Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:9437

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
19-02-2015
Zaaknummer
AMS 14-4896 e.a.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procesbelang bij beroep: rechtbank verwerpt de stelling van verweerder dat eiseressen aannemelijk moeten maken dat zij daadwerkelijk kosten voor rechtsbijstand hebben gemaakt.

Proceskosten in bezwaar: 164 samenhangende zaken in bezwaar vanwege de (nagenoeg) gelijktijdig ingediende bezwaarschriften en 15 niet-samenhangende zaken. Bijzondere omstandigheden om af te wijken van forfaitaire vergoeding. De rechtbank acht € 120,- per persoon redelijk.

Proceskosten in beroep: 179 samenhangende zaken in beroep aangezien in één beroepschrift namens alle eiseressen beroep is ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/4896 e.a.

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2014 in de zaak tussen

de in de aan deze uitspraak gehechte bijlage genoemde personen, te Marokko, eiseressen

(gemachtigde: mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn),

en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: J.Y. van den Berg).

Procesverloop

Bij 179 afzonderlijke besluiten heeft verweerder de uitkeringen op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) van eiseressen met ingang van 1 januari 2013 aangepast aan het kostenniveau van het land waar zij wonen (de primaire besluiten).

Bij 179 afzonderlijke besluiten van 20 en 26 juni 2014 en van 1, 2, 3, 9, 10, 17, 28, 29 juli 2014 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de daartegen door eiseressen gemaakte bezwaren gegrond verklaard en meegedeeld dat per 1 januari 2013 geen woonlandfactor wordt toegepast.

Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld ter zitting van 30 oktober 2014. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Ter zitting zijn 188 zaken gevoegd behandeld. De rechtbank heeft in 9 zaken het vooronderzoek heropend. Hiervoor heeft de rechtbank een afzonderlijke beslissing genomen. Deze uitspraak ziet daarom alleen op de 179 zaken, waarvan de zaaknummers worden genoemd in de aangehechte bijlage.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1.

Bij uitspraak van 22 augustus 2013 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RBAMS:2013:5315) heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat de verlaging van de uitkering op grond van de Anw aan in Marokko wonende rechthebbenden strijdig is met het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (het NMV).

1.2.

Bij uitspraak van 9 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1466) heeft de Centrale Raad van Beroep (de Raad) de uitspraak van de rechtbank van 22 augustus 2013 bevestigd. Ook de Raad is van oordeel dat de verlaging van de nabestaandenuitkering van rechthebbenden in Marokko strijdig is met het NMV.

1.3.

In navolging op deze uitspraak heeft verweerder in de bestreden besluiten de bezwaren van eiseressen tegen de primaire besluiten gegrond verklaard en op de Anw-uitkeringen van eiseressen vanaf 1 januari 2013 geen woonlandfactor toegepast. Verweerder heeft voor de proceskosten in bezwaar in totaal een vergoeding van € 730,50 aan eiseressen toegekend. Verweerder heeft de 179 zaken als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) aangemerkt.

Wettelijk kader

2.1.

Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt door de griffier van de indiener van het beroepschrift een griffierecht geheven.
Het derde lid, eerste volzin, van dit artikel bepaalt dat eenmaal griffierecht verschuldigd is, indien het een beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten dan wel van twee of meer indieners tegen hetzelfde besluit betreft.

2.2.

Artikel 8:75, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

2.3.

In artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is onder meer bepaald dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2.4.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb kan een vergoeding van de kosten als bedoeld in, voor zover van belang, artikel 8:75 en artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

2.5.

Ingevolge artikel 2, eerste lid en onder a, van het Bpb is bepaald dat het bedrag van de kosten bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaar of het administratief beroep ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, wordt vastgesteld overeenkomstig het in de bijlage opgenomen tarief.
Het derde lid van dit artikel bepaalt dat in bijzondere omstandigheden van het eerste lid kan worden afgeweken.

2.6.

Artikel 3, eerste lid, van het Bbp bepaalt dat samenhangende zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, worden beschouwd als één zaak.
In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat samenhangende zaken zijn: gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.

Ontvankelijkheid

3.1.

Verweerder heeft ter zitting betoogd dat eiseressen geen procesbelang hebben bij hun beroep, omdat eiseressen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij daadwerkelijk kosten voor rechtsbijstand hebben gemaakt en daarom niet is aangetoond dat zij schade hebben geleden. Verweerder meent dat de overlegging door eiseressen van de nota’s van de kosten van rechtsbijstand van hun gemachtigde en een bewijs van betaling door eiseressen vereist zijn voor de ontvankelijkheid van het beroep. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verweerder verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 8 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ0415) en naar een uitspraak van de Raad van 19 augustus 2008 (ECLI:NL:CRVB:2011:BE8918).

3.2.

De rechtbank overweegt dat voor de kosten van professionele rechtsbijstand een forfaitair tarief geldt. Dat tarief is gerelateerd aan de gemiddelde werkbelasting in verschillende zaaktypen. De vergoeding wordt bepaald aan de hand van de bijlage bij het Bpb waarin aan diverse proceshandelingen verschillende punten zijn toegekend, waarvan de waarde moet worden vermenigvuldigd met een wegingsfactor die wordt bepaald naar gelang van het gewicht van de zaak. De werkelijk gemaakte kosten zijn dan ook niet relevant.

3.3.

De gemachtigde van eiseressen heeft ter zitting verklaard dat zij kosten voor rechtsbijstand heeft gemaakt en dat zij de voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen heeft verricht. In alle zaken heeft de gemachtigde namens eiseressen een bezwaarschrift ingediend. De rechtbank gaat er in beginsel vanuit dat er kosten zijn gemaakt, tenzij verweerder aannemelijk maakt dat de gemachtigde die kosten niet heeft gemaakt. Nu verweerder dat niet heeft gedaan, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen de gemachtigde van eiseres hierover ter zitting heeft verklaard. Het beroep van verweerder op het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ0415) leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. In dat arrest heeft de Hoge Raad, bij de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, belang gehecht aan het karakter van de vergoedingen op grond van het Bpb als een tegemoetkoming in de werkelijke kosten. Uit dit arrest leidt de rechtbank niet af dat geen sprake is van procesbelang indien betrokkenen de daadwerkelijk gemaakte kosten voor rechtsbijstand niet kunnen aantonen. Evenmin blijkt dit uit de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Raad van 19 augustus 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BE8918). In die uitspraak stond vast dat aan betrokkene voor de door de sociaal raadsman verleende rechtsbijstand in het geheel geen kosten in rekening waren gebracht. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseressen procesbelang hebben bij hun beroep.

Proceskosten in bezwaar

4.1.

Niet is in geschil dat eiseressen in bezwaar om vergoeding van proceskosten hebben verzocht en dat verweerder de primaire besluiten heeft herroepen wegens een aan hem te wijten onrechtmatigheid.

4.2.

In geschil is de vraag of de 179 zaken als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb moeten worden aangemerkt. Daarbij staat niet ter discussie dat sprake is van nagenoeg identieke (primaire) besluiten, van vergelijkbare bezwaargronden en van zaken waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Wel is in geschil of de bezwaarschriften nagenoeg gelijktijdig zijn ingediend.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiseressen 164 van de bezwaarschriften heeft ingediend tegen primaire besluiten, genomen in december 2012. In 15 zaken zijn bezwaarschriften ingediend tegen primaire besluiten uit andere maanden of jaren. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven genoemde 164 ingediende bezwaarschriften moeten worden aangemerkt als (nagenoeg) gelijktijdig ingediend als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Anders dan eiseressen betogen, kan niet als regel worden aangenomen dat nagenoeg gelijktijdig als bedoeld in het Bpb, ziet op een termijn van 3 tot 4 dagen. De rechtbank verwijst hiervoor bijvoorbeeld naar een uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:2687), waarin met tussenpozen van twee maanden ingediende bezwaarschriften werden aangemerkt als nagenoeg gelijktijdig te zijn ingediend in de zin van dit artikel. De rechtbank acht de 164 bezwaarschriften, waarvan de primaire besluiten in december 2012 zijn genomen, zodanig kort na elkaar verstuurd, dat deze als samenhangende zaken moeten worden aangemerkt. De overige 15 ingediende bezwaarschriften kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet als (nagenoeg) gelijktijdig ingediend worden beschouwd en zijn daarmee geen samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb.

4.4.

De forfaitaire vergoeding ten behoeve van de groep van 164 samenhangende zaken, begroot de rechtbank met toepassing van het Bpb op € 730,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 487,-, een wegingsfactor (C1) van 1 en een factor C2 van 1,5 (want vier of meer samenhangende zaken)). De forfaitaire vergoeding ten behoeve van de groep van 15 niet-samenhangende zaken, begroot de rechtbank met toepassing van het Bpb op € 7.305,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 487,-, een wegingsfactor (C1) van 1). Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 2, eerste lid, van het Bpb een forfaitaire vergoeding van in totaal
€ 8.035,50 zou moeten vergoeden.

4.5.

De rechtbank kan evenwel op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb in geval van bijzondere omstandigheden afwijken van deze forfaitaire vergoeding. Eiseressen hebben aangevoerd dat er sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb op grond waarvan moet worden afgeweken van de forfaitaire vergoeding op basis van het eerste lid. Eiseressen wijzen op de uitspraken van de Raad van 30 juni 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AY0194) en verzoeken de rechtbank om een vergoeding van € 100,- per eiseres vast te stellen en daarbij rekening te houden met prijsindexering van dit bedrag. Een vergoeding van € 120,- per zaak vindt gemachtigde van eiseressen redelijk.

4.6.

Naar het oordeel van de rechtbank staat toepassing van de op grond van artikel 2, eerste lid, van het Bpb vastgestelde forfaitaire vergoeding van € 8.035,50, gelet op de omvang van de groep eiseressen, niet in verhouding tot de door de gemachtigde van eiseressen verrichte werkzaamheden. Dit bedrag komt namelijk neer op een bedrag van
€ 44,89 per persoon. Daar komt bij dat het maken van onderscheid tussen (groepen van) zaken binnen de gehele groep, naar gelang zij al dan niet (nagenoeg) gelijktijdig zijn ingediend, zou leiden tot vergoedingen van uiteenlopende omvang, afhankelijk van de vraag of een zaak tot een samenhangende groep behoort en zo ja, van de omvang van die groep. Dit verschil in hoogte van de vergoeding zou, gelet op de vergelijkbare omvang van de werkzaamheden van de gemachtigde voor de afzonderlijke zaken, niet gerechtvaardigd zijn. De rechtbank is het dan ook eens met de gemachtigde van eiseressen dat er bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van de forfaitaire berekening rechtvaardigen. De rechtbank acht een vergoeding van een bedrag van € 120,- per persoon aan proceskosten in bezwaar redelijk.

4.7.

De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. In het kader van een finale geschillenbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb. De rechtbank bepaalt dat verweerder voor de proceskosten in bezwaar in totaal een bedrag van € 21.480,- (179 x € 120,-) aan eiseressen moet vergoeden. De rechtbank wijst het ter zitting gedane verzoek van verweerder om ten aanzien van niet-samenhangende besluiten verweerder op te dragen om in bezwaar nieuwe besluiten op de bezwaren te nemen om te onderzoeken of (in bepaalde zaken) aanleiding bestaat om een lager gewicht aan de zaken toe te kennen, af. De rechtbank acht geen ruimte aanwezig voor een ander oordeel dan het onderhavige en zal daarom het geschil finaal beslechten.

4.8.

De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

Proceskosten in beroep

5.1.

De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiseressen bij brief van 31 juli 2014 namens alle eiseressen beroep heeft ingesteld tegen de bestreden besluiten, zodat in alle zaken gelijktijdig beroep is ingediend. Niet is in geschil dat sprake is van nagenoeg identieke bestreden besluiten op bezwaar, van vergelijkbare beroepsgronden en van zaken waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Dit betekent dat in beroep sprake is van 179 samenhangende beroepen.

5.2.

De forfaitaire vergoeding van de proceskosten in beroep, begroot de rechtbank met toepassing van het Bpb op € 1.461,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,-, een wegingsfactor (C1) van 1 en een factor C2 van 1,5 (want 4 of meer samenhangende zaken). De rechtbank ziet geen aanleiding om op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb af te wijken van deze forfaitaire vergoeding.

Griffierecht

6.1.

De rechtbank heeft 179 keer griffierecht van € 45,- geheven, omdat geen sprake is van samenhangende besluiten als bedoeld in artikel 8:41, derde lid, van de Awb. Bij die beslissing heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van meerdere afzonderlijk ten aanzien van elk van de eiseressen genomen besluiten en dus niet van een (gezamenlijk) beroepschrift tegen een en hetzelfde besluit. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Raad van 27 september 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BT6516).

6.2.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het griffierecht aan eiseressen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    bepaalt dat verweerder voor de proceskosten in bezwaar een bedrag van in totaal € 21.480,- (179 x € 120,-) aan eiseressen moet vergoeden;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 8.055,-
    (179 x € 45,-) aan eiseressen te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep van eiseressen tot een bedrag van € 1.461,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J. Koene, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Niersman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.