Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:9618

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-08-2014
Datum publicatie
30-04-2015
Zaaknummer
AWB 14-900 en 14-901 en 14-1112
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering wegens gezamenlijke huishouding binnen gemeente en wegens hoofdverblijf buiten gemeente

De rechtbank concludeert dat voornoemde door verweerder aangedragen omstandigheden, los van elkaar dan wel in samenhang bezien, onvoldoende zijn voor het oordeel dat eiser gedurende de gehele genoemde periode zijn hoofdverblijf had bij eiseres op het adres te [woonplaats]. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting nog verwezen naar alle resultaten van het onderzoek, zoals die blijken uit in het proces-verbaal, maar de rechtbank acht deze algemene verwijzing onvoldoende concreet om bij de beoordeling te kunnen betrekken. Uit het voorgaande vloeit voort dat verweerder zijn conclusie dat in de gehele betreffende periode van 1 juni 2008 tot 17 april 2012 sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.

Wat betreft de periode na 17 april 2012 is de rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de verklaringen van eiser en eiseres en de in de woning op het adres van eiseres te [woonplaats] aangetroffen post en persoonlijke spullen van eiser, aannemelijk heeft gemaakt dat eiser daar zijn hoofdverblijf had. Daaruit volgt dat eiser vanwege zijn hoofdverblijf in [woonplaats] sinds 17 april 2012 geen recht meer had op bijstand van verweerder op grond van het bepaalde in artikel 40 van de WWB. Nu eiser heeft verzuimd verweerder daarover in te lichten, is sprake van schending van de inlichtingenplicht zoals neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de WWB. Gelet op het bepaalde in artikel 54, derde lid, van de WWB was verweerder gehouden eisers recht op bijstand over de periode van 17 april 2012 tot en met 20 juni 2013 in te trekken. Gelet op het bepaalde in artikel 58, eerste lid, van de WWB was verweerder eveneens gehouden om het over die periode teveel ontvangen bedrag aan bijstand van eiser terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 14/900, AMS 14/901, AMS 14/1112

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 augustus 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde mr. J.E. van Rossem),

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde mr. R.G. Funcke),


en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeenste Amsterdam, verweerder

(gemachtigde mr. J.M. Boegborn).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2013 (het primaire besluit I) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB) met ingang van 11 juni 2013 ingetrokken.

Bij besluit van 27 januari 2014 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (AMS 14/900).

Bij besluit van 22 juli 2013 (het primaire besluit II) heeft verweerder eisers uitkering over de periode 1 juni 2008 tot en met 11 juni 2013 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode door eiser ontvangen bijstand ten bedrage van in totaal € 65.829,23 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 27 januari 2014 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.


Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (AMS 14/901).

Bij besluit van 22 juli 2013 (het primaire besluit III) heeft verweerder van eiseres de over de periode van 1 juni 2008 tot en met 16 april 2012 door eiser ontvangen bijstand ten bedrage van in totaal € 51.038,04 teruggevorderd.

Bij besluit van 27 januari 2014 (het bestreden besluit III) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (AMS 14/1112).

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014. De beroepen van eiser en eiseres zijn gevoegd behandeld. Eiser en eiseres zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Tevens is verschenen E.O. Tackey, tolk in de taal Twi. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [persoon 1], [functie] bij de Dienst Werk en Inkomen van verweerder.
Overwegingen

1.
Eiser staat van 23 januari 2006 tot heden in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats]. Eiseres heeft van 22 september 2005 tot 17 april 2012 in de GBA ingeschreven gestaan op het adres [adres 2] te [woonplaats]. Van 17 april 2012 tot heden staat zij in de GBA ingeschreven op het adres [adres 3] te [woonplaats].

2. Eiseres heeft een dochter, die bij haar inwoont.

3. Eiser heeft sinds 2004, met uitzondering van een korte periode in 2010, een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ontvangen.

4. Verweerder heeft onderzoek gedaan naar de bijstandsuitkering van eiser. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het “Rapport met fraude” met afsluitdatum 27 juni 2013 (hierna: het frauderapport). In het kader van dit onderzoek heeft verweerder onder meer de volgende onderzoekshandelingen verricht: een onderzoek in de GBA, raadplegen van Suwinet en het kentekenregister van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, opvragen van informatie uit het bestand inzake Melding Ongebruikelijke Transacties en van het Centraal Justitieel Incasso Bureau, opvragen van informatie bij de Belastingdienst, opvragen van informatie bij de woningstichting Eigen Haard, bekijken van de situatie rond de adressen [adres 1], [adres 2] en [adres 3], het horen van verschillende (voormalige) bewoners van woningen rondom voornoemde adressen, het uitvoeren van stelselmatige observaties, het verhoren van eiser en eiseres in het kader van het strafrechtelijk onderzoek en het doorzoeken van de woning op het adres [adres 3]. De resultaten van de onderzoekhandelingen zijn neergelegd in een proces-verbaal van 937 pagina’s (hierna: het proces-verbaal), dat tevens onderdeel uitmaakt van het dossier.

5. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek is verweerder bij de primaire besluiten overgegaan tot intrekking en (mede)terugvordering van de aan eiser verstrekte bijstand.

6. Verweerder heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat eiser sinds 1 juni 2008 een gezamenlijke huishouding voert met eiseres, op de adressen waar zij staat ingeschreven in de GBA.
De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de grondslag voor de intrekking van eisers bijstandsuitkering voor wat betreft de periode van 1 juni 2008 tot 17 april 2012 is gelegen in het feit dat hij door zijn gezamenlijke huishouding met eiseres op het adres [adres 2] voor de toepassing van de WWB geen zelfstandig subject van bijstand was. Eiser heeft dit niet gemeld bij verweerder en heeft aldus de inlichtingenplicht geschonden. Hierdoor heeft eiser ten onrechte bijstand naar de norm van een alleenstaande ontvangen.
De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verder toegelicht dat de intrekking van eisers bijstandsuitkering voor wat betreft de periode van 17 april 2012 tot 11 juni 2013 berust op de grondslag dat eiser een gezamenlijke huishouding voerde en voert op het adres [adres 3] te [woonplaats]. Omdat eiser zijn hoofdverblijf heeft verplaatst buiten de gemeente [woonplaats], kan hij geen aanspraak maken op een bijstandsuitkering van verweerder.
Ten aanzien van eiseres heeft verweerder aan het bestreden besluit III ten grondslag gelegd dat zij hoofdelijk aansprakelijk is voor de bijstand die eiser ten onrechte heeft ontvangen over de periode dat hij een gezamenlijke huishouding met haar voerde op het adres [adres 2].

7.1

Eiser en eiseres hebben allereerst aangevoerd dat onvoldoende aanleiding bestond voor verweerder om bovengenoemd onderzoek te verrichten. Verweerder heeft de resultaten van het onderzoek reeds hierom niet ten grondslag kunnen leggen aan de bestreden besluiten, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van eiser en eiseres.

7.2

De rechtbank stelt vast dat in het frauderapport als aanleiding van het onderzoek is opgenomen dat [functie] [persoon2] waarnemingen heeft verricht bij het adres [adres 3] met betrekking tot de voertuigen van eiser met de kentekens [kenteken 1] en
[kenteken 2]. Deze waarnemingen vonden plaats na een, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, op 2 oktober 2012 ontvangen melding. Deze melding hield in dat met het voertuig met kenteken [kenteken 1] veertig grote zakken rijst op het adres [adres 3] werden binnengebracht en dat er op dat adres tot diep in de nacht werd gefeest. Deze melding is op pagina 778 van het proces-verbaal opgenomen. De waarnemingen hebben volgens pagina 779 van het proces-verbaal plaatsgevonden in de periode vanaf 9 oktober 2012 tot en met 28 januari 2013.

7.3

De rechtbank overweegt dat anonieme tips volgens vaste jurisprudentie aanleiding kunnen zijn voor verweerder om verder onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van een ontvangen bijstandsuitkering. De rechtbank is van oordeel dat onderhavige tip voldoende concreet is en dat de informatie die eruit naar voren komt, indien deze juist blijkt te zijn, relevant kan zijn voor eisers recht op bijstand. Verweerder was dan ook bevoegd om naar aanleiding van deze tip nader onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van eisers bijstandsuitkering. De rechtbank volgt daarom eiser en eiseres niet in hun standpunt dat verweerder de resultaten van dit onderzoek reeds hierom niet ten grondslag kon leggen aan de bestreden besluiten. Daaruit vloeit tevens voort dat, anders dan eiser en eiseres nog hebben betoogd, voor de beoordeling van de onderhavige beroepen niet relevant is welke onderzoeken verweerder in 2010 en (eerder in) 2012 naar eiser heeft gedaan en welke resultaten deze onderzoeken hebben gehad. De beroepsgrond faalt.

8.1

Eiser en eiseres hebben verder aangevoerd dat de bestreden besluiten gebrekkig zijn gemotiveerd, nu daarin niet is ingegaan op hetgeen zij in bezwaar hebben aangevoerd.

8.2

De rechtbank stelt vast dat eiser en eiseres in bezwaar gemotiveerd hebben betwist dat zij sinds 1 juni 2008 een gezamenlijke huishouding voeren. Daarbij zijn zij onder meer ingegaan op de verklaringen die de (voormalige) buren van de onderzochte adressen hebben afgelegd (hierna: de getuigenverklaringen), alsmede op de door henzelf afgelegde verklaringen.

8.3

De rechtbank stelt vast dat verweerder in de bestreden besluiten niet is ingegaan op hetgeen eiser en eiseres in bezwaar hebben aangevoerd. De beroepsgrond dat sprake is van een motiveringsgebrek, slaagt dan ook. De bestreden besluiten komen reeds hierom voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal evenwel ten behoeve van een finale geschillenbeslechting onderzoeken of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

9.1

Eiser en eiseres hebben, kort samengevat, aangevoerd dat zij niet hebben samengewoond. De onderzoeksbevindingen bieden hiervoor volgens eiser en eiseres onvoldoende bewijs Eiser heeft volgens hen wel degelijk op het uitkeringsadres aan de [adres 1] te [woonplaats] gewoond.

9.2

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) gaat het bij de intrekking van een eerder toegekend recht op bijstand om een belastend besluit. Dit brengt met zich dat op verweerder de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot intrekking van de bijstand over te gaan. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van 29 mei 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW7746). Het is daarom aan verweerder om aannemelijk te maken dat eiser sinds 1 juni 2008 een gezamenlijke huishouding voerde met eiseres, op de adressen waar zij stond ingeschreven.

9.3

Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
9.4 De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Naar vaste rechtspraak van de CRvB (zie onder meer de uitspraak van 15 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6547), hoeft het aanhouden van afzonderlijke adressen niet aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal echter voldoende aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van de beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

9.5

De periode in geding beslaat gelet op het primaire besluit I en het primaire besluit II in totaal de periode van 1 juni 2008 (de datum met ingang waarvan verweerder de bijstand bij het primaire besluit II heeft ingetrokken) tot en met 20 juni 2013 (de datum van het primaire besluit I). De periode in geding valt in verband met de verhuizing van eiseres van [woonplaats] naar [woonplaats] op 17 april 2012 uiteen in twee perioden. De rechtbank zal eerst de periode van 1 juni 2008 tot 17 april 2012 beoordelen, de periode waarin eiseres in [woonplaats] woonde.

Ten aanzien van de periode 1 juni 2008 tot 17 april 2012
9.6 Zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft toegelicht, blijkt dat het standpunt dat eiser in de periode van 1 juni 2008 tot 17 april 2012 zijn hoofdverblijf had bij eiseres op het adres [adres 2] te [woonplaats], is gebaseerd op de verklaringen die de bewoners van de woningen in de omgeving van dat adres hebben afgelegd, de verklaringen die eiser en eiseres zelf hebben afgelegd en de aangetroffen verzekeringshulpkaart betreffende een voertuig van eiser waarop dit adres staat vermeld.

9.7

De voormalige buren van [adres 2] hebben -samengevat- het volgende verklaard.
Getuige [naam getuige] (pagina 141 e.v. proces-verbaal), bewoner van [adres getuige], heeft verklaard sinds maart 2007 op dat adres te wonen en heeft na het tonen van een foto van eiser en eiseres verklaard dat zij met zijn drieën op nummer [huisnummer 1] hebben gewoond; man, vrouw en dochter. Getuige [naam getuige] heeft verklaard dat hij ze vrij regelmatig zag. Of de man met een sleutel naar binnen ging weet hij niet, want dat heeft hij niet gezien.
Getuige [naam getuige 2] (pagina 144e.v. proces-verbaal), bewoner van [adres getuige 2], heeft verklaard sinds 2005 op dat adres te wonen. Na het tonen van een foto van eiser en eiseres heeft getuige [naam getuige 2] verklaard dat hij de man en de vrouw van de foto herkent als de voormalige bewoners van nummer [huisnummer 1] en dat zij er al voor hem woonden. Zij zijn vertrokken in de zomer/herfst van 2012, bij de verhuizing zijn beide personen gezien. Er was ook een dochter. De vrouw en dochter zag getuige [naam getuige 2] dagelijks, de man minder vaak. Volgens hem en zijn vrouw waren eiser en eiseres getrouwd met elkaar, er was in 2010/2011 een huwelijksfeest.
Getuige [naam getuige 3] (pagina 148 e.v. proces-verbaal), bewoonster van [adres getuige 3], heeft verklaard sinds december 2008 op dat adres te wonen. Na het tonen van een foto van eiser en eiseres heeft getuige [naam getuige 3] verklaard dat zij de man en de vrouw van de foto herkent als de voormalige bewoners van nummer [huisnummer 1] en dat zij er al voor haar woonden. Ze weet niet of ze getrouwd waren. Getuige [naam getuige 3] zag hen regelmatig, de dochter zag zij het meest.

9.8

De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen niet blijkt op welke feiten en omstandigheden de getuigen hun wetenschap, dat eiser bij eiseres en haar dochter op [adres 2] woonden, baseren. Voor zover al uit de verklaringen kan worden afgeleid dat zij deze wetenschap baseren op eigen waarnemingen, is niet opgenomen waaruit die waarnemingen bestaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder aan deze verklaringen niet de conclusie heeft kunnen verbinden dat eiser sinds juni 2008 hoofdverblijf had op het adres [adres 2].

9.9

Eiser heeft in zijn verhoor op 11 juni 2013 (pagina 7 e.v. proces-verbaal) op de vraag wanneer hij bij eiseres op het adres [adres 2] besloot te gaan wonen, geantwoord: “Het is mijn vriendin en ik was vier à vijf dagen bij haar in de woning. Soms bleef ik slapen.” Ook heeft hij verklaard een sleutel van het adres [adres 2] te hebben gehad.
In zijn verhoor op 12 juni 2013 (pagina 38a e.v. proces-verbaal) heeft eiser op de vraag wat zijn reactie is op het feit dat hij en eiseres volgens getuigen op de [adres ] en op [adres ] van de foto's werden herkend als de bewoners, onder meer geantwoord: “Ik heb al eerder verklaard dat ik op beide adressen veel kom en daarom de buren mij herkennen. Op de [adres ] was ik 3 à 4 keer per week, op [adres ] ben ik bijna dagelijks.” Op de vraag wat eisers reactie is op de verklaring van eiseres, dat eiser sinds 2008 met haar samenwoont, heeft eiser geantwoord: “Zij woont op haar eigen adres, ik hou mijn eigen adres en verblijf daar. Ik woon in mijn eigen woning maar ben vaak bij Debrah. Ik ben gewoon vaak bij Debrah, ook op het [adres ], zo'n 4 à 5 dagen per week, ik bleef dan ook slapen. De nachten dat ik niet bij Debrah sliep was ik in mijn eigen woning. Soms mw. Debrah op mijn adres. Ik geef nu toe dat ik vanaf 2008 een relatie heb met mw. Debrah. Maar ik blijf erbij dat wij niet samenwonen.” Tot slot heeft eiser op de vraag hoe vaak hij sliep op het adres [adres ], verklaard: “Gemiddeld vijf dagen per week, soms sliep ik er ook wel zeven nachten per week. Ik ontving ook mijn post op dat adres.”

9.10

Eiseres heeft in haar verhoren op 11 en 12 juni 2012 (pagina 50 e.v. en pagina 109 e.v. proces-verbaal) verklaard dat zij sinds 2008 een relatie heeft met eiser, dat hij haar vaak bezocht op het adres [adres 2] en dat de buren hem misschien elke dag hebben gezien toen hij haar bezocht, dat eiser niet altijd bij haar was in [woonplaats], maar dat ze dan spraken over de telefoon, dat eiser soms bij haar bleef slapen en dat zij soms bij hem op zijn adres sliep. Eiseres heeft verder verklaard dat eiser bijna dagelijks bij haar was sinds de verloving in 2008. Op de vraag hoe vaak eiser niet bij haar was, heeft eiseres geantwoord: “Ik kan niet zeggen hoe vaak dat was per week of per maand. Ik weet niet hoe vaak hij er was en hoe vaak hij er niet was.” Op de vraag “En wat als we de dagen optellen dat hij bij u was en u bij hem op zijn adres?” heeft eiseres geantwoord: “Dat kan ik me niet herinneren. Soms sliep hij bij mij en soms sliep ik bij hem. We waren bijna elke dag samen, soms in mijn huis en soms in zijn huis.”

9.11

De rechtbank is met eiser en eiseres van oordeel dat verweerder uit voornoemde verklaringen niet de conclusie heeft kunnen trekken dat eiser in de gehele periode van 1 juni 2008 tot 17 april 2012 zijn hoofdverblijf had op het adres [adres 2]. Dat eiser eiseres in die periode vaak op haar adres bezocht en de sleutel had van haar woning, is onvoldoende voor die conclusie. Verder hebben eiser en eiseres niet eenduidig verklaard over het aantal nachten dat eiser in die periode gemiddeld per week bij eiseres doorbracht. Eiseres heeft in het geheel geen concreet aantal nachten genoemd. Eisers verklaringen over het gemiddelde aantal nachten zijn wisselend. Deze verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk wat betreft periode waarin van dit gemiddelde aantal nachten sprake zou zijn geweest. Dit biedt dan ook geen afdoende bewijs dat eiser vanaf de door verweerder gestelde datum van 1 juni 2008 bij eiseres woonde op het adres [adres 2]. De rechtbank stelt vast dat, anders dan in het verhoor op 12 juni 2103 aan eiser is voorgehouden, eiseres niet heeft verklaard dat eiser sinds 2008 met haar samenwoonde. Verder heeft eiseres, nadat haar in het verhoor van 12 juni 2012 is uitgelegd wat wordt verstaan onder het begrip “ hoofdverblijf”, de vraag waar eiser het hoofdverblijf had sinds de aanvang van de relatie in 2008, beantwoord met: “In zijn eigen huis”.

9.12

Dat een verzekeraarshulpkaart voor een voertuig van eiser is aangetroffen waarop het adres [adres 2] staat vermeld, is eveneens onvoldoende voor de conclusie dat eiser in de gehele periode van 1 juni 2008 tot 17 april 2012 zijn hoofdverblijf had op het adres [adres 2], reeds omdat deze kaart slechts betrekking heeft op de periode van 1 augustus 2010 tot 1 september 2011.

9.13

De rechtbank concludeert dat voornoemde door verweerder aangedragen omstandigheden, los van elkaar dan wel in samenhang bezien, onvoldoende zijn voor het oordeel dat eiser gedurende de gehele genoemde periode zijn hoofdverblijf had bij eiseres op het adres [adres 2]. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting nog verwezen naar alle resultaten van het onderzoek, zoals die blijken uit in het proces-verbaal, maar de rechtbank acht deze algemene verwijzing onvoldoende concreet om bij de beoordeling te kunnen betrekken. Uit het voorgaande vloeit voort dat verweerder zijn conclusie dat in de gehele betreffende periode van 1 juni 2008 tot 17 april 2012 sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De vraag of in deze periode sprake is geweest van wederzijdse zorg behoeft dan ook geen bespreking meer.

