Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:9640

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
12-05-2015
Zaaknummer
AWB 14/5516
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres voor bijzondere bijstand voor rechtsbijstand van € 76,-- afgewezen, omdat de aanvraag te laat is ingediend. Het beleid van verweerder vermeldt dat tot een bedrag van € 100,-- bijzondere bijstand kan worden aangevraagd tot 12 maanden nadat de kosten zijn gemaakt. Weliswaar is de aanvraag van eiseres binnen de 12 maanden gedaan, maar eiseres had haar aanvraag kunnen doen bij een eerdere aanvraag in een andere procedure. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag hoe het beleid van verweerder moet worden uitgelegd. De rechtbank stelt voorop dat sprake is van buitenwettelijk begunstigend beleid en dat het in beginsel aan verweerder is om het eigen beleid uit te leggen. Voorts stelt de rechtbank vast dat de uitleg van de thans aan de orde zijnde beleidsregel niet eenduidig is. De rechtbank zoekt daarom zoveel mogelijk aansluiting bij de tekst van de beleidsregel. Het beleid maakt een uitzondering voor kleine bedragen. Het beleid geeft niet aan wanneer sprake is van kleine bedragen, maar uit het beleid volgt dat het in elk geval om bedragen onder de € 100,- moet gaan (omdat tot dat bedrag de kleine bedragen kunnen worden opgespaard). Naar het oordeel van de rechtbank moet het thans aan de orde zijnde bedrag van € 76,-- daarom worden aangemerkt als klein bedrag in de zin van de beleidsregel. Voorts staat de tekst van de beleidsregel er niet aan in de weg dat eiseres tot 12 maanden wacht met het aanvragen van bijzondere bijstand voor dit bedrag, opdat zij de aanvraag kan combineren met andere kleine bedragen tot een totaalbedrag van € 100,--. Nu kennelijk geen sprake is geweest van additionele kleine bedragen en eiseres binnen 12 maanden de aanvraag heeft gedaan, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank overeenkomstig de in de beleidsregel neergelegde voorwaarden gehandeld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/5516

uitspraak van de enkelvoudig kamer van 19 december 2014 in de zaak tussen

[naam], te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. J.S. Vlieger),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Mulders).

Procesverloop

Bij besluit van 30 april 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van 22 april 2014 van eiseres voor bijzondere bijstand voor kosten rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 21 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2014. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Op 22 augustus 2013 is aan eiseres een toevoeging toegekend in een zaak tegen Intrum Justitia waarbij een eigen bijdrage is vastgesteld van € 76,--.

1.2

Op 22 april 2014 heeft eiseres bijzondere bijstand aangevraagd voor de hierboven genoemde eigen bijdrage. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat eiseres de aanvraag te laat heeft ingediend. Bijzondere bijstand moet vooraf worden aangevraagd, namelijk uiterlijk op de dag dat de toevoeging wordt aangevraagd.

1.3

Op 7 juni 2014 heeft eiseres tegen het primaire besluit een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich daarbij onder meer op het standpunt dat kleinere bedragen aan bijzondere bijstand kunnen worden opgespaard tot een totaalbedrag van € 100,-- is bereikt en dat dit maximumbedrag reeds is overschreden. In dat verband wijst verweerder op de toekenning van € 137,-- aan bijzondere bijstand bij besluit van 9 april 2014 naar aanleiding van een eerdere aanvraag van 1 april 2014.

2.1

Op grond van artikel 44, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) wordt de bijstand, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

2.2

In paragraaf 9.3.2. van de Beleidsvoorschriften Werk en Inkomen van verweerder is het volgende vermeld:

Uitzonderingen aanvragen bijzondere bijstand.
Voor kleine bedragen geldt een uitzondering. Die kunnen worden opgespaard tot een totaalbedrag van € 100,- is bereikt. Voor dat bedrag is een aanvraag voor bijzondere bijstand mogelijk tot maximaal 12 maanden nadat de eerste kosten zijn gemaakt. De beoordeling van de noodzaak vindt dan achteraf plaats.

In sommige situaties is het onmogelijk om vooraf aan te vragen.
Voorbeeld 1: Het kan voorkomen dat de hoogte van de eigen bijdrage thuishulp pas enkele maanden na een wijziging schriftelijk wordt meegedeeld.
In zo’n situatie kan dan een aanvraag bijzondere bijstand achteraf gedaan worden. Er dient dan rekening gehouden te worden met de individuele omstandigheden om te bepalen wat nog een redelijke termijn van indienen is.

Voorbeeld 2: Het kan voorkomen dat iemand fysiek niet is staat is om tijdig aan te vragen omdat hij bijvoorbeeld is opgenomen in een ziekenhuis. Als aannemelijk is dat er geen gemachtigde kon worden ingeschakeld, moet een aanvraag met terugwerkende kracht mogelijk zijn.

2.3

In paragraaf 9.7.6.1. van de Beleidsvoorschriften Werk en Inkomen van verweerder wordt voorts vermeld dat ook voor kosten van rechtsbijstand geldt hetgeen in 9.3.2 Gemeentelijk beleid staat: Bedragen tot € 100,- kunnen tot 12 maanden nadat ze gemaakt zijn worden aangevraagd. De beoordeling van de noodzaak vindt dan achteraf plaats, op basis van bovenstaande criteria.

3. Eiser voert aan dat verweerder handelt in strijd met zijn beleid. Ten onrechte heeft verweerder gesteld dat het indienen van een aanvraag voor bijzondere bijstand waardoor het totale bedrag van € 100,-- wordt overschreden reeds betekent dat van opsparen van kosten geen sprake meer is en dat dus tegelijk een aanvraag voor het bedrag onder de € 100,-- moet worden gedaan. Eiser doet voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel en verwijst naar de herziene beslissing op bezwaar van 21 november 2014 in de zaak met nummer AMS 14/4373.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bijzondere bijstand in beginsel vooraf moet worden aangevraagd. Het beleid geeft hierop een uitzondering voor bedragen tot € 100,-- die kunnen tot 12 maanden nadat de eerste kosten zijn gemaakt worden aangevraagd. De achtergrond van dit beleid blijft wel dat zo snel mogelijk bijstand moet worden aangevraagd. Ter zitting heeft verweerder verder nog gesteld dat eiseres de bijzondere bijstand voor de op 22 augustus 2013 vastgestelde eigen bijdrage had moeten indienen bij de eerdere aanvraag van 1 april 2014.

5.1

De rechtbank stelt vast dat in de door eiser overgelegde beslissing op bezwaar van 21 november 2014 wordt gesteld dat de in die casus bedoelde aanvraag voor bijzondere bijstand niet in samenhang moet worden gezien met een tweetal andere eerder ingediende aanvragen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder naar voren gebracht dat de beslissing op bezwaar van 21 november 2014 niet onjuist is, maar dat het beleid niet heel erg duidelijk is en dat zij bij haar standpunt blijft dat de aanvraag voor bijzondere bijstand zo snel mogelijk dient te geschieden.

5.2

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag hoe het beleid van verweerder moet worden uitgelegd. De rechtbank stelt voorop dat sprake is van buitenwettelijk begunstigend beleid en dat het in beginsel aan verweerder is om het eigen beleid uit te leggen. Voorts stelt de rechtbank vast dat uit de in de vorige paragraaf weergegeven overwegingen volgt dat de uitleg van de thans aan de orde zijnde beleidsregel niet eenduidig is. De rechtbank zoekt daarom zoveel mogelijk aansluiting bij de tekst van de beleidsregel. Het beleid maakt een uitzondering voor kleine bedragen. Het beleid geeft niet aan wanneer sprake is van kleine bedragen, maar uit het beleid volgt dat het in elk geval om bedragen onder de € 100,- moet gaan (omdat tot dat bedrag de kleine bedragen kunnen worden opgespaard). Naar het oordeel van de rechtbank moet het thans aan de orde zijnde bedrag van € 76,-- daarom worden aangemerkt als klein bedrag in de zin van de beleidsregel. Voorts staat de tekst van de beleidsregel er niet aan in de weg dat eiseres tot 12 maanden wacht met het aanvragen van bijzondere bijstand voor dit bedrag, opdat zij de aanvraag kan combineren met andere kleine bedragen tot een totaalbedrag van € 100,--. Nu kennelijk geen sprake is geweest van additionele kleine bedragen en eiseres binnen 12 maanden de aanvraag heeft gedaan, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank overeenkomstig de in de beleidsregel neergelegde voorwaarden gehandeld.

5.3

De rechtbank is van oordeel dat voor het standpunt van de gemachtigde van verweerder, dat zo snel mogelijk bijzondere bijstand moet worden aangevraagd, geen aanknopingspunten zijn in de tekst van het beleid. Evenmin volgt uit de tekst van de beleidsregel dat binnen de termijn van 12 maanden geen andere aanvragen voor bijzondere bijstand mogen worden gedaan.

5.4

Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding tot finale geschilbeslechting.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,--, en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,-- (zegge: vijfenveertig euro) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 974,-- (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. W.M. Goncalves Sobral, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2014.

griffier

rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

Coll: NV

D: B