Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:9180

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-06-2014
Datum publicatie
09-10-2015
Zaaknummer
13/728058-13 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

PROMIS. Fraude. Verdachte heeft – al dan niet samen met een ander – twee hennepkwekerijen opgezet en gerund. Hij heeft daartoe twee illegale aftakkingen van de elektriciteitstoevoer laten aanleggen en stroom gestolen. Verdachte heeft welbewust en ten behoeve van zijn eigen financiële gewin een illegale en potentieel gevaarlijke situatie doen ontstaan. Verdachte heeft daarnaast een grote hoeveelheid hennep aanwezig gehad en geldbedragen witgewassen. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat sprake was van hennepteelt met een bedrijfsmatig karakter, in twee woningen, die om uitsluitend die reden werden gehuurd. Verdachte wordt veroordeeld tot een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf van 150 dagen en een taakstraf van 150 uren. Zie ook: ECLI:NL:RBAMS:2014:9778

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728058-13 (Promis)

Datum uitspraak: 26 juni 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Indonesië) op [geboortedatum] 1976,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres, te plaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 juni 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Tammes, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. D.C. Vlielander, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 28 november 2013 en kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

  1. medeplegen van hennepteelt in de periode van 1 december 2012 tot en met 17 juni 2013 te [plaats 1] ;

  2. medeplegen van diefstal van stroom in diezelfde periode en plaats;

  3. medeplegen van hennepteelt in de periode van 1 april 2013 tot en met 17 juni 2013 te [plaats 2] ;

  4. medeplegen van diefstal van stroom in diezelfde periode en plaats;

  5. medeplegen van witwassen in de periode van 1 december 2012 tot en met 17 juni 2013 te [plaats 1] en/of [plaats 2] ;

  6. medeplegen van het aanwezig hebben van 1828,1 gram hennep op 17 juni 2013 te [plaats 1] .

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

In het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar [bedrijf 1] ontstaat een verdenking jegens verdachte. Er worden taps geplaatst en verdachte wordt geobserveerd. Daarnaast wordt met een helikopter een warmtebeeldonderzoek verricht. Naar aanleiding van bevindingen uit dat opsporingsonderzoek vinden in de woningen aan de [adres 1] te [plaats 1] , de [adres 2] te [plaats 2] en de [adres 3] te [plaats 1] , die gehuurd worden door verdachte en/of zijn vriendin, [vriendin van verdachte] , doorzoekingen plaats. In de eerstgenoemde woningen worden hennepkwekerijen aangetroffen. Verdachte bekent de beide hennepkwekerijen te hebben opgezet en gerund. In de gangkast en berging van de woning aan de [adres 3] wordt, zo blijkt later uit onderzoek, 1.828,1 gram hennep aangetroffen.

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten 1 tot en met 6, met dien verstande dat zij het onder 5 ten laste gelegde witwassen van de huur van de [adres 2] niet bewezen acht. Zij heeft het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1: hennepteelt aan de [adres 1]

In het pand aan de [adres 1] is een werkende hennepkwekerij aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van doorzoeking van de [adres 1] blijkt dat daar 252 hennepplanten en 96 stekken stonden. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij de stekken had om slecht groeiende planten te vervangen, is ongeloofwaardig. Immers verklaarde hij eveneens ter terechtzitting dat het niet mogelijk is om kleine planten tussen reeds ontwikkelde planten te plaatsen. Die stekken waren kennelijk bedoeld voor de derde oogst. Ook de verklaring van verdachte dat het slechte planten waren, wordt niet gestaafd door de foto’s in het dossier, waarop welig tierende planten te zien zijn. Uit de in het perceel [adres 3] aangetroffen kladblokaantekeningen blijkt dat er twee oogsten zijn geweest op de [adres 1] . Het Laboratorium Forensische Opsporing heeft vastgesteld en gerapporteerd dat alle aangeleverde monsters hennep zijn. Verdachte heeft bekend de kwekerij op de [adres 1] te hebben opgezet. Hij verklaarde dat hij daar sinds februari 2013 zat en (ter terechtzitting) dat een ander hem hielp. Uit zijn verklaring ter terechtzitting blijkt dat sprake was van een intensieve samenwerking met die ander. Derhalve kan worden bewezen dat hij tezamen en in vereniging met een ander in de periode van 20 mei 2013 tot en met 17 juni 2013 hennep heeft geteeld aan de [adres 1] .

Ten aanzien van feit 2: diefstal van elektriciteit aan de [adres 1]

Liander heeft aangifte gedaan van diefstal van energie. Bij onderzoek aan de hoofdaansluitkast is geconstateerd dat er op de toevoerleiding een illegale aansluiting was gemaakt. Deze aansluiting liep buiten de elektriciteitsmeter om naar de hennepkwekerij en voorzag deze van stroom. Liander heeft berekend dat er minimaal 36.627 KWh stroom illegaal is afgenomen voor een bedrag van € 4.917,96. Verdachte heeft verklaard dat iemand anders dat voor hem heeft aangesloten. Verdachte heeft die persoon daar € 1.200,- voor betaald. Ook de diefstal van stroom in de periode 11 februari 2013 – op welke datum een contract is gesloten met betrekking tot de [adres 1] – tot en met 17 juni 2013 aan de [adres 1] kan dus worden bewezen.

Ten aanzien van feiten 3 en 4: hennepteelt en diefstal van elektriciteit in de [adres 2]

De doorzoeking van de [adres 2] leverde ook een hennepkwekerij op. Hier stonden 117 planten. Verdachte heeft bekend dat hij ook deze kwekerij heeft opgezet. Er is niet gebleken dat er reeds een oogst heeft plaatsgevonden. De daar aangetroffen planten bevatten hennep, zo blijkt uit het rapport van het Laboratorium Forensische Opsporing. Verdachte verklaarde dat dezelfde persoon die in [plaats 1] de stroom had omgeleid dat ook hier had gedaan. Liander heeft aangifte gedaan. De fraudespecialist heeft geconstateerd dat de zegel die op de aansluitkast hoort te zitten, was verbroken. Er was een illegale elektriciteitsaansluiting gemaakt die de hennepkwekerij voorzag van elektriciteit. Het berekende illegale energieverbruik was minimaal 7.333 kWh, voor een bedrag van € 1.678,07. De onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten kunnen op basis van het voorgaande bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 5: witwassen van geldbedragen

Uit het financiële onderzoek naar verdachte blijkt dat hij vanaf 1 januari 2008 tot en met juli 2013, gedurende 10 maanden een dienstverband heeft gehad en gedurende 52 maanden niet. Vanaf 1 maart 2010 heeft verdachte geen legaal werk meer verricht. Zelf verklaarde hij bij de politie dat hij vanaf ongeveer 2008 tot in 2010 in hennepkwekerijen heeft gewerkt en daar ongeveer € 1.700,- per maand mee verdiende, maar daar is hij ter terechtzitting op terug gekomen. Dat is niet geloofwaardig. Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij niet onmiddellijk na het afsluiten van het huurcontract in december 2012 voor de [adres 1] heeft betaald, maar van die stelling is niets gebleken. Vast staat daarom dat verdachte vanaf december 2012 maandelijks een bedrag van € 2.000,- contant heeft betaald, in totaal € 14.000,-. Verdachte heeft ter terechtzitting verder verklaard dat hij op andere wijze aan dat geld is gekomen, namelijk door leningen, maar ook die stelling is niet onderbouwd. Verder is uit onderzoek naar voren gekomen dat verdachte auto’s huurde en dat hij hiervoor ook contant betaalde. In totaal heeft hij aan [autoverhuurbedrijf 1] , [autoverhuurbedrijf 2] en [autoverhuurbedrijf 3] een bedrag van € 5.238,69 contant betaald. Ook wat dit bedrag betreft heeft verdachte geen verklaring voor een andere dan illegale herkomst van dat geld. Met betrekking tot de huur van de [adres 3] heeft getuige [getuige 1] verklaard dat verdachte deze woning vanaf april 2013 heeft gehuurd. De huurprijs bedroeg € 1.050,- per maand. Voor drie maanden dus een bedrag van € 3.150,-. Getuige [vriendin van verdachte] heeft verklaard dat zij voor een bedrag van € 1.500,- bijdroeg in de huurkosten. Dat betekent dat verdachte zelf een bedrag van € 1.650,- heeft moeten opbrengen. Ook voor dit bedrag is geen legale herkomst aangevoerd. De getuige [vriendin van verdachte] heeft ter zitting verklaard dat zij steeds zelf de huur voor de woning aan de [adres 2] is blijven betalen. Nu er geen aanwijzingen zijn dat dit anders ligt, dient verdachte voor dit onderdeel te worden vrijgesproken. Het witwassen van overige in de tenlastelegging genoemde bedragen kan bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 6: aanwezig hebben van hennep

De doorzoeking van de [adres 3] leverde op drie plaatsen plantmateriaal op. Ook deze vondst is getest en het Laboratorium Forensische Opsporing heeft vastgesteld dat alle drie de monsters hennep zijn. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wel vermoedde dat zijn collega meer dan een beetje wiet aan hem gaf toen deze hem vroeg iets voor hem te bewaren. Derhalve kan het opzettelijk aanwezig hebben van hennep eveneens bewezen worden verklaard.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feiten 1, 2, 3, 4 en 6

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een aantal elementen van de tenlastelegging niet kunnen worden bewezen. Zo zou partiële vrijspraak moeten volgen van een deel van de onder 1 en 2 ten laste gelegde periode, namelijk ten aanzien van de periode van 1 december 2012 tot 1 maart 2013. Immers heeft verdachte verklaard dat hij niet onmiddellijk de woning in is gegaan. De aantekeningen die gevonden zijn op het Sigma kladblok leveren onvoldoende bewijs voor het tegendeel. Ook het medeplegen van het onder 3 en 4 ten laste gelegde en de hoeveelheid hennep die in de berging van verdachte is aangetroffen – en onder 6 ten laste is gelegd – kan niet worden bewezen.

Ten aanzien van feit 5

Verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel dat ziet op de [adres 2] en de [adres 3] . Dat laatste bedrag is niet dermate hoog dat het zonder meer van misdrijf afkomstig moet zijn, want verdachte heeft geld geleend van anderen, al zijn daar geen stukken van. Het bedrag dat ziet op de huur van de [adres 1] dient te worden gematigd tot een bedrag van ongeveer € 7.000,-, nu getuige [getuige 1] heeft verklaard dat die huur soms door een ander is betaald. De verklaring van getuige Hali bij de politie is niet geloofwaardig, want zij heeft bij de rechter-commissaris niet meer willen verklaren. Het blijft daardoor onduidelijk, ten eerste, of alles is betaald en, ten tweede, of verdachte dat dan allemaal zelf heeft betaald.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank overweegt allereerst dat op basis van het volgende vast is komen te staan dat sprake is geweest van één oogst in de hennepkwekerij aan de [adres 1] . Op het Sigma kladblok dat in de woning van verdachte, aan de [adres 3] , is aangetroffen, staan overlappende data, terwijl van overlappende oogsten geen sprake kan zijn geweest. Uit het huurcontract blijkt dat verdachte het pand aan de [adres 1] vanaf 1 december 2012 huurde. De verklaring van verdachte dat hij niet meteen is begonnen met de hennepkwekerij en dat hij een aantal weken bezig is geweest met het opzetten van de kwekerij in dit pand, wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1] , inhoudende dat hij nog verbouwingswerkzaamheden heeft laten verrichten in de woning aan de [adres 1] . Daarnaast is geschat dat de aangetroffen teelt aldaar ongeveer zes weken oud was. Ongeacht het moment waarop verdachte de woning aan de [adres 1] is ingegaan, in december 2012 of begin 2013, acht de rechtbank het, gelet op het voorgaande, onaannemelijk dat in de periode tot de ontmanteling reeds twee oogsten hadden plaatsgevonden. De oogst die heeft plaatsgehad en heeft evenwel in de periode van 1 december 2012 tot en met 17 juni 2013 plaatsgevonden, zodat de feiten 1 en 2 kunnen worden bewezen verklaard zoals ten laste gelegd.

Voorts overweegt de raadsman met betrekking tot de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde dat die bewezenverklaring ook inhoudt ‘althans een groot aantal hennepplanten en delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep’. Immers valt de hiervoor genoemde oogst niet onder de beschrijving ‘252 hennepplanten en 96 hennepstekken’, nu die oogst niet in de woning is aangetroffen.

