Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:9350

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
02-02-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2418
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 april 2012 (ECLI:NL:RBAMS:2012:BW3791), is geoordeeld dat voor de vraag of de aanvraag om bijzondere bijstand achteraf is ingediend, bepalend is het tijdstip waarop de kosten zijn opgekomen. In het geval van de eigen bijdrage van een toevoeging komen deze kosten op op het moment dat de procedure waarvoor de toevoeging is verleend, is aangevangen. Ook de Raad heeft op 15 mei 2007 aldus geoordeeld (ECLI:NL:CRVB:2007:BA6875). Onder verwijzing naar deze jurisprudentie is de rechtbank dan ook van oordeel dat, voor zover in het (wetsinterpreterende) beleid van verweerder staat vermeld dat de kosten opkomen op het moment dat de toevoeging wordt aangevraagd, dit beleid niet juist is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/2418

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2014 in de zaak tussen

[naam], te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. J.S. Vlieger),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. F.H.W. Fris).

Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand in de kosten van rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 18 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2014. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 26 oktober 2013 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van rechtsbijstand, zijnde de eigen bijdrage in het kader van de gefinancierde rechtsbijstand in verband met een klacht tegen de afwijzing van een aanvraag om een urgentieverklaring.

2. Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar de van toepassing zijnde beleidsvoorschriften van de Dienst Werk en Inkomen (hierna: de beleidsregels), op het standpunt dat de bijzondere bijstand achteraf is aangevraagd, omdat op het moment van de aanvraag de kosten al waren opgekomen. De aanvraag om een toevoeging, waaruit de eigen bijdrage is voortgekomen waarvoor bijzondere bijstand is verzocht, dateert immers van 22 oktober 2013 en derhalve van voor de aanvraag . Er kan volgens verweerder geen bijstand met terugwerkende kracht worden verleend. Volgens verweerder zijn de beleidsregels niet strijdig met

de wetgeving en verwijst daartoe naar de uitspraak van deze rechtbank van 6 april 2012 (ECLI:NL:RBAMS:2012:BW3791).

3. Eiser voert hiertegen aan dat verweerders lezing van de hiervoor onder 2 genoemde uitspraak niet juist is. In de uitspraak wordt expliciet bepaald, zulks in lijn met vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), dat de kosten van de eigen bijdrage van de toevoeging pas opkomen op het moment dat de procedure wordt gestart. De opvatting van verweerder dat de kosten zouden opkomen op het moment dat de toevoeging wordt aangevraagd, vindt geen steun in wet of rechtspraak, aldus eiser.

4.1

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad over de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.2

In de hiervoor door verweerder genoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam, is geoordeeld dat voor de vraag of de aanvraag om bijzondere bijstand achteraf is ingediend, bepalend is het tijdstip waarop de kosten zijn opgekomen. In het geval van de eigen bijdrage van een toevoeging komen deze kosten op op het moment dat de procedure waarvoor de toevoeging is verleend, is aangevangen. Ook de Raad heeft op 15 mei 2007 aldus geoordeeld (ECLI:NL:CRVB:2007:BA6875). Onder verwijzing naar deze jurisprudentie is de rechtbank dan ook van oordeel dat, voor zover in het (wetsinterpreterende) beleid van verweerder staat vermeld dat de kosten opkomen op het moment dat de toevoeging wordt aangevraagd, dit beleid niet juist is.

4.3

De rechtbank stelt op grond van de stukken vast dat eiser op 15 november 2013 een klacht heeft ingediend tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een urgentieverklaring. Met het indienen van deze klacht is de procedure waarvoor de toevoeging is verleend, aangevangen. Nu eiser reeds op 26 oktober 2013 de aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend, derhalve vóór het moment dat de kosten waarvoor hij deze bijstand verzoekt zijn aangevangen, concludeert de rechtbank dat de bijzondere bijstand tijdig is aangevraagd. Het bestreden besluit komt daarmee voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren.

4.4

Omdat verweerder nog niet heeft getoetst of eiser aan de overige voorwaarden voor het verlenen van bijzondere bijstand voldoet, kan de rechtbank het geschil thans niet finaal beslechten. De rechtbank ziet hierin aanleiding verweerder op te dragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487, - en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak

een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45, - aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 974, -.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Knikkink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.