Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:9686

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-06-2014
Datum publicatie
12-06-2015
Zaaknummer
DX EXPL 13-105
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kantonrechter oordeelt dat, voor zover de schade bestaat uit (fictieve) restschuld, in beginsel 1/3 voor rekening van lessee moet blijven. Verwijzing naar HR 28 maart 2008 en 5 juni 2009 en Gerechtshof Amsterdam 1 december 2009. Vordering betreffende BKR registratie wordt voorwaardelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Privaatrecht

zaak- en rolnummer: 2200825 DX EXPL 13-105

vonnis van: 12 juni 2014

f.no.: 466

Vonnis van de kantonrechter:

i n z a k e

[eiseres]

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

nader te noemen: [eiseres],

gemachtigde: mr. G. van Dijk,

t e g e n

de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

nader te noemen: Dexia,

gemachtigde: mr. T.R. van Ginkel.

De procedure

1. Het verder verloop van de procedure blijkt uit:

Bij tussenvonnis van 20 maart 2014 is bepaald dat Dexia een nieuw financieel overzicht in het geding dient te brengen. Vervolgens zijn ingediend.

  • -

    de akte van Dexia, onder overlegging van een financieel overzicht,

  • -

    de antwoord-akte van [eiseres].

Vonnis is bepaald op heden.


Gronden van de beslissing

2. De kantonrechter blijft bij hetgeen hij in zijn tussenvonnis van 20 maart 2014 heeft overwogen.

3. [eiseres] heeft de volgende lease-overeenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:

Nr

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

I.

[Contractnummer]

17-10-1996

[naam overeenkomst]

180 mnd

ƒ 144.136,80

II.

[Contractnummer]

10-08-1998

[naam overeenkomst]

180 mnd

ƒ 341.323,90

III.

[Contractnummer]

10-08-1998

[naam overeenkomst]

180 mnd

ƒ 569.172,60

4. In totaal heeft [eiseres] op grond van de lease-overeenkomsten volgens Dexia een bedrag van € 17.441,71 terzake de lease-overeenkomst I en een bedrag van € 77.341,35 terzake de lease-overeenkomsten II en III aan maandtermijnen en een bedrag van
€ 151.024,18 (overname aandelen terzake de lease-overeenkomsten II en III) aan Dexia betaald. Vervolgens heeft [eiseres] een bedrag van € 2.401,20 terzake de lease-overeenkomst I en een bedrag van € 17.459,85 terzake de lease-overeenkomsten II en III aan dividenden en een bedrag van € 61.987,82 ten behoeve van lease-overeenkomst I en een bedrag van € 546,36 ten behoeve van lease-overeenkomst II aan ander voordeel ontvangen. Op 18 januari 2012 heeft Dexia nog een bedrag van € 31.705,30 aan [eiseres] uitgekeerd.

[eiseres] heeft met betrekking tot de lease-overeenkomst I een bedrag van
€ 46.947,31 (€ 61.987,82 + € 2.401,20 – € 17.441,71) aan batig saldo ontvangen.

5. Voor de maatstaven en beoordelingskaders verwijst de kantonrechter naar de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH 2815) en van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983), welke als leidraad worden genomen. Door partijen zijn geen althans onvoldoende bijzondere omstandigheden gesteld die in het onderhavige geval een afwijking daarvan rechtvaardigen. Toepassing van die maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is sprake van huurkoop;

  2. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

  3. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  4. . [eiseres]/[eiseres] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;

  5. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

De kantonrechter verwijst naar het vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 (LJN BL0912), in het bijzonder de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3 daarvan, welke hier worden overgenomen. Verder wordt overwogen dat een effecteninstelling (als Dexia) aansprakelijk is voor gedragingen van een tussenpersoon, derhalve ook voor gedragingen van de tussenpersoon.

6. In het onderhavige geval dient op de schade eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW en vervolgens (op het restant) het deel van de schade dat [eiseres] wegens eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW zelf dient te dragen. De wijze waarop dit gebeurt wordt hierna uiteengezet.

7. Ingevolge artikel 6:100 BW dient in mindering te worden gebracht al het voordeel dat [eiseres] ingevolge de lease-overeenkomsten II en III heeft genoten, zoals
aan [eiseres] betaalde of toekomende dividenden. [eiseres] heeft een bedrag
van € 17.459,85 aan dividend en een bedrag van in totaal € 79.208,97 (€ 47.493,67 +
€ 31.715,30) aan ander voordeel van Dexia ontvangen.

8. Nadat het (eventuele) voordeel op de schade in mindering is gebracht, moet vervolgens worden beoordeeld in hoeverre de resterende door [eiseres] geleden schade op de voet van artikel 6:101 BW (eigen schuld) als door [eiseres] veroorzaakt voor rekening van [eiseres] moet blijven. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de termijnen en de restschuld. Verwezen wordt naar de rechtsoverwegingen 3.6 en 3.7 van eerdergenoemd vonnis van de kantonrechter Amsterdam d.d. 27 januari 2010 welke hier worden overgenomen. De kantonrechter gaat hierbij uit van de tot het moment van beëindiging ‘verschuldigde’ termijnen en niet slechts van de ‘betaalde’ termijnen, omdat het voor de vaststelling van de hoogte van de schade niet uitmaakt of een verschuldigd bedrag reeds is betaald of niet. Verschuldigde maar onbetaald gebleven termijnen blijven immers opeisbaar.