9.14

De conclusie luidt dat geen aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit II, voor wat betreft de periode van 1 juni 2008 tot 17 april 2012, in stand te laten. Om dezelfde reden bestaat evenmin aanleiding om de rechtsgevolgen van bestreden besluit III, betreffende de terugvordering van eiseres, in stand te laten. De rechtbank kan thans echter niet uitsluiten dat nader onderzoek nog kan bijdragen aan herstel van de geconstateerde gebreken. Dat betekent dat geen aanleiding bestaat om het primaire besluit II, voor wat betreft de periode van 1 juni 2008 tot 17 april 2012, en het primaire besluit III te herroepen. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen, met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak.

9.15

De rechtbank zal vervolgens de periode van 17 april 2012 tot en met 20 juni 2013 beoordelen. Dit betreft de periode vanaf het moment dat eiseres op het adres [adres ] [woonplaats] is gaan wonen tot en met de datum van het primaire besluit I.

Ten aanzien van de periode 17 april 2012 tot en met 20 juni 2013

9.16.

Zoals toegelicht door de gemachtigde van verweerder ter zitting blijkt dat verweerder het standpunt dat eiser vanaf 17 april 2012 hoofdverblijf heeft bij eiseres op het adres [adres 3] te [woonplaats] heeft gebaseerd op de verklaringen die de bewoners van de woningen in de omgeving van dat adres hebben afgelegd, de verklaringen die eiser en eiseres zelf hebben afgelegd, de persoonlijke spullen zoals kleding, medicijnen en administratie die zijn aangetroffen bij de doorzoeking van de woning op dit adres op 11 juni 2013, de post op naam van eiser op het adres [adres 3] die bij die doorzoeking is aangetroffen en de stelselmatige observaties bij dit adres, waarbij een voertuig van eiser met kenteken [kenteken 2] veelvuldig is waargenomen.

9.17

Eiser heeft in de eerdergenoemde verhoren verklaard dat hij bijna dagelijks op het adres [adres 3] is en daar ongeveer 1 à 2 keer per week slaapt. Zijn waardevolle spullen liggen op dit adres omdat er bij eiser al een aantal keren is ingebroken. Een deel van zijn kleren, juwelen, bril en televisie zijn ook aanwezig in de woning van eiseres, alsmede zijn administratie. Als hij zaken doet via internet doet hij dat bij eiseres, eiser heeft zelf geen computer of laptop. Eiser heeft verder verklaard zijn eigen was op zijn adres [adres 1] te doen en daar ook zijn visite te ontvangen.

9.18

Eiseres heeft in de eerdergenoemde verhoren het volgende verklaard. Op de vraag wanneer eiser bij haar in [woonplaats] is komen wonen, heeft eiseres geantwoord: “We hebben afgesproken om bij elkaar te gaan wonen. Hij woonde niet bij mij in [woonplaats]. Hij nam kleding, schoenen mee naar [woonplaats] en alles wat hij nodig had. Hij had ook wat administratie bij zich.” Op de vraag of eiser een sleutel heeft van de woning, heeft eiseres geantwoord dat zij de sleutel aan eiser heeft gegeven sinds zij vorig jaar in de woning kwam wonen. Verder heeft eiseres verklaard: “Hij is pas bij me gaan wonen toen ik naar [woonplaats] verhuisde. Hij kwam wel vaak bij mij in [woonplaats], we belden vaak.” Op de vraag of eiseres met eiser samenwoonde, heeft eiseres geantwoord: “Ja, vanaf het moment dat ik in [woonplaats] woon.” Op de vraag wat eiseres onder samenwonen verstaat, heeft eiseres geantwoord: “Als je bij iemand woont”. Op de vraag hoe vaak eiser niet bij haar in [woonplaats] is, heeft eiseres geantwoord dat hij soms ergens naartoe gaat. Op de vraag of er dagen zijn dat eiser niet in [woonplaats] slaapt, heeft eiseres geantwoord: “Dat komt zelden voor. Hij geeft me dan geen reden.”.

9.19

Eiseres heeft betwist dat zij zou hebben verklaard dat zij met eiser samenwoont op het adres [adres 3]. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de CRvB, ook indien de betrokkene later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen mag worden uitgegaan van de juiste weergave van de aanvankelijk tegenover een [functie] of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens ondertekende verklaring. De rechtbank verwijst naar bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 maart 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4117). Dat eiseres haar verklaringen niet heeft ondertekend leidt, evenals in bovengenoemde uitspraak van de CRvB, niet tot een ander oordeel. De processen-verbaal van de verhoren zijn op ambtsbelofte opgemaakt, de verklaring van 12 juni 2013 is aan eiseres voorgelezen, waarna zij in die verklaring volhardde. Eiseres vond het niet nodig dat de verklaring van 11 juni 2013 aan haar werd voorgelezen. Eiseres heeft de verklaringen niet ondertekend omdat haar dit door haar advocaat was geadviseerd. Dat eiseres niet met behulp van een tolk Twi is gehoord leidt evenmin tot het oordeel dat verweerder eiseres niet aan de door haar afgelegde verklaringen mag houden, nu uit de processen-verbaal op geen enkele wijze valt op te maken dat sprake is van een gebrekkige communicatie wegens het ontbreken van een tolk Twi. De beroepsgrond faalt.

9.20

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op voornoemde verklaringen van eiser en eiseres en de in de woning op het adres [adres 3] op 11 juni 2013 aangetroffen post en persoonlijke spullen van eiser, aannemelijk heeft gemaakt dat eiser sinds 17 april 2012 zijn hoofdverblijf had bij eiseres op haar adres. Bij dit oordeel betrekt rechtbank tevens de verklaring van getuige [naam getuige 4] (pagina 212 e.v. proces-verbaal), bewoner van [adres getuige 4], die sinds augustus 2012 op dat adres woont. Zij heeft verklaard dat op het adres [adres 3] een Afrikaanse man, vrouw en dochter wonen en dat de man zich als buurman van [huisnummer 2] heeft voorgesteld. Zij heeft eiser van de getoonde foto herkend als de buurman van [adres 3].

9.21

Naar het oordeel van de rechtbank leveren de hiervoor besproken onderzoeksbevindingen voldoende bewijs op voor het wonen van eiser op het adres [adres 3]. Gelet hierop behoeven de beroepsgronden voor zover deze betrekking hebben op de stelselmatige observaties en de gestelde daarmee samenhangende inbreuk op de privacy geen bespreking.

10. Uit het voorgaande volgt dat eiser vanwege zijn hoofdverblijf in [woonplaats] sinds 17 april 2012 geen recht meer had op bijstand van verweerder op grond van het bepaalde in artikel 40 van de WWB. Nu eiser heeft verzuimd verweerder in te lichten over (de verplaatsing van( zijn hoofdverblijf per 17 april 2012, is sprake van schending van de inlichtingenplicht zoals neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de WWB. Gelet op het bepaalde in artikel 54, derde lid, van de WWB was verweerder gehouden eisers recht op bijstand over de periode van 17 april 2012 tot en met 20 juni 2013 in te trekken. Gelet op het bepaalde in artikel 58, eerste lid, van de WWB was verweerder eveneens gehouden om het over die periode teveel ontvangen bedrag aan bijstand van eiser terug te vorderen.

11. De conclusie luidt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit I en het bestreden besluit II, voor zover die betreffen de intrekking en terugvordering van eisers bijstandsuitkering in de periode van 17 april 2012 tot en met 20 juni 2013, in stand kunnen blijven.

12. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser en eiseres het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser en eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank voor eiser op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.461,- (in totaal 2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).
Deze kosten stelt de rechtbank voor eiseres op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser en eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten I, II en III;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit I en het vernietigde bestreden besluit II in stand blijven voor zover die betreffen de intrekking en terugvordering van eisers bijstandsuitkering in de periode van 17 april 2012 tot en met 20 juni 2013;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaarschriften tegen de primaire besluiten II en III met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 90,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.461,-;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Spoel, voorzitter, mrs. C. Bakker en S.E. Reichert, leden, in aanwezigheid van mr. S. Tax, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2014.

de griffier

bij afwezigheid van de voorzitter
tekent de oudste rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB