Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:9202

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-05-2014
Datum publicatie
09-01-2015
Zaaknummer
144.2014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Klager voert 9 gronden aan en dient een aanvullend verzoek in. Geen van de gronden treft doel. Dat in opdracht van de rechter het instructievonnis niet aan verzoeker is overhandigd blijkt nergens uit. De beslissing van de rechter om de zaak naar de rol te verwijzen kan geen grond voor wraking opleveren. De door klager gestelde vermeende gebrekkige (juridische) vaardigheden van de gemachtigde van een gerechtsdeurwaarderskantoor leveren, wat daar verder ook van zij, geen zwaarwegende aanwijzingen op voor de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de rechter. De andere door klager genoemde gronden hebben kennelijk betrekking op eerder bij de rechtbank aanhangig geweest zijnde procedures. Dit betreft echter geen tot de rechter gerichte concrete feiten en omstandigheden. Ook het aanvullende verzoek bevat geen gronden waaruit vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, is/zijn af te leiden. De door verzoeker genoemde Freudiaanse vergissing is geen grond voor wraking en berust bovendien op een verkeerde lezing van het proces-verbaal. De andere door klager genoemde gronden betreffen geen tot de rechter gerichte concrete feiten en omstandigheden. Het verzoek wordt afgewezen en de antimisbruik bepaling wordt toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

wrakingskamer

Beschikking op het bij brieven van 20 en 26 mei 2014 schriftelijk gedane en onder rekestnummer C/14/565279 HA RK 144.2014 ingeschreven verzoek van:

[naam1]

wonende te Amsterdam,

verzoeker,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. A.J.M. Breedveld-van Beeck Calkoen, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

1.1

Verzoeker is eisende partij in een bij de rechtbank aanhangige en onder zaaknummer 3004300 CV EXPL 14-11747 geregistreerde zaak.

1.2

Op 12 mei 2014 heeft de rechter in deze zaak een instructievonnis gewezen waarbij de zaak voor het nemen van een conclusie van repliek aan de zijde van de eisende partij naar de rol van 16 juni 2014 is verwezen.

1.3

Klager is verschenen op de rolzitting van 12 mei 2014. Van hetgeen op de zitting is voorgevallen heeft de rolrechter een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt.

2 De beoordeling van het verzoek

2.1

Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

2.2

Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

2.3

Uit de wet (36 en 37 Rv) en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat een verzoeker concrete feiten en omstandigheden dient aan te voeren waaruit objectief afgeleid kan worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is, of dat de vrees van een partij dat er sprake is van een dergelijke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk - in het verzoek - worden voorgedragen.

2.4

Het verzoek houdt voor zover van belang in:

“1. De rolrechter tegen wie een klacht is ingediend weigerde mij het Instructievonnis te

overhandigen. Dit is gebeurd in opdracht van kantonrechter Breedveld. Zij heeft vanaf het

begin geprobeerd het proces negatief te beïnvloeden teneinde haar vriendjes te helpen. U

zult wellicht wel begrijpen dat ik voor dit soort handelingen niet het dure griffiegeld betaal.

Het is obstructie.

2. Ik heb verzocht om een comparitie. Reden hiertoe is dat de zaak tot een snel einde gebracht

zou kunnen worden als kantonrechter mevrouw Voetelink op de zitting aanwezig zou zijn.

Onder haar leiding is op 17-09-2014 en akkoord tussen Eigen Haard en mij tot stand

gekomen. Eigen Haard probeerde daar onmiddellijk weer onderuit te komen. Op de

rolzitting deelde de rolrechter mij mede dat verzoek is afgewezen. In het instructievonnis is

deze beslissing afwezig en dus is het vonnis ondeugdelijk gemotiveerd. Ook weer obstructie en

parttijdigheid.

3. Uit de bijlage, de brief van 25-09-2013 blijkt dat er wel degelijk een akkoord tot stand is

gekomen. Daarin staat dat het kantonvonnis van 24-07-2013 kracht van gewijsde heeft. Dat

kan alleen als daar een andere beslissing voor In de plaats is gekomen, immers dat vonnis

zou pas op 25-10-2013 kracht van gewijsde hebben gekregen. Ofschoon de brief bewijs is,

wil ik het gezien het gebeuren hierop niet op aan laten komen met een rechter als

kantonrechter Breedveld. Immers dan zou ik hoger beroep moeten instellen, ofschoon de

zaak voor zich spreekt.

4. Voorts heb ik de kantonrechter gewezen op de gebrekkige Juridische vaardigheden en

kennis van de heer [ ]. Een comparitie is wel degelijk geschikt, want dan hoef ik dat

derderangs juridische gewauwel van de heer [ ] niet te lezen. De heer [ ] is niet

geschikt om als gemachtigde in een proces te functioneren.

5. Het heeft er weer eens alle schijn van dat de rechter als bankgarantie op de bres staat voor

de continuïteit van[naam2], de 400 euro voor de heer [ ] als gemachtigde

super derderangs jurist en zich er nauwlettend mee bezig houdt dat de Maserati’s van de

directie van Eigen Haard geen vierkante wielen krijgen en de bonussen en creditcards niet in

gevaar komen. Immers dit is in het algemeen belang en strekt tot de verbetering van de

kwaliteit van de woonruimte in de zienswijze van de rechter.

6. Reeds in september heb ik aangetoond dat ik slechte vonnissen van tafel kan krijgen. De

uitspraak van 24-07-2013 had in hoger beroep nog geen vijf seconden stand gehouden. Het

akkoord dat tot stand is gekomen op 17-09-2013 Is onomkeerbaar en bevestigt mijn eerdere

standpunt, namelijk dat een woningcorporatie een professionele verhuurder is die in rechte

aangesproken kan worden wegens wanprestatie.

7. Het heeft er alles schijn van dat men het akkoord van 17-09-2013 heeft willen terugdraaien

en nog steeds wil terugdraaien. Maar daarvoor wil ik waarschuwen, immers de zaak ligt ook

bij de Parlementaire Enquêtecommissie Woningcorporaties.

8. Het patroon dat duidelijk waarneembaar is geworden is, dat een aantal rechters proberen

Eigen Haard te beschermen door mijn vorderingen in eerste instantie af te wijzen omdat Ik

in hoger beroep verplicht ben tot procesvertegenwoordiging door een advocaat.

Gezien de feiten en de gedragingen van kantonrechter Breedveld is het duidelijk dat zij behoort

tot degenen die veranderde rechtspositie van Eigen Haard sinds 17-09-2013 willen terugdraaien.

De rechter is daardoor partijdig. De rechter is bij deze gewraakt.”

2.5

Het verzoek bevat geen gronden waaruit vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, is/zijn af te leiden. Dat in opdracht van de rechter het instructievonnis niet aan verzoeker is overhandigd blijkt nergens uit. De beslissing van de rechter om de zaak naar de rol te verwijzen kan geen grond voor wraking opleveren. De door klager gestelde vermeende gebrekkige (juridische) vaardigheden van de gemachtigde van een gerechtsdeurwaarderskantoor leveren, wat daar verder ook van zij, geen zwaarwegende aanwijzingen op voor de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de rechter. De andere door klager genoemde gronden hebben kennelijk betrekking op eerder bij de rechtbank aanhangig geweest zijnde procedures. Dit betreft echter geen tot de rechter gerichte concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief afgeleid kan worden dat de rechter jegens verzoeker vooringenomen is, of dat de vrees van verzoeker dat er sprake is van een dergelijke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is.

2.6

In het aanvullende verzoek gaat verzoeker nader in op een door de rolrechter, niet zijnde de door hem gewraakte rechter, opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de rolzitting van 6 mei 2014. Dat verzoek voor zover van belang in:

“Kantonrechter Breedveld is verantwoordelijk en aansprakelijk voor de handelingen van de griffie. In het mij toegezonden proces verbaal ben ik de gedaagde. Hier is sprake van een Freudiaanse vergissing van de rechter. Het is duidelijk dat zij mij behandelt als gedaagde, aangezien het in het wereldbeeld van de rechter zo is dat ik gedaagde moet zijn. Dat betekent dat de tegenpartij in het gelijk moet worden gesteld volgens de traditie van het kantongerecht. De rechter is mitsdien partijdig.

In zijn conclusie schrijft de heer [ ] dat ik herhaaldelijk in hét ongelijk ben gesteld. Dit is onjuist. Inhoudelijk kreeg ik gelijk, maar ik moest wel de proceskosten betalen in het belang van de Maserati’s en de bonussen Niemand begrijpt dit, Om nader toe te lichten wat het beleid is van het kantongerecht geef ik het volgende voorbeeld. Enige tijd geleden was de RABO bank voornemens het faillissement aan te vragen van woningcorporatie Vestia. Zou het tot een zaak zijn gekomen, die zou dienen voor het Amsterdamse kantongerecht, dan zou de uitkomst zijn geweest dat de RABO bank failliet zou zijn verklaard. Op zich onbegrijpelijk, maar dit is het beleid van het Amsterdamse kantongerecht wanneer het woningcorporaties betreft. De conclusie is dat kantonrechter Breedveld mij in het ongelijk wil stellen en de vordering wil afwijzen. De Freudiaanse vergissing bevestigt dit, Ik ben eiser, niet gedaagde.”

2.7

Ook het aanvullende verzoek bevat geen gronden waaruit vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, is/zijn af te leiden. De door verzoeker genoemde Freudiaanse vergissing is geen grond voor wraking en berust bovendien op een verkeerde lezing van het proces-verbaal. De andere door klager genoemde gronden betreffen geen tot de rechter gerichte concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief afgeleid kan worden dat de rechter jegens verzoeker vooringenomen is, of dat de vrees van verzoeker dat er sprake is van een dergelijke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is.

2.8

Bij gebreke van andere gronden leidt het voorgaande tot het oordeel dat het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. De mondelinge behandeling kan daarom achterwege blijven.

2.9

Omdat door verzoeker het middel van wraking lichtvaardig, want zonder kenbare grondslag is ingezet, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van misbruik van recht. De rechtbank zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking van de rechter belast met de behandeling van de zaak van klager niet in behandeling wordt genomen.

3. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

 verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking,

 bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking gericht tegen de rechter belast met de behandeling van de zaak van klager niet meer in behandeling zal worden genomen;

Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort voorzitter, A.W.J. Ros en A.W.H. Vink, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 mei 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv geen voorziening open.