Termijnen

9. Partijen zijn het erover eens dat in dit geval toepassing van de door het hof ontwikkelde

formule zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van de lease-overeenkomsten II en III wel had behoren te ontraden omdat daardoor naar redelijke verwachting wel een onaanvaardbaar zware financiële last op [eiseres] werd gelegd. In navolging van het Amsterdamse hof is de kantonrechter van oordeel dat de door [eiseres] gestelde schade aan door [eiseres] betaalde termijnen en inleg voor 1/3 deel voor rekening van [eiseres] behoort te blijven.
Fictieve restschuld

10. Het betreft hier de schade bestaande uit hetgeen meer moest worden betaald door dan de waarde van de aandelen bij overname daarvan, waarmee de gehele lening is afgelost.
Dit is een nadelig financieel gevolg van het aangaan van de overeenkomsten.
De restschuld is betaald en er is daadwerkelijk schade geleden.

Dexia heeft bij nadere akte een financieel overzicht overgelegd. Hieruit blijkt dat de fictieve restschuld (waarde effecten minus restant hoofdsom) kan worden vastgesteld op een bedrag € 79.874,81 (waarde effecten in totaal € 71.104,37 – restant hoofdsom in totaal
€ 150.969,18).

11. Ten aanzien van de (fictieve) restschuld stelt de kantonrechter voorop dat uit de lease-overeenkomsten voldoende duidelijk kenbaar was dat een geldlening werd verstrekt, dat het geleende geld werd belegd in effecten, dat [eiseres] over het geleende bedrag rente was verschuldigd en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald ongeacht de verkoopopbrengst van de effecten. Op de gronden zoals door de Hoge Raad en het Amsterdamse hof is overwogen, is de kantonrechter van oordeel dat hieruit volgt dat wat betreft de (na verrekening van voordeel resterende) schade bestaande uit restschuld in beginsel 1/3 deel daarvan vanwege eigen schuld voor rekening van [eiseres]/[eiseres] behoort te blijven.

Dat leidt tot het volgende.

Algemeen

12. Van omstandigheden die meebrengen dat de billijkheid een andere verdeling van de schade eist dan volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is niet gebleken.

Berekening

13. Nu de lease-overeenkomsten niet rechtsgeldig zijn vernietigd of ontbonden zal

[eiseres]/[eiseres] aan de daaruit voortkomende betalingsverplichtingen dienen te voldoen voor zover deze méér bedragen dan de schade welke volgens de bijlagen door Dexia moet worden gedragen. De in aanmerking te nemen schade terzake van de maandtermijnen komt voor 1/3 deel voor rekening van [eiseres].

Onder verwijzing naar de in de bijgevoegde bijlagen weergegeven berekeningen, brengt het voorgaande mee dat Dexia met betrekking tot de lease-overeenkomst II – rekening houdend met het ontvangen voordeel van lease-overeenkomst I, zijnde een bedrag van € 46.947,31 en de uitkering van € 546,36 – een bedrag van € 6.327,47 aan schade wegens betaalde termijnen dan wel restschuld behoeft te betalen.

Ten aanzien van de lease-overeenkomst III wordt overwogen dat Dexia in totaal een bedrag van € 22.443,68 aan betaalde termijnen en een bedrag van € 33.302,97 aan betaalde restschuld dient te restitueren. Nu Dexia op 18 januari 2012 reeds een bedrag van
€ 31.705,30 aan [eiseres] heeft uitgekeerd, dient hiermee rekening te worden gehouden.

Dat betekent dat Dexia in totaal gehouden is een bedrag van € 62.074,12 aan schade wegens restschuld aan Wijgerse- Mars dient te betalen.

Wettelijke rente

14. Dexia is over dit bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum van betaling van de restschuld, zijnde 6 augustus 2003.

BKR registratie

15. Nu [eiseres]/[eiseres] uit hoofde van de lease-overeenkomsten ingevolge dit vonnis geen betalingsverplichtingen jegens Dexia (meer) heeft, zal de vordering met betrekking tot de BKR-registratie voorwaardelijk - voor het geval Dexia met betrekking tot [eiseres]/[eiseres] een A-codering aan de stichting BKR heeft doorgegeven - worden toegewezen met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd en de termijn waarbinnen Dexia aan haar na te melden verplichting moet voldoen zal worden gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.

16. Nadat aan dit vonnis is voldaan zullen partijen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding(en).

Buitengerechtelijke kosten

17. [eiseres] vordert betaling door Dexia van door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter ziet geen aanleiding dit deel van de vordering toe te wijzen nu
terzake onvoldoende heeft gesteld en evenmin zijn deze door haar nader specifiek onderbouwd om tot het oordeel te kunnen komen dat er werkzaamheden in een minnelijk stadium zijn verricht, die voor een dergelijke vergoeding in aanmerking komen, anders dan ter voorbereiding van processtukken en instructie van de zaak.

Proceskosten

18. Gelet op de uitslag van de procedure dient Dexia te worden veroordeeld in de proceskosten van [eiseres].

Beslissing

De kantonrechter:

I. veroordeelt Dexia aan [eiseres] te betalen € 62.074,12, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 augustus 2003 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure aan de zijde van [eiseres] gevallen, tot op heden begroot op:

- voor explootkosten

92,82

- voor verschuldigd griffierecht

448,00

- voor salaris van gemachtigde

500,00

in totaal

1.040,82

een en ander, voor zover verschuldigd, inclusief btw;

III. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

IV. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter