staat:

“(…) Het overlopen naar de ‘tegenpartij’ is niet uitgevonden door Bouwfonds-bestuursvoorzitter [eiser], die voor Bouwfonds-klant Willem Endstra blijkt te zijn gaan werken. (…) [eiser] is wel een bizar voorbeeld van bankiers die naar hun vastgoedklanten overstappen. Hij heeft namelijk eerst tien jaar vrijwel wekelijks met het Bouwfonds-bestuur zorgelijk vergaderd over de grote vastgoedklant Willem Endstra, wetende dat Justitie hem verdenkt. [eiser] doet vervolgens de deur van Bouwfonds achter zich dicht en houdt onmiddellijk zijn hand op bij diezelfde Endstra. De ex-Bouwfonds-topman continueert het incasseren bij Endstra zelfs nadat deze publiekelijk bekend is komen te staan als onderwereldbankier. (…)”

2.8.

Op pagina 2 en 3 van het FD van 14 december 2013 staat een artikel met de titel “Property Finance al vóór overname door SNS ontspoord”. Naast deze titel is onder de kop “Hoofdrolspelers” een foto van [eiser] geplaatst met onder meer de tekst “Staat in hoger beroep terecht voor vastgoedfraude”.

2.9.

In andere media, bijvoorbeeld op volkskrant.nl, nrc.nl, nu.nl, telegraaf.nl, parool.nl en trouw.nl zijn de hiervoor onder 2.4 tot en met 2.7 genoemde berichten naar strekking overgenomen.

2.10.

Bij brieven van 18 en 23 december 2013 heeft de advocaat van [eiser] het FD verzocht op de voorpagina en op de website van het FD een rectificatie te plaatsen.

2.11.

Bij brief en e-mail van 20 en 30 december 2013 heeft[gedaagde sub 2] de advocaat van [eiser] namens Het Financieele Dagblad c.s. medegedeeld dat het FD niet zal overgaan tot rectificatie, maar wel bereid is een gesprek te voeren met [eiser] in het kader van een vervolgpublicatie.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat en op straffe van verbeurte van een dwangsom, Het Financieele Dagblad c.s. te verbieden de in het petitum van de dagvaarding onder a tot en met g omschreven uitlatingen (of uitlatingen die op hetzelfde neerkomen) publiekelijk te doen, Het Financieele Dagblad c.s. te bevelen een rectificatie in het FD op te nemen, de litigieuze berichtgeving op de website van het FD te verwijderen, althans op de website een rectificatie te plaatsen, en de in het petitum van de dagvaarding onder j genoemde websites schriftelijk te verzoeken de overgenomen litigieuze berichtgeving van Het Financieele Dagblad te verwijderen, met veroordeling van Het Financieele Dagblad c.s. in de proceskosten.

3.2.

Het Financieele Dagblad c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter is allereerst van oordeel dat [eiser], anders dan Het Financieele Dagblad c.s. heeft aangevoerd, een voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat een grote Nederlandse bank niet langer een overeenkomst met hem wil aangaan, mede vanwege recente publicaties waarbij [eiser] in verband wordt gebracht met ‘de bankier van de onderwereld’ (Endstra). Hiermee is het spoedeisend belang van Hak-stege gegeven.

4.2.

Uitgangspunt is dat de toewijzing van de vorderingen van [eiser] in beginsel een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van Het Financieele Dagblad c.s. op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van Het Financieele Dagblad c.s. onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van eer of goede naam – in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen.

4.3.

Het belang van Het Financieele Dagblad c.s. is dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over kwesties van algemeen belang. Het belang van [eiser] is erin gelegen dat zijn persoon niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan voor hem ongewenste publiciteit. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer van belang is of de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal.

4.4.

De kern van het geschil gaat om hetgeen in de uitzending van het televisieprogramma Nieuwsuur van 13 december 2013 en in verschillende artikelen in het FD van 14 december 2013 over [eiser] naar voren is gebracht. Naar de stelling van [eiser] zijn meerdere uitlatingen op zichzelf en in onderling verband gezien onjuist en/of onzorgvuldig en/of onvolledig en/of suggestief en is de onjuiste berichtgeving misleidend, beschuldigend en schept deze ten onrechte een uitgesproken negatief beeld van [eiser], die daardoor in zijn goede naam wordt aangetast. Volgens [eiser] heeft Het Financieele Dagblad c.s. dan ook onrechtmatig jegens hem gehandeld.

4.5.

De uitlatingen waar [eiser] zich om te beginnen tegen verzet komen er – kort gezegd – op neer dat Bouwfonds een gecorrumpeerde bank was waarbij de bankiers (te) innige relaties met klanten onderhielden en dat [eiser] jarenlang zorgelijk heeft vergaderd over ‘probleemklant’ Endstra, maar na zijn pensioen wel zijn hand heeft opgehouden/zijn beloning heeft opgehaald bij Endstra voor onduidelijke tegenprestaties. Ter ondersteuning van haar uitlatingen in Nieuwsuur en in de artikelen in het FD heeft Het Financieele Dagblad c.s. onder meer de volgende producties in het geding gebracht:

Productie 3: Hoofdstuk 8 van ‘Het rapport van de Evaluatiecommissie Nationalisatie SNS Reaal’ van R.J. Hoekstra en J.M.G. Frijns waarin onder meer is opgenomen: “Op donderdag 26 augustus 1999 was er een persconferentie van de voorzitter van de raad van bestuur van ABN Amro (…) en de bestuursvoorzitter van Bouwfonds (…) [eiser]. Zij maakten de overname van Bouwfonds door ABN Amro bekend. (…) Vanaf dat moment tot het moment waarop ABN Amro deze ‘kip met gouden eieren’ in 2006 in de etalage zette, speelden enkele integriteitskwesties rond cliënten van Bouwfonds en meer in het bijzonder van Property Finance. (…) Op woensdag 9 januari 2002 voerde het Openbaar Ministerie een huiszoeking uit bij Bouwfonds (…) De huiszoeking was onderdeel van een onderzoek met de codenaam ‘Buizerd’. (…) De zoekactie was gericht op twee vastgoedhandelaren. De Amsterdamse vastgoedhandelaar (…) Endstra, die samen met zijn toenmalige zakenpartner (…) Hummel de aandacht had getrokken van het Openbaar Ministerie. (…) Al vanaf februari 2001 had Bouwfonds [Endstra’s] kredietlijn ‘bevroren’. (…) Parallel hieraan liep ook een onderzoek van De Nederlandsche Bank bij Bouwfonds. (…) De uitkomsten van het onderzoek waren niet mals. Bij Bouwfonds ontbrak een onafhankelijke, centrale compliance-functie. Gedocumenteerde risicoanalyses waren niet voorhanden. Er was geen centraal geformuleerd beleid ter beheersing van integriteitsrisico’s bij klanten. (…)”

Productie 4: Een verklaring van J. Sijbrand, directeur Toezicht bij De Nederlandsche Bank, van 1 februari 2013, waarin onder meer is opgenomen: “Zoals gezegd ligt de belangrijkste oorzaak van de problemen bij SNS REAAL in de vastgoedportefeuille. (…) Terugkijkend naar de kern van het probleem, de vastgoedportefeuille, moeten we vaststellen dat dit bij SNS REAAL aan boord is gekomen met de acquisitie van Bouwfonds Property Finance in 2006. (…)”

Productie 5: Drie grootboekkaarten van betalingen van Museum Vastgoed aan Cristel Vastgoed over de jaren 2001 – 2003 en over 2003 – 2004 door Lapidus Holding aan Cristel Vastgoed.

Productie 6: Een lijst van vindplaatsen in de notulen van de raad van bestuur van Bouwfonds met betrekking tot Endstra, Hummel en aan hen gelieerde entiteiten, waarin onder meer is opgenomen: Conclusies vergelijking onze notulen met notulenselectie van eiser:

eiser verzwijgt 52 van de 75 vindplaatsen. Er is driemaal zoveel over het ‘relatiecomplex’ Endstra en Hummel vergaderd door Bouwfonds als eiser beweert.

In de [eiser]-periode die wij kunnen overzien (98-mei 2001) is er 42 keer over het duo en aanverwante onderwerpen vergaderd. Dat is iets meer dan eens per maand.

Eiser verzwijgt hele belangrijke vergaderingen, bijvoorbeeld als het om de kwestie-Groningen gaat, de invallen van justitie en het overleg met het ministerie van VROM en het Openbaar Ministerie over Endstra-gerelateerde onderwerpen. En ook de zorg van ABN Amro over Hummel, in februari 2001, enkele maanden voor de pensionering van [eiser] en zes maanden voordat [eiser] voor MVG [Museum Vastgroep, vzr.] ging werken. (…)

6] 12 mei 1998: (…) Naar aanleiding hiervan merkt dhr. [eiser] op het niet juist te vinden dat hij door de staatssecretaris erop wordt aangesproken dat er op aanvraag een recherche-rapport van VROM beschikbaar is over Hummel, terwijl naderhand blijkt dat dit rapport al in huis is (…)

8] 12 mei 1998: (…) N.a.v. het gesprek met VROM inzake de verkoop van de aandelen Interim B.V. [een vennootschap waarbij Endstra en Hummel betrokken zijn, vzr.] meldt dhr. Simons dat het VROM bevreemdt dat we geen bonafiditeitsonderzoek doen naar de achtergronden van zakelijke relaties. (…)

10] 19 mei 1998: (…) Aangezien dhrn. Hummel/Endstra onlangs wederom in opspraak zijn geraakt en Bouwfonds door de persberichten kan worden geassocieerd met vermeende onzuivere praktijken van deze heren (…) De recente persberichten vormen echter aanleiding om vooralsnog geen nieuwe aanvragen van deze heren in behandeling te nemen totdat een antecedentenonderzoek door De Haarlemsche heeft plaatsgevonden. (…)

11] 26 mei 1998: (…) uiteraard ook voor Financiering Vastgoed geldt dat hangende het antecedentenonderzoek geen zaken worden gedaan met de heren Hummel en Endstra. (…)

14] 14 juli 1998: (…) staat er naar verwachting in totaal ca. f200 mln. uit bij de heren Endstra en Hummel. In afwachting van de definitieve besluitvorming worden geen nieuwe financieringen meer verstrekt aan beide heren.

24] (Januari 1999): (…) Uitgangspunt zal zijn dat Bouwfonds, gelet op de publiciteit rondom Groningen, de opmerkingen vanuit het ministerie en de toekomstige eisen rondom de bankstatus, niet wil dat dhrn. Hummel en Entstra een al te grote positie innemen. (…)

26] RvB 99.04.01, 19 januari 1999: (…) Dhr Reijrink zet uiteen dat Bouwfonds ca. 40% van de activiteiten van de genoemde heren [Endstra en Hummel, vzr.] financiert en daarmee hun grootste geldgever is. Omdat de negatieve publiciteit zich beperkt tot dhr. Endstra, valt te overwegen alleen Hummel als debiteur op te laten treden. (…)

41] 6 februari 2001: (…) ‘N.a.v. de geuite zorg van de heer Schweitzer over de reputatie van de dhr. Hummel zal dhr. Reijrink aan de hand van het grote postenoverzicht de gegoedheid van de klanten van Bouwfonds aan AA [ABN Amro, vzr.] toelichten.’ (…)

42] 17 april 2001: (…) Op basis van het nieuwe voorstel is wel besloten de aanvragen van Hummel en Endstra doorgang te laten vinden. (…)”

4.6.

Gezien de onder 4.5 weergegeven producties, waarvan [eiser] de juistheid niet heeft betwist, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de uitlatingen in Nieuwsuur en in de artikelen in het FD voldoende steun vinden in het op dat moment beschikbare feitenmateriaal. Uit dit materiaal volgt dat er sinds 1999 enkele integriteitskwesties speelden bij Bouwfonds en meer in het bijzonder bij Property Finance en dat bij Bouwfonds een onafhankelijke, centrale compliance-functie ontbrak, gedocumenteerde risicoanalyses niet voorhanden waren en er geen centraal geformuleerd beleid was ter beheersing van integriteitsrisico’s bij klanten. Tevens volgt uit dit materiaal dat [eiser] na zijn afscheid bij Bouwfonds voor Museum Vastgoed, de vennootschap van twee belangrijke klanten van Bouwfonds, Endstra en Hummel, is gaan werken. Voorts heeft Het Financieele Dagblad c.s. ter terechtzitting onbetwist gesteld dat in het Klimopproces over de vastgoedfraude rond Bouwfonds tot op heden zes voormalig leidinggevende functionarissen van Bouwfonds zijn veroordeeld, dat in het Buizerddossier uitgebreid wordt gesproken over de nauwe relatie die Hummel onderhield met Bouwfondsdirecteur B. Pijper en dat diezelfde Pijper in 1998, na zijn scheiding, in een pand van Endstra woonde en het privébedrijf van Pijper was gevestigd op het adres van een pand van Hummel. Dat Het Financieele Dagblad c.s. Bouwfonds heeft gekwalificeerd als ‘een gecorrumpeerde bank waarbij de bankiers (te) innige relaties met hun klanten onderhielden’ en als ‘een bank out of control’ kan tegen die achtergrond niet als feitelijk onjuist worden aangemerkt en evenmin als onnodig grievend. Reeds om deze reden valt de belangenafweging zoals onder 4.2 bedoeld in het voordeel uit van Het Financieele Dagblad c.s., zodat deze uitlatingen niet onrechtmatig kunnen worden geacht. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat in Nieuwsuur noch in de artikelen in het FD is gezegd/geschreven dat Bouwfonds onder leiding van [eiser] gecorrumpeerd was, maar dat in het algemeen is gesproken van een gecorrumpeerde bank. [eiser] is in dat verband slechts als voorbeeld genoemd van een bankier die een innige relatie onderhield met klanten van de bank. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan ook dit niet als feitelijk onjuist of onnodig grievend worden aangemerkt.

4.6.1.

In Nieuwsuur heeft[gedaagde sub 2] voorts gezegd dat het bestuur van Bouwfonds jarenlang heeft vergaderd over hun probleemklant Endstra, de onderwereldbankier (zie 2.4). In het artikel op de voorpagina van het FD van 14 december 2013 (zie 2.5) staat dat onder leiding van [eiser] het Bouwfondsbestuur bijna wekelijks over Endstra/Hummel heeft vergaderd en dat zij het grote hoofdpijndossier van de bank vormden en in het commentaar op pagina 2 van het FD van 14 december 2013 (zie 2.6) staat dat [eiser] vrijwel wekelijks met het Bouwfondsbestuur zorgelijk heeft vergaderd over de grote vastgoedklant Willem Endstra, wetende dat justitie hem verdacht. Anders dan [eiser] stelt heeft Het Financieele Dagblad c.s. niet gezegd/geschreven dat het Bouwfondsbestuur vergaderde over Endstra in zijn hoedanigheid van onderwereldbankier – dit was immers pas in 2002 publiekelijk bekend – maar als ‘probleemklant’. Ook deze uitlatingen vinden voldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal. Hieruit volgt immers dat de raad van bestuur van Bouwfonds, in de periode dat [eiser] voorzitter was, met grote regelmaat heeft vergaderd over Endstra en aan hem gelieerde partijen. Het Financieele Dagblad c.s. heeft onbetwist aangevoerd dat dit in totaal 42 keer is gebeurd in die periode. In deze vergaderingen ging het niet alleen om aan Endstra en aan hem gelieerde partijen verleende kredieten, maar ook over de zorgen die begonnen te ontstaan over integriteitskwesties. In het licht hiervan kan niet worden gezegd dat de door Het Financieele Dagblad c.s. gedane uitlatingen en kwalificaties (‘zorgelijk’, ‘hoofdpijndossier’) lichtvaarding zijn gedaan. Dat het Bouwfondsbestuur niet wekelijks, maar, zoals uit productie 6 van de zijde van Het Financieele Dagblad c.s. volgt, maandelijks over Endstra en aan hem gelieerde partijen heeft vergaderd, wordt bij de beoordeling onvoldoende relevant geacht. Dit leidt dan ook wederom tot de conclusie dat de hiervoor onder 4.2 genoemde belangenafweging in het voordeel van Het Financieele Dagblad c.s. uitvalt en dat ook deze uitlatingen niet onrechtmatig jegens [eiser] zijn.

4.6.2.

De uitlatingen in Nieuwsuur en het FD die er op neerkomen dat [eiser] na zijn vertrek bij Bouwfonds zijn hand heeft opgehouden/zijn beloning is komen ophalen bij Endstra, de onderwereldbankier, en dat [eiser] betalingen heeft ontvangen voor onduidelijke tegenprestaties vinden eveneens voldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal. Immers, niet is in geschil dat [eiser] na zijn vertrek bij Bouwfonds namens zijn vennootschap Cristel Vastgoed facturen heeft gestuurd aan Museum Vastgroep, de vennootschap waarvan Endstra destijds 50% aandeelhouder was. Dat Het Financieele Dagblad c.s. dit heeft gekwalificeerd als ‘zijn hand ophouden’ of ‘zijn beloning’ ophalen bij Endstra valt, mede in het licht van het hiernavolgende, binnen de grenzen van de journalistieke vrijheid en kan niet als onjuist of onnodig grievend worden aangemerkt. Immers, niet is in geschil dat [eiser] in een telefoongesprek met[gedaagde sub 2] heeft gezegd dat de door hem verrichte tegenprestatie ‘iets met financiering’ te maken had en dat [eiser] de beweerdelijke overeenkomst van Cristel Vastgoed met Museum Vastgoed nimmer heeft getoond. De kwalificatie ‘onduidelijke tegenprestaties’ wordt tegen deze achtergrond niet lichtvaardig geacht. Hoewel strikt genomen niet juist is dat [eiser] zich zijn tegenprestatie niet kan herinneren, zoals in het artikel op de voorpagina van het FD van 14 december 2013 is opgenomen, wordt dit, gelet op de vage bewoordingen waarin [eiser] zich heeft uitgelaten, voor de beoordeling onvoldoende relevant geacht. Dit betekent dat ook deze uitlatingen niet onrechtmatig jegens [eiser] zijn.

4.7.

[eiser] heeft ook nog bezwaar gemaakt tegen de uitlating in Nieuwsuur dat hij ‘inside-information zou hebben meegenomen van de bank’ en ‘uit de school zou zijn geklapt’. Dit betreffen, zoals Het Financieel Dagblad c.s. terecht heeft aangevoerd, uitlatingen van presentator Twan Huys die niet op conto van[gedaagde sub 2] kunnen worden geschreven. Dat[gedaagde sub 2] voorts in Nieuwsuur heeft gezegd ‘dat hij verwacht dat de onthullingen die in het boek ‘De val van SNS Reaal’ worden gedaan, over dat [eiser] is betaald door Endstra, een rol zouden kunnen spelen in het hoger beroep van de vastgoedfraudezaak waarvoor [eiser] terecht staat’, kan evenmin als onjuist of onrechtmatig worden aangemerkt, nu dit slechts de mening van[gedaagde sub 2] betreft, welke bovendien niet uit de lucht is gegrepen aangezien [eiser] in die vastgoedfraudezaak onder meer terecht staat voor het opmaken van valse facturen.

4.8.

Ten aanzien van het bezwaar van [eiser] dat de suggestie is gewekt dat er een verband bestaat tussen het functioneren van [eiser] bij Bouwfonds en de val van SNS Reaal overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De uitlatingen hierover van[gedaagde sub 2] in Nieuwsuur –“Wat ik het schokkendste vind, is dat SNS een vastgoedbank van Bouwfonds heeft gekocht die veel zieker was dan iedereen wist” – zien op Bouwfonds in het algemeen en zijn te ver verwijderd van het functioneren van [eiser] bij Bouwfonds om van een verband hiertussen te spreken. Ook hier geldt dat [eiser] zowel in Nieuwsuur als in het FD als voorbeeld is opgevoerd van een bankier wiens persoonlijke belangen verstrengeld waren met die van belangrijke klanten. Dit bezwaar van [eiser] zal verder dan ook onbesproken blijven.

4.9.

Bij de afweging van belangen, zoals hiervoor bedoeld, heeft de voorzieningenrechter mede betrokken dat [eiser] tot op zekere hoogte een publiek figuur is, omdat hij eerder in de publieke belangstelling heeft gestaan. Publieke figuren moeten zich meer laten welgevallen dan personen voor wie dat niet geldt. Bij de afweging van belangen is voorts betrokken dat Het Financieele Dagblad c.s. een kwestie van algemeen belang aan de orde heeft willen stellen, namelijk het nationaliseren van de systeembank SNS Reaal en het functioneren van financiële instellingen in het licht van integriteitskwesties. Deze omstandigheden brengen mee dat er een publiek belang is om op de hoogte te worden gebracht van (de achtergrond) van die nationalisatie. Dat met de publicaties de reputatie van [eiser] zal zijn aangetast, wordt in de eerste plaats veroorzaakt door zijn handelen in deze kwestie, waarvoor hij zelf de verantwoordelijkheid draagt en waarvan de publicaties slechts een weerslag vormen. Gelet op het beschikbare feitenmateriaal en de wijze waarop door Het Financieele Dagblad c.s. is bericht, kan bij een nadere beschouwing van alle relevante omstandigheden het belang van [eiser] daarom in dit geval niet de doorslag geven.

4.10

[eiser] heeft tot slot ter zitting nog aangevoerd dat geen sprake is geweest van wederhoor. Het Financieele Dagblad c.s. heeft dit betwist en aangevoerd dat [eiser] in het kader van het boek “De val van SNS Reaal” is gehoord en de uitlatingen in Nieuwsuur en in het FD niet wezenlijk verschillen van hetgeen hierover in dat boek staat. Dit laatste is door [eiser] ter zitting betwist. De voorzieningenrechter overweegt dat, anders dan [eiser] lijkt te veronderstellen, geen absoluut recht op wederhoor bestaat. Het enkele feit dat volgens [eiser] geen sprake is geweest van wederhoor, hetgeen door Het Financieele Dagblad c.s. is betwist, betekent derhalve niet dat de rechtmatig bevonden uitlatingen in Nieuwsuur en het FD daardoor onrechtmatig worden. Verder volgt uit al het voorgaande dat de uitlatingen van Het Financieele Dagblad c.s. voldoende steun vinden in de feiten. Waar een wederhoor, zoals door [eiser] verlangd, toe zou hebben geleid is dan ook niet duidelijk. Daar komt bij dat Het Financieele Dagblad c.s. [eiser] alsnog in de gelegenheid heeft willen stellen zijn visie op de uitlatingen te geven (zie 2.10), maar dat hij van die gelegenheid geen gebruik heeft willen maken. De slotsom is dan ook dat alle vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Het Financieele Dagblad c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 608,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal €  1.424,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Het Financieele Dagblad c.s. tot op heden begroot op € 1.424,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. S. van Excel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2014.1

1 type: coll: