Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:9619

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-12-2014
Datum publicatie
30-04-2015
Zaaknummer
AWB 14-3130 en 14-3550
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Langdurigheidstoeslag, atcg, verlaging toetsbedrag, geringe overschrijding, bruto-inkomen

Afwijzing langdurigheidstoeslag en bijzondere bijstand op grond van de Atcg. Verweerder heeft in het bestreden besluit en ter zitting toegelicht dat de oorzaak van de verlaging van het toetsbedrag is gelegen in de omstandigheid dat de werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet per 1 januari 2013 is vervallen. Deze bijdrage wordt dus niet langer bij het brutoloon opgeteld, hetgeen tot een lager fiscaal inkomen leidt en tot een lager toetsbedrag. Nu de verlaging van het toetsbedrag is gelegen in maatregelen die zijn getroffen door de centrale overheid kan verweerder naar het oordeel van de Rechtbank geen onbehoorlijk bestuur worden verweten. Ten aanzien van eisers beroepsgrond dat verweerder ten onrechte zijn bruto jaarinkomen als uitgangspunt heeft genomen, overweegt de rechtbank wat de langdurigheidstoeslag betreft, dat de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam dit uitgangspunt op grond van artikel 8 van de WWB in artikel 3 in samenhang met artikel 1 van de Verordening heeft vastgelegd. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het bruto-inkomen als uitgangspunt is genomen, omdat dit de uitvoeringspraktijk vergemakkelijkt. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder hiermee de verordeningsbevoegdheid heeft overschreden. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder de geringe overschrijding van het toetsbedrag in redelijkheid niet heeft hoeven aanmerken als een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot toepassing van de hardheidsclausule zoals neergelegd in artikel 6 van de Verordening. Inherent aan de vaststelling van een toetsbedrag is immers dat zich altijd gevallen zullen voordoen die net buiten de regeling vallen.

Wat betreft verweerders uitgangspunt om ook bij de beoordeling van het recht op bijstand op grond van de Atcg het bruto-inkomen te hanteren, overweegt de rechtbank dat artikel 35, negende lid, van de WWB aan verweerder ruimte laat om het begrip inkomen nader in te vullen. Verweerder heeft dit gedaan in artikel 1.2, aanhef en onder d en f, van de Atcg. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om dit beleid kennelijk onredelijk te achten. De geringe overschrijding van het toetsbedrag kan naar het oordeel van de rechtbank niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt, op grond waarvan verweerder met toepassing van artikel 4:84 van zijn beleid zou moeten afwijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 14/3130 en AMS 14/3550

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Ahmed).

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2014 (het primaire besluit I) heeft verweerder eisers aanvraag om een langdurigheidstoeslag over het jaar 2014 afgewezen.

Bij besluit van 22 april 2014 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld (AMS 14/3130).

Bij separaat besluit van 13 maart 2014 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiser bericht dat hij met ingang van 1 april 2014 niet langer in aanmerking komt voor bijzondere bijstand op grond van de Regeling Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Atcg).

Bij besluit van 10 april 2014 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld (AMS 14/3550).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2014.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft eisers aanvraag om toekenning van een langdurigheidstoeslag over het jaar 2014 afgewezen en de bijzondere bijstand op grond van de Atcg beëindigd, omdat eisers fiscaal inkomen in 2013 € 16.196,-- bedroeg en daarmee hoger was dan het in dat jaar geldende toetsbedrag van € 16.166,-.

Ten aanzien van het bestreden besluit I (langdurigheidstoeslag)

2. De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.

2.1.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.
Op grond van het vijfde lid van artikel 36 van de WWB wordt voor de toepassing van het eerste lid onder laag inkomen niet verstaan in aanmerking te nemen inkomen hoger dan 110 procent van de op de desbetreffende alleenstaande of gezin van toepassing zijnde bijstandsnorm.

2.2.

Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB stelt verweerder bij verordening regels met betrekking tot het verlenen van een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de WWB.

2.3.

Op grond van artikel 1 van de Verordening Langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand van de gemeende Amsterdam (hierna: de Verordening) wordt in deze verordening verstaan onder:

c. fiscaal inkomen: het brutoloon met daarbij gerekend belaste vergoedingen, waaronder begrepen de vergoeding van de werkgever voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet;

e. IOAW-grondslag: de norm zoals bedoeld in de Regeling vaststelling grondslagen IOAW;

f. langdurig: de periode van 3 opeenvolgende kalenderjaren die voorafgaat aan het verstrekkingsjaar.

2.4.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Verordening komt gelet op het bepaalde in de artikelen 8, eerste lid, onder d, en 36 van de WWB in aanmerking voor de Langdurigheidstoeslag de aanvrager die:

a. voorafgaand aan de peildatum langdurig aangewezen is geweest op een laag inkomen en

b. op de peildatum niet in een inrichting verblijft.

2.5.

Volgens artikel 3, eerste lid, van de Verordening is een laag inkomen een fiscaal inkomen dat jaarlijks gemiddeld niet hoger is geweest dan 110% van de voor het huishouden geldende IOAW-grondslag.

2.6.

Op grond van artikel 6 van de Verordening kan verweerder in gevallen waarin strikte toepassing van de regels tot een onbillijke of onredelijke situatie voor de aanvrager leidt, besluiten in gunstige zin van het bepaalde in de Verordening af te wijken.

3. Gelet op de weergegeven wettelijke bepalingen moet voor de vraag of eiser in aanmerking komt voor een langdurigheidstoeslag over het jaar 2014 worden beoordeeld of eiser in de kalenderjaren 2011, 2012 en 2013 een bruto inkomen heeft gehad dat jaarlijks gemiddeld niet hoger is geweest dan 110% van de voor zijn huishouden geldende IOAW-grondslag. Niet in geschil is dat eisers bruto inkomen in 2013 € 16.196,- bedroeg en dat de van toepassing zijnde IOAW-grondslag toen € 16.166,- bedroeg. Eisers inkomen was in 2013 dus € 30,- hoger dan het toetsbedrag, waardoor hij in beginsel geen recht heeft op langdurigheidstoeslag over het jaar 2014.

4. Eiser heeft aangevoerd dat het toetsbedrag voor het jaar 2013 jaar met € 900,- is verlaagd ten opzichte van 2012, waardoor hij nu de langdurigheidstoeslag misloopt. Eiser is van mening dat sprake is van onbehoorlijk bestuur. Verweerder heeft in het bestreden besluit en ter zitting toegelicht dat de oorzaak van de verlaging van het toetsbedrag is gelegen in de omstandigheid dat de werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet per 1 januari 2013 is vervallen. Deze bijdrage wordt dus niet langer bij het brutoloon opgeteld, hetgeen tot een lager fiscaal inkomen leidt en tot een lager toetsbedrag. Nu de verlaging van het toetsbedrag is gelegen in maatregelen die zijn getroffen door de centrale overheid kan verweerder geen onbehoorlijk bestuur worden verweten. De beroepsgrond faalt.

5. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij twee uitkeringen ontvangt, een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een invaliditeitspensioen. Over het invaliditeitspensioen wordt veel belasting geheven, zodat hij netto veel minder van deze uitkering overhoudt. Verweerder heeft dan ook ten onrechte zijn bruto inkomsten als uitgangspunt genomen, aldus eiser. De rechtbank overweegt ten eerste dat de omstandigheid dat eiser over zijn invaliditeitspensioen veel belasting afdraagt, een fiscale achtergrond heeft, die niet maakt dat verweerder niet de bruto-inkomsten van eiser als uitgangspunt mag nemen. De rechtbank stelt vast dat de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam dit uitgangspunt op grond van artikel 8 van de WWB in artikel 3 in samenhang met artikel 1 van de Verordening heeft vastgelegd. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het bruto-inkomen als uitgangspunt is genomen, omdat dit de uitvoeringspraktijk vergemakkelijkt. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder hiermee de verordeningsbevoegdheid heeft overschreden. De beroepsgrond faalt.

6. Eiser heeft verder naar voren gebracht dat zijn bruto inkomen in 2013 slechts € 30,- hoger lag dan het toetsbedrag, terwijl de financiële consequenties voor hem veel groter zijn geweest. Naast het wegvallen van de langdurigheidstoeslag en de bijzondere bijstand op grond van de Atcg, zal eiser vanwege zijn chronische ziekte ook zijn verplichte eigen risico moeten betalen en vermoedelijk ook de gemeentebelastingen, waardoor hij er op jaarbasis ruim € 1.500,- netto op achteruit zal gaan. De rechtbank stelt vast dat, zoals ook in het bestreden besluit is overwogen, de regelgeving met betrekking tot de langdurigheidstoeslag geen glijdende schaal kent, zodat het niet mogelijk is om eiser te compenseren als hij door een geringe overschrijding van het toetsbedrag meerdere armoedevoorzieningen misloopt. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder de geringe overschrijding van het toetsbedrag in redelijkheid niet heeft hoeven aanmerken als een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot toepassing van de hardheidsclausule zoals neergelegd in artikel 6 van de Verordening. Inherent aan de vaststelling van een toetsbedrag is immers dat zich altijd gevallen zullen voordoen die net buiten de regeling vallen. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat het toetsbedrag in artikel 3 van de Verordening is vastgesteld op 110% van de voor het huishouden geldende IOAW-grondslag, en dus al iets hoger ligt dan het sociale minimum. De beroepsgrond faalt.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding en vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Ten aanzien van het bestreden besluit II (Atcg)

8. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser tegen de beëindiging van de bijzondere bijstand op grond van de Atcg kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat de hoogte van het toetsbedrag in beleid is vastgelegd en het beleid niet voor bezwaar vatbaar is. Zoals ook de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft erkend, kan het bezwaar niet om deze reden niet-ontvankelijk worden verklaard omdat tegen de toepassing van beleid in een individueel geval wel bezwaar kan worden gemaakt. Het beroep is reeds hierom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Nu de rechtbank geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het bezwaar van eiser om andere redenen niet-ontvankelijk is, kunnen de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit niet in stand blijven. In het kader van een finale geschilbeslechting zal de rechtbank verder onderzoeken of zij zelf in de zaak kan voorzien op grond van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb.

9. De volgende bepalingen zijn van belang.

9.1.

Op grond van artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin onverminderd paragraaf 2.2 recht op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

Op grond van het vierde lid van artikel 35 kan in afwijking van het eerste lid bijzondere bijstand ook aan een persoon, behorend tot een categorie chronisch zieken of gehandicapten, of met een hem ten laste komend kind dat tot die categorie behoort, worden verleend met betrekking tot kosten in verband met chronische ziekte of handicap, zonder dat wordt nagegaan of ten behoeve van die persoon of dat kind die kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij of dat kind behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot dergelijke noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.

Op grond van het negende lid van artikel 35 van de WWB zijn het derde tot en met het zesde lid niet van toepassing ingeval van een alleenstaande of een gezin waarvan het in aanmerking te nemen inkomen hoger is dan 110 procent van de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm.

9.2.

Op grond van artikel 2.1 van de Beleidsregels aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten van de gemeente Amsterdam (de Atcg) verstrekt het College als aanvulling op een eventuele vergoeding op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, op aanvraag, aan chronisch zieken en gehandicapten met een laag inkomen een forfaitaire vergoeding ter bestrijding van de noodzakelijk te maken meerkosten die de ziekte of handicap met zich meebrengt.

9.3.

Op grond van artikel 1.2, aanhef en onder f, van de Atcg wordt – voor zover hier van belang – in deze beleidsregels onder laag inkomen verstaan: een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand of een ander fiscaal (gezins)inkomen dat minder dan of gelijk is aan 110% van de afhankelijk van de gezinssituatie van toepassing zijnde bruto IOAW norm.

Op grond van artikel 1.2, aanhef en onder d, van de Atcg wordt in deze beleidsregels onder fiscaal inkomen verstaan: het brutoloon met daarbij gerekend belaste vergoedingen, waaronder begrepen de vergoeding van de werkgever voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, zoals dit blijkt uit de jaaropgave of inkomensspecificatie van een werkgever en/of een uitkeringsinstelling zoals DWI.

10. Niet in geschil is dat eisers bruto inkomen hoger is dan de van toepassing zijnde bruto IOAW norm.

11. Eiser heeft tegen het bestreden besluit II dezelfde beroepsgronden aangevoerd als tegen het bestreden besluit I.

12. De rechtbank verwijst ten aanzien van eisers beroepsgrond dat het toetsbedrag voor het jaar 2013 jaar met € 900,- is verlaagd, naar rechtsoverweging 6. Wat betreft verweerders uitgangspunt om ook bij de beoordeling van het recht op bijstand op grond van de Atcg het bruto-inkomen te hanteren, overweegt de rechtbank dat artikel 35, negende lid, van de WWB aan verweerder ruimte laat om het begrip inkomen nader in te vullen. Verweerder heeft dit gedaan in artikel 1.2, aanhef en onder d en f, van de Atcg. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om dit beleid kennelijk onredelijk te achten. De geringe overschrijding van het toetsbedrag kan naar het oordeel van de rechtbank niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt, op grond waarvan verweerder met toepassing van artikel 4:84 van zijn beleid zou moeten afwijken. De conclusie luidt dan ook dat hetgeen eiser heeft aangevoerd geen doel treft, zodat de rechtbank zelf in de zaak zal voorzien en het bezwaarschrift ongegrond zal verklaren.

13. Ten overvloede wijst de rechtbank eiser op de mogelijkheid om een aanvraag om individuele bijzondere bijstand op grond van artikel 35, eerste lid, van de WWB in te dienen. Zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft medegedeeld, is een dergelijke tegemoetkoming in de kosten vanwege eisers beperkingen niet op voorhand uitgesloten, nu bij een dergelijke aanvraag het netto-inkomen wordt betrokken en een draagkrachtberekening wordt gemaakt.

14. Omdat de rechtbank het beroep, zoals in rechtsoverweging 8 is overwogen, gegrond verklaart, dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep in de zaak AMS 14/3130 (langdurigheidstoeslag) ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep in de zaak AMS 14/3550 (Atcg) gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit II;

  • -

    verklaart het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit II ongegrond;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit II;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,-- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M. Beunk, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Tax, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.