Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:949

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2014
Datum publicatie
04-03-2014
Zaaknummer
13/751236-13 / RK 13/8635
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overlevering van een opgeëiste persoon aan Finland

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.236-13 (EAB 1)

RK nummer: 13/8635

Datum uitspraak: 28 februari 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 december 2013 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 10 december 2013 door de State prosecutor of the Office of the Prosecutor General (Finland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van de opgeëiste persoon:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in[detentieadres];

hierna te noemen: de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 14 februari 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.A. Bosman. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Finse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat zij er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Finse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest warrant van Helsinki District Court van 5 december 2013, No. 4460, met referentie PK 13/8355.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar het recht van Finland strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

4.1

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

In het originele EAB heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het achtste lijstfeit, te weten “petos (…)” aangekruist. In de Engelse vertaling van het EAB ontbreekt echter een kruis op deze plek.

Het emailbericht van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 20 december 2013 houdt onder meer het volgende in:

(…)

I am happy to clarify that in the original Finnish version of the EAW signed by me I have ticked

Fraud

as a listed EAW-offence punishable in Finland by a custodial sentence or detention order of a maximum of at least 3 years as defined by the laws of Finland.

In the English translation “fraud” should have been marked as well.

(…)

In het licht van dit emailbericht moet onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit “aiding and abetting aggravated fraud” achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit dit strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Dit feit valt op deze lijst onder nummer 8, te weten:

fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belagen van de Europese Gemeenschappen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Finland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering voor dit feit moet worden geweigerd. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De casus betreft de levering van apparatuur aan de Finse overheid. De Finse overheid zou het contract niet hebben afgesloten, als zij op de hoogte zou zijn geweest van alle relevante feiten en omstandigheden. Er is dus niet voldaan aan de precontractuele mededelingsplicht. De casus betreft dan ook een zuiver civielrechtelijke kwestie, die als dwaling valt te kenmerken. Elke link met een strafbaar feit ontbreekt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verweer moet worden verworpen. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Er is meer dan alleen een civielrechtelijke kwestie. De Finse politie heeft opsporingsapparatuur afgenomen van een “besmet” bedrijf. Daardoor kan de betrouwbaarheid van deze apparatuur en de daarmee geboekte opsporingsresultaten ter discussie komen te staan. De Finse politie is misleid door de financiering van het bedrijf te verhullen. Als de Finse politie op de hoogte zou zijn geweest van de wijze waarop het bedrijf was gefinancierd, dan zou zij de apparatuur niet hebben afgenomen. De aankruising van het lijstfeit “fraude” is dan ook passend.

Het oordeel van de rechtbank

Het verweer houdt in wezen een betwisting in van de juistheid van het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit dat hetgeen waarvan zij de opgeëiste persoon verdenkt naar Fins recht een strafbaar feit oplevert. Het beginsel van wederzijdse erkenning en de hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten waarop dat beginsel berust, brengen echter mee dat de rechtbank aanneemt dat de overlevering gevraagd wordt voor een gedraging die naar het recht van de uitvaardigende lidstaat strafbaar is (zie bijv. Rb. Amsterdam 6 juli 2007, LJN BB2690).

Voor zover de raadsman heeft bedoeld te stellen dat het feit naar Nederlands recht niet strafbaar is, geldt het volgende. Het is in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder de lijst van bijlage I bij de Overleveringswet valt en welk feit dient te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de omschrijving van het feit en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

De omschrijving van het feit houdt onder meer in dat de opgeëiste persoon en zijn mededaders de Finse overheid door bedrog - te weten door het verhullen van de financiering van het bedrijf [naam bedrijf] en van de banden met de opgeëiste persoon, die in het verleden voor een zwaar drugsdelict is veroordeeld -, hebben gebracht tot de aankoop van apparatuur en dat de Finse overheid deze apparatuur niet van het bedrijf zou hebben gekocht, indien zij op de hoogte was geweest van de financiering daarvan. Een en ander levert naar Fins recht het strafbare feit “aggravated fraud” op.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat van een evidente tegenstrijdigheid tussen de omschrijving van het feit en de aangeruiste categorie geen sprake is.

De rechtbank verwerpt het verweer.

4.2

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit “aiding and abetting” van “aggravated abuse of public office” niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e OLW gestelde eisen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft primair betoogd dat de overlevering voor dit feit moet worden geweigerd, omdat de omschrijving van het feit geen verband legt tussen de opgeëiste persoon en het door [naam] begane strafbare feit.

Subsidiair heeft de raadsman verzocht de behandeling van het EAB aan te houden, teneinde de Finse autoriteiten in de gelegenheid te stellen duidelijk te maken wat de opgeëiste persoon zou hebben gedaan en in hoeverre dat een strafbaar feit oplevert.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat dit verweer moet worden verworpen. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De opgeëiste persoon wordt verdacht van uitlokking van, medeplichtigheid aan dan wel medeplegen van het misbruiken van een openbaar ambt door de hoge politieambtenaar [naam]. Deze deelneming zou erin hebben bestaan dat hij betrokken was bij de financiering van [naam bedrijf], het bedrijf dat de apparatuur aan de Finse overheid leverde en ten behoeve waarvan [naam] in strijd met zijn ambtsplicht handelde.

Subsidiair heeft de officier van justitie verzocht de behandeling van het EAB aan te houden, teneinde vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Het oordeel van de rechtbank

De omschrijving van het feit houdt onder meer in dat de hoge politieambtenaar [naam] zijn ambtsplicht zou hebben geschonden door de besluitvorming over de aanschaf van apparatuur van [naam bedrijf] voor te bereiden of daaraan deel te nemen en dat er redenen zijn om aan te nemen dat hij een aanzienlijk financieel belang had bij die aanschaf. De opgeëiste persoon, die betrokken zou zijn geweest bij de financiering van het bedrijf [naam bedrijf], wordt verdacht van “aiding and abetting” van dit strafbare feit. Aldus legt de omschrijving wel degelijk een verband tussen het strafbare handelen van [naam] en het handelen van de opgeëiste persoon.

Voor zover de raadsman heeft bedoeld te stellen dat het handelen van de opgeëiste persoon naar Fins recht niet strafbaar is, stuit dit verweer af op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 4.1 heeft overwogen. Voor zover de raadsman heeft bedoeld te stellen dat het handelen van de opgeëiste persoon naar Nederlands recht niet strafbaar is, geldt dat de omschreven deelneming aan het strafbare handelen van [naam] (“aiding and abetting”) naar Nederlands recht strafbaar is als medeplegen of medeplichtigheid.

De rechtbank verwerpt dan ook het primaire verweer en wijst het subsidiaire verzoek af.

De rechtbank stelt vast dat het feit waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Finland als naar Nederlands recht strafbaar is en dat op dit feit in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

medeplegen van dan wel medeplichtigheid aan: een gift, belofte of dienst aannemen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen.

5 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

6 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47, 48 en 363 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

7 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan State prosecutor of the Office of the Prosecutor General ten behoeve van het in Finland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. W.H. van Benthem, voorzitter,

mrs. A.R.P.J. Davids en P. Rodenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 28 februari 2014.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

C