Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:9682

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
12-06-2015
Zaaknummer
13.751.587-14, 14/4635
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Executieoverlevering. Geen evidente tegenstrijdigheid tussen feit (faciliteren van het gebruik van cocaïne door het verschaffen van een lokaal) en lijstfeit ‘illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen’. Geen belang bij bespreking van ander verweer m.b.t. lijstfeit, omdat het feit sowieso gekwalificeerd strafbaar is naar Nederlands recht. Irrelevantie van vervolgingsbeleid voor beoordeling van dubbele strafbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.587-14

RK nummer: 14/4635

Datum uitspraak: 16 december 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 juli 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 11 juni 2014 door het parket bij het hof van beroep Gent (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 1964,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvende op het adres [adres, te plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 oktober 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. D.M. Rupert, advocaat te Amsterdam. De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde te doen ophelderen of de feiten D en E betrekking hebben op cocaïne of cannabis.

De vordering is vervolgens behandeld op de openbare zitting van 2 december 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw. Met toestemming van de officier van justitie en de raadsvrouw heeft de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing bevond.

De rechtbank heeft op de zitting van 21 oktober 2014 de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

De rechtbank heeft op de zitting van 2 december 2014 bepaald dat de schorsing van de op de zitting van 21 oktober 2014 bevolen gevangenhouding onder dezelfde voorwaarden voortduurt tot het moment van deze uitspraak, met dien verstande dat de opgeëiste persoon dient te verblijven op het hierboven genoemde adres.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Belgische nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een voor tenuitvoerlegging vatbaar arrest van het Hof van Beroep te Gent van 11 maart 2014 [de rechtbank leest: 29 januari 2014], met referentienummer 2010/PGG/3764 – C/206/14.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd arrest.

Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en in de emailberichten van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 11 augustus 2014 en 20 november 2014. Door de griffier gewaarmerkte fotokopieën van dit onderdeel en van deze emailberichten zijn als bijlagen aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis, dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, aanhef en onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, aanhef en onder d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:

(i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en

(ii) hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer in:

Het verstekarrest werd op 21 februari 2014 bij exploot van gerechtsdeurwaarder [naam 1] te Merelbeke betekend aan de Procureur des Konings, sprekende met [naam 2], substituut-procureur des Konings, gezien er geen bewijs van persoonlijke ontvangst is, bestaat er voor betrokkene nog steeds de mogelijkheid om verzet aan te tekenen (zie bijlage).

Deze bijlage houdt onder meer het volgende in:

Als de bij verstek genomen beslissing niet aan persoon betekend werd, beschikt de veroordeelde beklaagde over een bijkomende termijn om verzet aan te tekenen.

(…)

Indien de beklaagde kennis heeft gekregen van de niet aan zijn persoon gedane betekening door de betekening van een Europees aanhoudingsbevel of een uitleveringsverzoek of indien de lopende termijn van vijftien dagen nog niet was verstreken op het ogenblik van zijn aanhouding in het buitenland, kan hij in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij werd overgeleverd (…).

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, aanhef en onder d, OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond dus niet van toepassing.

De opgeëiste persoon heeft op de zitting van 21 oktober 2014 verklaard dat hij al verzet heeft aangetekend tegen het arrest van 29 januari 2014. De raadsvrouw en de officier van justitie hebben op de zitting van 2 december 2014 meegedeeld dat de behandeling van het verzet gepland staat voor de zitting van 3 december 2014, maar dat zij verwachten dat de Belgische rechter de behandeling van het verzet (wederom) zal aanhouden, omdat het strafdossier zich nog bij het Hof van Cassatie bevindt in verband met een cassatieberoep van een medeverdachte.

4 Strafbaarheid

4.1

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten A tot en met E waarvoor de overlevering wordt verzocht moet in beginsel achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens het emailbericht van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 11 augustus 2014 is op deze feiten naar het recht van België telkens een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd voor de feiten D en E. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft voor wat betreft deze feiten het lijstfeit “illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen” niet in redelijkheid aangekruist. Feit D is naar Nederlands recht niet strafbaar. Feit E levert geen “handel” op en pleegt in Nederland niet te worden vervolgd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het lijstfeit wel in redelijkheid heeft aangekruist. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de feiten D en E naar Nederlands recht gekwalificeerd strafbaar zijn en dat het Nederlandse vervolgingsbeleid inzake het bezit van geringe hoeveelheden van verdovende middelen voor eigen gebruik niet relevant is.

Oordeel van de rechtbank

Het is in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder voornoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van feit D, kort gezegd het faciliteren van het gebruik van cocaïne door het verschaffen van een lokaal, van zo een evidente tegenstrijdigheid geen sprake. De gestelde omstandigheid dat dit feit naar Nederlands recht niet strafbaar is, doet dan ook niet ter zake.

De opgeëiste persoon heeft geen belang bij beoordeling van het verweer ten aanzien van feit E, kort gezegd het bezit van een niet nader aangeduide hoeveelheid cocaïne voor persoonlijk gebruik. Ook indien de rechtbank tot de conclusie zou komen dat de uitvaardigende justitiële autoriteit dit feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als een lijstfeit, kan zulks niet tot weigering van de overlevering leiden. Zelfs indien sprake zou zijn van een geringe hoeveelheid cocaïne, zou dit feit ook naar Nederlands recht strafbaar zijn met een gevangenisstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden, zoals volgt uit artikel 10, zesde lid, van de Opiumwet. Het door de raadsvrouw bedoelde vervolgingsbeleid doet daaraan niets af.

De rechtbank verwerpt het verweer.

4.2

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit “diefstal door middel van braak, inklimming of valse sleutels, gepleegd in staat van wettelijke herhaling” niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW gestelde eisen.

De rechtbank stelt vast dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van België als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op dit feit in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

5 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

7 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het parket bij het hof van beroep Gent ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. C.A.E. Wijnker, voorzitter,

mrs. A.M. van der Linden-Kaajan en H.E. Spruit, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 16 december 2014.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

C