Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:9684

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2014
Datum publicatie
12-06-2015
Zaaknummer
KG RK 14-2085
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot leggen conservatoir beslag in verband met vordering na ontvlechting van zaken waarvan partijen gezamenlijk eigenaar waren.

Voorzieningenrechter weigert alsnog verlof tot het leggen van conservatoir beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rekestnummer: C/13/574689 / KG RK 14-2085 CB/MV


Beschikking van de voorzieningenrechter van 20 november 2014

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. G.T.J. Hoff te Haarlem,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder,

advocaat mr. A. Kaspers te Amsterdam.


Partijen worden hierna [verzoeker] en [verweerder] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Op 23 oktober 2014 heeft [verzoeker] ten laste van [verweerder] bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek ingediend tot het leggen van conservatoir verhaalsbeslag onder derden, op aandelen en op onroerende en roerende zaken. Bij beschikking van 24 oktober 2014 heeft de voorzieningenrechter het verlof voorlopig verleend, met uitzondering van het verlof tot het leggen van beslag op roerende zaken. In deze beschikking is tevens bepaald dat partijen omtrent de definitieve verlofverlening zullen worden gehoord ter terechtzitting van 13 november 2014.

1.2.

Ter terechtzitting van 13 november 2014 zijn partijen en hun raadslieden verschenen. Aan de zijde van [verzoeker] zijn tevens verschenen zijn partner [partner] en zijn financieel adviseur [adviseur].
[verweerder] heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

2 De feiten

2.1.

[verzoeker] en [verweerder] zijn broers die een aanzienlijk vermogen hebben verworven met de verkoop van hun gezamenlijke onderneming in de Verenigde Staten. [verweerder] heeft nadien een onderneming in Nederland opgezet. [verzoeker] heeft geen betaalde werkzaamheden meer verricht. [verzoeker] en [verweerder] zijn samen (ieder voor 50%) eigenaar geweest van twee landgoederen, gelegen te Bloemendaal ([landgoed 1] en [landgoed 2]). Tevens hebben zij samen in eigendom gehad een weiland bij [weiland] te [plaats] en een appartement aan de [adres].

2.2.

In 2009 hebben partijen besloten om alle zaken waarvan zij gezamenlijk eigenaar zijn te “ontvlechten”. In dit kader heeft [verweerder] (de aandelen van de vennootschap met daarin) [landgoed 2] gekocht van [verzoeker]. [verweerder] heeft [pand] gekocht van [naam 1] en vervolgens doorverkocht aan [verzoeker], zonder dat hij genoodzaakt was hiervoor een hypotheek af te sluiten. [verzoeker] heeft de aan [verweerder] toebehorende helft van het onder 2.1 genoemde weiland gekocht en het appartement aan de [adres] is verkocht aan [naam 1]. Op 29 december 2009 zijn hiertoe bij de notaris diverse notariële aktes gepasseerd. In deze aktes is – kort gezegd – opgenomen dat partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben.

3
3. Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt conservatoir beslag te mogen leggen ten laste van [verweerder] op de in het verzoekschrift genoemde vermogensbestanddelen. De vordering van [verzoeker] wordt hierbij begroot op € 23.050.737,45 (inclusief rente en kosten).

3.2.

[verzoeker] voert hiertoe het volgende aan. [landgoed 1] is reeds in het jaar 2000 aan [verweerder] toegescheiden. Het bedrag waarvoor [verzoeker] destijds is uitgekocht is fl. 15.000.000,-. Dit bedrag is door hem echter nooit ontvangen. [verzoeker] kan niet reconstrueren wat de omzwervingen zijn van het hem toekomende bedrag van fl. 15.000.000,-.

[landgoed 2] is door de broers in 2004 voor € 11.400.000,- verkocht aan [landgoed 2] B.V., waarvan zij ieder voor 50% aandeelhouder werden. Van de verkoopopbrengst is € 10.500.000,- gestort op een en/of depositorekening van [verweerder] en [verzoeker].

In december 2008 heeft [verweerder] de ABN AMRO bank verzocht om het tegoed van de en/of depositorekening van [verweerder] en [verzoeker] (waarvan inmiddels ook het bedrag van fl. 15.000.000,- deel uitmaakte) over te boeken naar een rekening die alleen op naam van [verweerder] stond. Hiermee heeft [verzoeker] niet ingestemd; zijn financieel adviseur heeft hem dit ontraden omdat hij hierdoor “vele miljoenen armer” zou worden. In 2011 is [verzoeker] er bij toeval achter gekomen dat [verweerder], buiten medeweten van [verzoeker], op 23 november 2009 de tegoeden van de en/of depositorekening (op dat moment ongeveer € 25.000.000,-) alsnog naar een rekening heeft overgeboekt die uitsluitend op naam van [verweerder] staat.
In 2009 heeft [verweerder] de ontvlechting geforceerd. Op 18 december 2009 ontving [verzoeker] een vuistdik pak aan notariële aktes. Op 29 december 2009 is hij op een onoorbare wijze onder druk gezet om die aktes te tekenen, terwijl hij juist voornemens was die aktes niet te tekenen. [verzoeker] is niet juridisch onderlegd en had op dat moment geen adviseur bij zich. Thans is gebleken dat de notariële aktes gemaakte afspraken niet juist weergeven. [verzoeker] is daarbij op meerdere punten zwaar benadeeld. Dit blijkt onder meer uit de vier hierna te noemen kwesties.
(1) De waarde van de aandelen van [verzoeker] in [landgoed 2] B.V. (50%) is bepaald op € 2.284.500,- (derhalve uitgaande van een waarde van het landgoed van
€ 4.596.000,-) terwijl de waarde van dit landgoed in 2004 nog is vastgesteld op
€ 11.400.000,-.
(2) [verweerder] heeft zijn broer gegarandeerd dat [pand] in (nagenoeg) perfecte staat zou worden opgeleverd, maar dit bleek niet het geval. Een aannemer heeft de kosten voor het bewoonbaar maken van dit huis geschat op ongeveer
€ 800.000,-.
(3) De waardebepaling van het weiland is onjuist geweest, waardoor [verzoeker] te veel heeft betaald voor de helft van [verweerder] van dit weiland.
(4) Bovendien bleek op dit weiland een levenslang zakelijk recht van gebruik te zijn gevestigd ten behoeve van de echtgenote van [verweerder], terwijl [verzoeker] enkel had ingestemd met een tijdelijk gebruiksrecht.
De vordering van [verzoeker] op [verweerder] bestaat uit de volgende onderdelen:
- [verweerder] heeft zich op onrechtmatige wijze het bedrag van fl. 15.000.000,- (in het kader van de uitkoop uit [landgoed 1]) toegeëigend. Bovendien heeft [verzoeker] hierdoor vanaf december 2000 een jaarlijkse depositorente van 5% (fl. 750.000,-) misgelopen. [verweerder] heeft zich daarnaast het grootste gedeelte van de koopprijs voor [landgoed 2] (€ 10.500.000,-) toegeëigend, terwijl [verzoeker] gerechtigd was op de helft van dit bedrag (€ 5.250.000,-). Vanaf juli 2004 had [verzoeker] bovendien een jaarlijkse depositorente van 5% over dit bedrag kunnen ontvangen (€ 262.500,- per jaar). Deze bedragen bij elkaar opgeteld (minus de kosten van levensonderhoud van [verzoeker], die hij schat op € 30.000,- tot
€ 45.000,- per jaar en die werden betaald van een gezamenlijke rekening met [verweerder]) leiden tot een door [verweerder] te betalen schadevergoeding van
€ 16.300.969,69.
- De te lage waardering van (de aandelen in) [landgoed 2] leidt tot een vordering op [verweerder] van € 3.285.500,-.
- Het schenden van de garantie met betrekking tot de oplevering van [pand] leidt tot een vordering van € 800.000,-.
- De onjuiste waardebepaling van het weiland leidt tot een vordering van
€ 152.500,-.
- Dat op dit weiland een levenslang zakelijk recht van gebruik is gevestigd ten gunste van de echtgenote van [verweerder] leidt tot een schade van € 81.333,33.
- Tot slot stelt [verzoeker] dat [verweerder] ten onrechte (omgerekend) € 34.912,84 aan zichzelf heeft overgemaakt van een Engelse bankrekening van [verzoeker].
Het totaal van de vordering komt hiermee op € 20.655.215,86 (exclusief rente en kosten).

3.3.

[verweerder] heeft verweer gevoerd tegen toewijzing van het verzoek. Op dit verweer wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tot uitgangspunt dient dat een verlof tot het leggen van conservatoir beslag kan worden verleend indien summierlijk is gebleken van de deugdelijkheid van de vordering ter verzekering waarvoor het beslag zal worden gelegd.

4.2.

Uit het beslagrekest alsmede uit hetgeen de raadsman van [verzoeker] ter zitting naar voren heeft gebracht zou blijken dat [verweerder] het geestelijk overwicht heeft over zijn broer [verzoeker] en dat [verzoeker] hiertegen niet is bestand. Door [verzoeker] wordt op zijn minst genomen de suggestie gewekt dat [verweerder] zich op geraffineerde wijze het vermogen van [verzoeker] heeft toegeëigend. Volgens [verzoeker] trok [verweerder] aan de touwtjes en heeft hij zijn broer nergens van op de hoogte gehouden. De rode draad is, aldus [verzoeker], dat beide broers in de beginsituatie gezamenlijk twee aanzienlijke landgoederen bezaten en dat [verweerder] in de eindsituatie bijna alles bezit en [verzoeker] bijna niets. Het verschil tussen begin- en eindsituatie verklaart de vordering van ruim 20 miljoen euro, aldus [verzoeker].

4.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet summierlijk gebleken van de deugdelijkheid van de vordering van [verzoeker] op [verweerder]. De voorzieningenrechter neemt hierbij als uitgangspunt dat partijen elkaar in alle in december 2009 verleden notariële aktes finale kwijting hebben verleend. In een bodemprocedure zou [verzoeker] erin moeten slagen om de finale kwijting die is overeengekomen te doorbreken en op grond van hetgeen hierna wordt overwogen is onvoldoende gebleken dat hij hierin zal slagen.

4.4.

Uit hetgeen [verweerder] ter zitting naar voren heeft gebracht en uit de producties die door hem in het geding zijn gebracht blijkt een geheel ander beeld dan door [verzoeker] is geschetst. Hieruit blijkt immers dat tussen partijen geruime tijd overleg is gepleegd over de ontvlechting van het gezamenlijke vermogen en dat vanaf september 2009 over en weer concrete voorstellen zijn gedaan. Het doel van die voorstellen was steeds om tot een definitieve ontvlechting te komen waarbij beide broers elkaar over en weer finale kwijting zouden verlenen. Uit het eerste voorstel, zoals op 27 september 2009 door [verweerder] op papier gezet (productie 1 van [verweerder]) blijkt reeds dat wederzijdse finale kwijting een van de uitgangspunten was. Uit de door [verzoeker] opgestelde e-mails (die door [verweerder] in het geding zijn gebracht) blijkt dat [verzoeker] wist van de hoed en de rand en dat hij goed voor ogen had welk resultaat hij wilde behalen. In de e-mails is steeds op alle onderwerpen die verband hielden met de ontvlechting ingegaan. Zo blijkt uit een e-mail van 5 november 2009 van [verzoeker] (productie 3 van [verweerder]) dat [verzoeker] op dat moment op de hoogte was van zijn vordering van
fl. 15.000.000,- op [verweerder] in verband met [landgoed 1], en dat die vordering is betrokken bij de voorstellen om tot de ontvlechting te komen. Uit een e-mail van 22 december 2009 van [verzoeker] volgt dat hij er van op de hoogte was dat in de (concept) notariële aktes wederzijdse finale kwijting was opgenomen. De juistheid van de stelling van [verzoeker] dat hij op 29 december 2009 onder onoorbare druk is gezet om de aktes te tekenen, is – gezien tegen de achtergrond van de hiervoor bedoelde e-mailcorrespondentie van partijen – onvoldoende aannemelijk geworden.

4.5.

Voorts is voldoende komen vast te staan dat [verzoeker] ten tijde van de ontvlechting in 2009 beschikte of kon beschikken over deskundige bijstand omdat zijn partner werkzaam is als kandidaat-notaris en omdat hij vanaf 2008 gebruik maakte van de diensten van een financieel adviseur ([adviseur]). Derhalve is niet aannemelijk dat hij de inhoud van de aktes – met name de bepaling waarin de finale kwijting is opgenomen – niet heeft begrepen.

4.6.

In het beslagrekest is daarnaast onvoldoende belicht dat [verweerder] al die jaren het onderhoud van beide landgoederen bekostigde, dat tegenover het huidige bezit van [verweerder] van beide landgoederen aanzienlijke schulden staan en dat [verzoeker] tot 2009 voor zijn levensonderhoud gebruik maakte van gezamenlijke gelden terwijl hij (in tegenstelling tot [verweerder]) in die periode geen inkomsten genoot.

4.7.

Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat de e-mails van [verzoeker], zoals besproken onder 4.4 van deze beschikking, essentieel zijn bij de beoordeling van het onderhavige verzoek en dat deze e-mails ten onrechte niet door [verzoeker] in het geding zijn gebracht. Zijn kennis over het bestaan van die e-mails, de inhoud daarvan en de gevoerde onderhandelingen moeten ook aan zijn raadsman worden toegerekend, die daarvan (op grond van artikel 21 Rv) in het beslagrekest melding had moeten doen.

4.8.

De slotsom is dat het verzoek van [verzoeker] tot het leggen van beslag zal worden afgewezen. Tevens wordt bepaald dat het door de voorzieningenrechter op 24 oktober 2014 voorlopig verleende verlof tot het leggen van beslag komt te vervallen. Voor een kostenveroordeling is geen aanleiding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

weigert alsnog het gevraagde verlof,

bepaalt dat het 24 oktober 2014 voorlopig verleende verlof tot het leggen van beslag ten laste van [verweerder] komt te vervallen.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Berkhout, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2014.1

1 type: MVcoll: