Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:9475

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
AWB - 12 _ 4028
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na tussenuitspraak zijn gebreken in bestreden besluit niet hersteld. Uitgangspunt is dat de FML een hulpmiddel moet zijn en de verzekeringsarts dus de mogelijkheid heeft om daarvan af te wijken. De door verweerder gegeven motivering om het bestreden besluit niet aan te passen blijft te algemeen en doet daarmee geen recht aan eisers beperkingen. De eisen die verweerder stelt aan de toekomstige collega's van eiser gaan naar het oordeel van de rechtbank veel te ver.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 12/4028

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2014 in de zaak tussen

[naam], te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. R.E. Zalm),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. Z. Seyban).

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eisers uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) te verhogen.

Bij besluit van 4 juli 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend teneinde een medische opdracht te verlenen aan onafhankelijk deskundige M.R. Weeda, psychiater te Amsterdam. De deskundige heeft een rapport uitgebracht op 4 december 2013.

Bij tussenuitspraak van 9 juli 2014 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.

Eiser heeft hierop een schriftelijke zienswijze gegeven.

Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om een einduitspraak te doen zonder een nadere zitting te houden.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak, die in kopie aan deze uitspraak wordt gehecht. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, verweerder de gelegenheid gegeven om volgende gebreken in het bestreden besluit te herstellen:

  • -

    Onder 1.8 van de FML (overige beperkingen in het persoonlijk functioneren) staat de toelichting dat eiser wekelijks een pseudo-epileptisch insult heeft dat enkele minuten tot uren kan duren. De bezwaarverzekeringsarts gaat daarbij uitsluitend uit van een lichte aanval, terwijl de psychiater heeft gerapporteerd dat eiser na een zware aanval daarvan nog dagen last ondervindt die hem beperkingen opleveren. De beperkingen uit items 1.9.4 en 1.9.6 van de FML (het aangewezen zijn op werk waarbij hij niet wordt afgeleid door de activiteiten van anderen en waarbij hij niet veelvuldig wordt gestoord en onderbroken) kan dan ook niet de lading dekken van de beperkingen die eiser ondervindt ten gevolge van een zwaardere aanval. Evenmin zien deze beperkingen op de angst die hij voortdurend heeft voor een nieuwe aanval en de daaruit voortvloeiende invaliderende persoonlijkheidstrekken.

  • -

    Bij item 1.9.9. (werk zonder verhoogd risico) heeft de bezwaarverzekeringsarts buiten beschouwing gelaten dat eiser, teneinde te kunnen werken, adequate begeleiding nodig heeft.

  • -

    Item 2.9. (samenwerken) gaat voorbij aan hetgeen psychiater Weeda heeft gezegd over het niet passend zijn van een werkomgeving met anderen. Een sterke beperking was daar op zijn plaats geweest. Bij dit onderdeel heeft de bezwaarverzekeringsarts volledig buiten beschouwing gelaten dat eiser de veiligheid van anderen in gevaar brengt/kan brengen.

  • -

    Bij de beperking voor vervoer (item 2.10) ontbreekt de beperkende invloed van angst die eiser in openbare ruimtes ervaart.

  • -

    Bij item 2.11 (overige beperkingen in het sociaal functioneren) is uitsluitend opgenomen dat eiser overmatig kritiekgevoelig is bij hiërarchische bevelen en veel opdrachten. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt hierbij dat het volgen van een (interne) opleiding hierdoor eveneens een beperking is. Tevens had de veiligheid van anderen hier moeten worden meegewogen, in die zin dat voor eiser als beperking geldt dat hij een gevaar voor anderen kan opleveren. Eveneens geldt hier als beperking dat eiser niet op de werkvloer kan functioneren zonder dat zijn collega’s vooraf geïnstrueerd zijn over de risico’s die dit met zich meebrengt.

  • -

    Bij item 2.12.4 ontbreekt de beperking dat eiser geen leidinggevende functie kan vervullen.

De rechtbank heeft voorts de arbeidsdeskundige opdracht gegeven nader te motiveren waarom de geselecteerde functies als passend worden beschouwd, nu eiser grote beperkingen blijkt te hebben ten aanzien van hiërarchie en het volgen van aanwijzingen en instructies, zowel tijdens het uitvoeren van werkzaamheden als tijdens het volgen van (interne) opleidingen om ingewerkt te raken.

3. Verweerder heeft meegedeeld van deze gelegenheid gebruik te zullen maken en op 22 augustus 2014 een inhoudelijke reactie gegeven. Verweerder heeft de zaak opnieuw voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Naar aanleiding van deze rapportages is er voor verweerder geen aanleiding geweest om een gewijzigd besluit te nemen. De verzekeringsarts bezwaar & beroep [naam 1] heeft uiteengezet dat de aangegeven beperking op de items 1.9.4 en 1.9.6. eerder zien op de PTSS waaraan eiser lijdt dan op de recuperatieperiode na een insult. Dit laatste komt tot uitdrukking in de gegeven urenbeperking. Verweerder heeft daarbij gekozen voor een globaal ingeschat gemiddelde van inzetbaarheid. Het begrip begeleiding kan uitsluitend onder item 1.9.3. (werk dat onder rechtstreeks toezicht en/of intensieve begeleiding wordt uitgevoerd) worden ondergebracht. Verweerder heeft dit echter niet gedaan, omdat dit tot gevolg zou hebben dat uitsluitend Wsw-werk voor eiser geschikt zou zijn. Omdat eiser geen ernstige verstandelijke handicap heeft, komt hij hiervoor niet in aanmerking.

De beperking met betrekking tot professioneel vervoer is ondergebracht onder die van persoonlijk risico. Angst voor openbare ruimte is volgens de verzekeringsarts geen indicatie voor een vervoersvoorziening.

Het gevaar dat eiser voor anderen oplevert, dat bij verschillende items aan de orde komt, kan niet in de FML worden ondergebracht. Hetzelfde geldt voor een beperking ten aanzien van de overmatige kritiekgevoeligheid die eiser in een opleiding ervaart.

De beperking ten aanzien van leidinggevende functies wordt wel aan de FML toegevoegd.

4. De arbeidsdeskundige in bezwaar en beroep [naam 2] heeft de geduide functies opnieuw bekeken naar aanleiding van de twee aan de FML toegevoegde beperkingen (niet beroepsmatig autorijden en geen leidinggevende aspecten). Beide aspecten komen volgens de arbeidsdeskundige niet voor in de functies en hebben daarom geen invloed daarop. Ten aanzien van het aspect hiërarchie heeft de arbeidsdeskundige erop gewezen dat eiser op een voor hem gepaste wijze (empathisch en stimulerend) kan worden begeleid. Daarnaast is van belang dat zijn naaste collega’s wordt geleerd hoe met hem om te gaan. Van een toekomstige werkgever mag een dergelijke begeleiding worden verwacht.

5. Eisers gemachtigde heeft bij brief van 29 september 2014 hierop gereageerd en als nieuw gegeven aangevoerd dat van een werkgever bezwaarlijk kan worden verwacht dat hij dan wel collega’s op de werkvloer eiser in geval van een insult medicijnen toedienen, aangezien deze rectaal moeten worden ingebracht.

6. De verzekeringsarts bezwaar & beroep [naam 1] heeft hierop geantwoord dat het toedienen van valium intraveneus geschiedt. De arbeidsdeskundige in bezwaar en beroep[naam 2] heeft op grond hiervan zijn oordeel wat van een eventueel toekomstige werkgever kan worden verwacht niet bijgesteld.

Eindoordeel van de rechtbank

7.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet alle gebreken die in de tussenuitspraak zijn opgesomd in voldoende mate heeft hersteld.

7.2.

De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder in het geheel niet is ingegaan op de in de tussenuitspraak genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 september 2013, (ECLI:NL:CRVB:2013:1646) waarin is overwogen dat de verzekeringsarts de mogelijkheid heeft om in het individuele geval af te wijken van de lijst van beperkingen dan wel aanvullende beperkingen te formuleren, zowel op de FML als in de verzekeringsgeneeskundige rapporten. Verweerder heeft zich daarentegen juist op het standpunt gesteld dat eisers beperkingen niet onder de FML zijn te scharen en daarom niet kunnen worden meegenomen in de beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid. Dit is naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de algemene lijn in de jurisprudentie dat de FML een hulpmiddel is bij het beoordelen van de arbeidsongeschiktheid. Evenmin heeft verweerder hiermee voldaan aan het door de CRvB gestelde vereiste dat de beoordeling van de verzekeringsarts voldoende inzichtelijk moet worden gemotiveerd.

7.3.

Meer specifiek overweegt de rechtbank ten aanzien van de door de verzekeringsarts bezwaar & beroep [naam 1] gegeven motivering het volgende. Verweerder is van mening dat de gegeven urenbeperking van 20 uur per week (4 uur per dag) voldoende aan de beperkingen tegemoet komt die eiser ondervindt in de recuperatieperiode en gebaseerd is op een inschatting van het gemiddelde van de beperkingen na een aanval. Uit het rapport van psychiater Weeda blijkt echter dat eiser ook regelmatig een zware aanval heeft, die veel verdergaande beperkingen voor hem oplevert. Verweerder heeft dit niet onderzocht en buiten beschouwing gelaten.

Ten aanzien van het begrip begeleiding heeft verweerder ervoor gekozen om dit niet in de FML op te nemen, omdat eiser anders uitsluitend zou zijn aangewezen op Wsw-werk. De enkele overweging dat eiser hiervoor niet in aanmerking komt, omdat hij geen verstandelijke handicap heeft is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Ook hier geldt dat verweerder zich te veel heeft laten leiden door de mogelijkheden en vooral beperkingen die de FML oplegt. De rechtbank ziet niet in waarom deze vergaande beperkingen niet bij toelichtingen kunnen worden ondergebracht.

Verweerder heeft voorts eisers angstklachten die op verschillende gebieden invloed hebben buiten beschouwing gelaten. In de FML van 23 december 2013 is bijvoorbeeld item “2.10 Vervoer” gescoord als “beperkt, is voor vervoer aangewezen op hulp van anderen” met daarbij de toelichting “normaal, maar mag niet beroepsmatig autorijden”. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak nadrukkelijk overwogen dat bij deze beperking de beperkende invloed van angst die eiser in openbare ruimtes ervaart ontbreekt. De verzekeringsarts bezwaar & beroep heeft in de rapportage van 22 juli 2014 gesteld “Angst voor openbare ruimten is doorgaans geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Ingeval van agorafobische klachten is juist de bedoeling de grenzen zoveel mogelijk te verleggen [….]”. Voor zover de rechtbank bekend zijn agorafobische klachten hier niet aan de orde. Zoals de deskundige al heeft aangegeven heeft eiser angst voor een aanval, welke angst hem dagelijks parten speelt in die zin dat hij bij enig voorgevoel in de vorm van spanningen of nervositeit openbare ruimtes mijdt (p.10) en dat de angst voor het optreden van een dergelijke aanval die niet alleen zeer invaliderend is maar ook schaamte oproept bij betrokkene en angst bij omstanders, een vrijwel dagelijks beperkende factor is (p.11). De rechtbank overweegt dat bij het beoordelen van de vraag of eiser beperkt is op het item vervoer deze beoordeling niet kan worden afgedaan met een overweging dat eiser geen agorafobie heeft en derhalve uitsluitend beperkt wordt op “beroepsmatig autorijden”. De rechtbank acht hiermee bepaald onvoldoende gemotiveerd waarom eiser met zijn klachten in het openbaar vervoer zou kunnen stappen.

Verweerder maakt voorts bij het item kritiekgevoeligheid een onderscheid tussen het volgen van een opleiding en het verrichten van arbeid. Verweerder verliest daarbij uit het oog dat zonder de inwerksituatie er voor eiser in het geheel geen werk beschikbaar is. Dit kan daarom niet los van elkaar worden gezien.

Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat het medische gedeelte van de schatting geen stand houdt.

7.4.

De arbeidsdeskundige is ingegaan op het aspect hiërarchie. De rechtbank kan zich verenigen met diens motivering dat een docent of leidinggevende die gespecialiseerde kennis of ervaring heeft degene zou kunnen zijn om eiser op de voor hem gepaste wijze (empathisch en stimulerend) te kunnen benaderen en dat deze docent of leidinggevend zonodig vooraf geïnstrueerde zou kunnen worden door een jobcoach.

7.5.

De rechtbank kan zich echter niet verenigen met de overige eisen die verweerder aan de toekomstige werkgever van eiser stelt. Het intraveneus toedienen van medicijnen, voor zover dit daadwerkelijk aan de orde is, kan - voor zover de rechtbank bekend - niet door een leek geschieden. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het bovendien te ver om intraveneus of rectaal toedienen van medicijnen van een werkgever en directe collega’s te verlangen. De rechtbank merkt hier nog op dat deze door de gemachtigde na de tussenuitspraak aangevoerde grond een voortzetting is van de eerder aangevoerde gronden en als zodanig hier wel kan worden behandeld.

Ook de arbeidskundige kant van de schatting houdt daarom geen stand.

8. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd en verweerder dient een nieuw besluit te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, omdat dat in deze zaak te veel zou ingrijpen in de bestuurlijke vrijheid die verweerder hier heeft. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint, nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.217,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken nadat deze uitspraak gezag van gewijsde heeft gekregen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.217,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Polak, rechter, in aanwezigheid van M. van Velzen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.