Uit de verklaring van getuige [getuige 1] blijkt dat de woning aan de [adres 3] per april is gehuurd. De rechtbank leidt daaruit af dat het pand aan de [adres 2] vanaf die datum niet langer als woonruimte, maar als hennepkwekerij, is benut. De rechtbank is verder – met de raadsman – van oordeel dat het onder 3 en 4 ten laste gelegde medeplegen niet kan worden bewezen. Het dossier bevat immers geen bewijs voor de conclusie dat verdachte de hennepplantage aan de [adres 2] samen met een ander heeft gerund. Met betrekking tot feit 4 heeft verdachte weliswaar verklaard dat hij de stroomaansluiting heeft laten aanleggen door een ander, maar die enkele omstandigheid acht de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal van stroom te komen. De rechtbank acht ook het onder 5 en 6 ten laste gelegde medeplegen niet bewezen, nu daarvan noch in het dossier noch ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat van het onder 5 ten laste gelegde geldbedrag dat ziet op de huur van het pand aan de [adres 2] geen criminele herkomst is gebleken, nu getuige [vriendin van verdachte] ter terechtzitting van 28 november 2013 heeft verklaard dat zij de huur van de woning in [plaats 2] altijd heeft betaald en die verklaring niet door enig bewijsmiddel wordt weersproken. Ten aanzien van het witwassen van de andere in de tenlastelegging genoemde geldbedragen is de rechtbank – anders dan de verdediging – van oordeel dat niet is gebleken van een legale herkomst daarvan. Immers is de verklaring van verdachte dat hij geld had geleend van vrienden niet met stukken onderbouwd en is niet komen vast te staan dat de huur van het panden aan de [adres 1] en de [adres 3] niet volledig of door een ander dan verdachte is betaald. Verdachte heeft bovendien ter terechtzitting van 12 juni 2014 verklaard dat hij altijd huur heeft betaald en dat hij dat deed met het geld dat hij had verdiend aan hennepteelt. De rechtbank is daarom van oordeel dat het witwassen van geldbedragen is bewezen, met uitzondering van het deel dat ziet op de huur van het pand aan de [adres 2] .

De rechtbank acht het onder 6 ten laste gelegde opzettelijk aanwezig hebben van hennep eveneens bewezen. Verdachte heeft bekend dat het zakje met 25,1 gram hennep van hem was. De twee gesealde blokken samengeperste hennep zouden volgens hem van een ander zijn, maar bevonden zich desalniettemin in zijn woning. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij niet wist dat in de berging een tas stond met daarin een blok hennep van ongeveer één kilo ongeloofwaardig. Verdachte heeft gesteld dat een ander hem een tas met een vergelijkbaar blok heeft gegeven en dat die ander zonder zijn medeweten van de precieze inhoud ervan ook een tas in de berging heeft gezet. De rechtbank overweegt dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij vermoedde dat de tas die hij aangereikt kreeg iets bevatte waarmee die ander niet gepakt wilde worden, dat hij ‘een beetje wiet’ wel vond kunnen en dat hij voelde dat er in de tas ‘meer dan een beetje’ zat. Toch heeft hij die tas in de gangkast gezet. Daar komt bij dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat de gesealde hennep van een andere kweker is, die verdachte had gevraagd om de hennep aan zijn eigen afnemer te verkopen. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank de stelling van verdachte, inhoudende dat hij niets afwist van het blok in de berging, ongeloofwaardig.

4.4.2.

Het bewijs

De rechtbank heeft op grond van de in bijlage II vervatte wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte de onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met uitzondering van het medeplegen dat onder feiten 3 tot en met 6 ten laste is gelegd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

in de periode van 1 december 2012 tot en met 17 juni 2013 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft geteeld en verwerkt en/of verkocht, in een pand aan de [adres 1] , 252 hennepplanten en 96 hennepstekken, althans een groot aantal hennepplanten en delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

in de periode van 1 december 2012 tot en met 17 juni 2013 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, in een pand aan de [adres 1] , toebehorende aan Liander N.V.;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

in de periode van 1 april 2013 tot en met 17 juni 2013 te [plaats 2] , gemeente [naam] , opzettelijk heeft geteeld en bewerkt, in een pand aan de [adres 2] , 177 hennepplanten;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

in de periode van 1 april 2013 tot en met 17 juni 2013 te [plaats 2] , gemeente [naam] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid stroom, in een pand aan de [adres 2] , toebehorende aan Liander N.V.;

ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde:

in de periode van 1 december 2012 tot en met 17 juni 2013 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , gemeente [naam] , geldbedragen, waaronder EUR 14.000,- ( [adres 1] , periode: december 2012 tot en met juni 2013) en EUR 5.126,50 (huur auto's, periode: december 2012 tot en met juni 2013) en EUR 1.650,- (huur [adres 3] , periode: 1 april 2013 tot en met juni 2013), heeft verworven en omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedragen onmiddellijk afkomstig waren uit enig bedrijf;

ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde:

op 17 juni 2013 te [plaats 1] opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand aan de [adres 3] , 1.828,1 gram hennep.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregel

8.1.

De eis van de officier van justitie

Op basis van het bedrijfsmatig karakter van de hennepteelt, de richtlijnen van het Openbaar Ministerie, het strafrechtelijk verleden en de houding van verdachte en het reclasseringsrapport van 4 september 2013, waarin de reclassering concludeert dat sprake is van een hoog recidiverisico, heeft de officier van justitie een strafeis geformuleerd.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 318 dagen met aftrek van voorarrest.

Daarnaast heeft zij gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en dat het in beslag genomen schrijfblok verbeurd zal worden verklaard.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, althans een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel niet langer dan de duur van het voorarrest, passend is. Verdachte probeert immers zijn leven op orde te krijgen en daarmee is hij reeds aangevangen. Bovendien is hij onlangs ader geworden en bestaat de mogelijkheid om een reclasseringstoezicht op te leggen, waarvan zowel verdachte als de reclassering de meerwaarde inzien. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het beslag en de vordering van de benadeelde partij, al is het de raadsman niet duidelijk in welke periode de stroom niet is betaald.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft – al dan niet samen met een ander – twee hennepkwekerijen opgezet en gerund. Hij heeft daartoe twee illegale aftakkingen van de elektriciteitstoevoer laten aanleggen en stroom gestolen. Verdachte heeft welbewust en ten behoeve van zijn eigen financiële gewin een illegale en potentieel gevaarlijke situatie doen ontstaan. Verdachte heeft daarnaast een grote hoeveelheid hennep aanwezig gehad en geldbedragen witgewassen. De rechtbank weegt in strafverzwarende zin mee dat sprake was van hennepteelt met een bedrijfsmatig karakter, in twee woningen, die om uitsluitend die reden werden gehuurd.

Gelet op de aard en de ernst van de feiten en de duur van de periode waarin deze feiten zijn gepleegd, zou een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, langer dan de 78 dagen die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend zijn.

De rechtbank heeft echter ook acht geslagen op het reclasseringsrapport van 4 september 2013, het Uittreksel van 15 mei 2014 uit de Justitiële Documentatie en op het feit dat verdachte sinds zijn invrijheidsstelling kennelijk een andere – en goede – weg is ingeslagen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd, in de zin dat zij geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zal leggen die langer is dan het reeds beëindigde voorarrest, maar, naast een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf, een onvoorwaardelijke taakstraf zal opleggen. De rechtbank ziet voorts het belang van reclasseringstoezicht en begeleiding van verdachte en acht daarom een voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals in voornoemd reclasseringsrapport geadviseerd geboden.

8.3.1.

Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen: een A5 blok papier.

Het voorwerp behoort aan verdachte toe. Nu dit voorwerp tot het begaan van het onder 1 en 3 bewezen geachte is bestemd, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.

8.3.2.

Ten aanzien van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van Liander N.V., niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 4.917,94 (vierduizend negenhonderd en zeventien euro en vierennegentig cent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 57, 310, 311 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

Opzettelijk handelen in strijd met een artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

Diefstal.

Ten aanzien van het onder 5 bewezen verklaarde:

Witwassen.

Ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde:

Opzettelijk handelen in strijd met het artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 150 (honderd en vijftig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 72 (tweeënzeventig) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. Veroordeelde dient zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

2. Veroordeelde dient ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden;

3. Veroordeelde dient medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. Meldplicht

Veroordeelde dient zich binnen drie dagen na onherroepelijk worden van het onderhavige vonnis te melden bij Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering op het adres [adres, te plaats] . Hierna dient veroordeelde zich te blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dat wenselijk acht;

2. Gedragsinterventie: CoVa training

Veroordeelde dient deel te nemen aan een gedragsinterventie, namelijk de gedragstraining GI-RN Cognitieve Vaardigheden.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van voor de duur van 150 (honderd en vijftig) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen.

Verklaart verbeurd: het inbeslaggenomen A5 blok papier.

Wijst de vordering van Liander N.V., per adres [adres, te plaats] , toe tot € 4.917,94 (vierduizend negenhonderd en zeventien euro en vierennegentig cent).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan Liander N.V. voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter,

mrs. F.M. Wieland en M.B. de Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van E.R.E. Evans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juni 2014.