Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:9157

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
02-03-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 6397
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging, intrekking, herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens een en/of rekening. Beroep gegrond. Eiser heeft uitvoerig en naar het oordeel van de rechtbank overtuigend verklaard over de wijze waarop hij slechts in het belang en ten behoeve van zijn moeder de en/of-rekening gebruikte. De tegoeden vormden dan ook geen bestanddeel van eisers vermogen. Eiser heeft de inlichtingenplicht niet geschonden door het niet vermelden van de en/of-rekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/6397

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2014 in de zaak tussen

[naam], te Amstelveen, eiser

(gemachtigde: mr. T.H.S.P. de Jonge),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen, verweerder

(gemachtigde: mr. C.A.K. Denneboom).

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2013 (het primaire besluit I) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) per 1 mei 2013 geblokkeerd.

Bij besluit van 11 juni 2013 (het primaire besluit II) heeft verweerder de uitkering van eiser per 6 juni 2013 opgeschort.

Bij besluit van 24 juni 2013 (het primaire besluit III) heeft verweerder de uitkering van eiser met ingang van 1 mei 2005 ingetrokken en per 24 juni 2013 beëindigd. Voorts heeft verweerder de uitkering over de periode van 1 januari 2005 tot 1 juni 2015 (de rechtbank begrijpt: 2013) herzien.

Bij brief van 26 juni 2013 heeft verweerder eiser meegedeeld dat er nog een vordering van € 1.052,73 openstaat.

Bij besluit van 11 juli 2013 (het primaire besluit IV) heeft verweerder de uitkering van eiser teruggevorderd tot een bedrag van € 114.128,52. Bij brief van 11 juli 2013 heeft verweerder eiser geïnformeerd over de berekening van dit bedrag.

Bij besluit van 8 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen de brieven van 26 juni 2013 en 11 juli 2013 niet-ontvankelijk verklaard, de bezwaren tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard en de bezwaren tegen de primaire besluiten III en IV gegrond verklaard voor wat betreft de periode van intrekking en terugvordering. Verweerder heeft daarbij de primaire besluiten III en IV herroepen en besloten dat de uitkering per 30 maart 2006 wordt ingetrokken en het terugvorderingsbedrag over de periode van 30 maart 2006 tot en met 1 juni 2013 vastgesteld op € 98.942,41.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser ontvangt vanaf 31 januari 2002 een uitkering op grond van de WWB. Op

17 april 2013 is bij verweerder een vermogenssignaal van het Inlichtingenbureau binnengekomen. Blijkens het rapport van 16 mei 2013 betreft het vermogenssignaal rekeningnummer[nummer]. Dit betreft een betaalrekening en twee spaarrekeningen op naam van de moeder van eiser en eiser (hierna: de en/of-rekeningen) met daarop op 31 december 2011 een totaalsaldo van[bedrag].

1.2

Aan eiser is verzocht alle afschriften van de en/of-rekeningen met rekeningnummer[nummer] vanaf de datum van opening tot 23 mei 2013 te verstrekken voor 6 juni 2013. Na nog tweemaal uitstel te hebben verkregen heeft eiser aan verweerder een groot aantal kopieën van bankafschriften overgelegd.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder – voor zover hier van belang – onder verwijzing naar het advies van de bezwaarcommissie geoordeeld dat de gevraagde bankafschriften onmisbaar zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Nu eiser in gebreke is gebleven met het verstrekken van alle gevraagde afschriften, kon verweerder het recht op uitkering niet vaststellen. Verweerder is volgens de bezwaarcommissie op juiste gronden tot intrekking en terugvordering van het recht op uitkering overgegaan, nu het saldo van de en/of-rekeningen behoort tot het vermogen van eiser en van enige beperking van de beschikkingsmacht niet is gebleken. De intrekking dient echter per 30 maart 2006 in te gaan, gelet op het in bezwaar ingediende stuk van het[bank] te Amstelveen van 5 september 2013, nu eiser eerst op die datum is aangemeld als mederekeninghouder. Het terug te vorderen bedrag bedraagt daardoor € 98.942,41. Er zijn geen dringende redenen gebleken om van terugvordering af te zien.

3. Eiser voert in beroep, kort weergegeven, aan dat op advies van de[bank] de bankrekeningen van zijn moeder mede op zijn naam zijn gezet, zodat hij, zoals een kind geacht wordt te doen, voor zijn moeder kan zorgen. Dit heeft eiser destijds doorgegeven aan verweerder. Bovendien kan het recht op uitkering wel vastgesteld worden, nu eiser voldoende en correcte informatie heeft verstrekt. Juridisch heeft eiser weliswaar de beschikking over het tegoed van de en/of-rekeningen, maar feitelijk niet, nu deze op het adres van zijn moeder stonden, de twee pinpassen op dat adres lagen en zijn moeder alle uitgaven controleerde. Eiser voert voorts aan dat er geen onafhankelijke herbeoordeling in bezwaar heeft kunnen plaatsvinden, gelet op uitlatingen van de wethouder in plaatselijke pers.

4.1

De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser geen specifieke beroepsgronden heeft gericht tegen het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de blokkering (primaire besluit I) en de opschorting van de uitkering (primaire besluit II) en de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren tegen de brieven van 26 juni 2013 en 11 juli 2013. De rechtbank zal deze deelbesluiten daarom verder onbesproken laten. Ter beoordeling ligt derhalve alleen voor het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de beëindiging, intrekking en herziening (primaire besluit III) en de terugvordering (primaire besluit IV).

4.2

De rechtbank overweegt dat aan laatstgenoemde deelbesluiten verweerders standpunt ten grondslag ligt dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB. Op grond van deze bepaling is de belanghebbende verplicht mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Gelet hierop ligt aan de rechtbank de vraag voor of de en/of-rekeningen feiten of omstandigheden betreffen waarvan aan eiser redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank sprake als het tegoed op die rekeningen een bestanddeel vormt van het vermogen waarover eiser beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, welk vermogen in aanmerking dient te worden genomen bij de vaststelling van het recht op bijstand.

4.3

De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, de vooronderstelling rechtvaardigt dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een zogeheten en/of-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is (ECLI:NL:CRVB:2013:797).

4.4

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij redelijkerwijs niet kon beschikken over de tegoeden op de en/of-bankrekeningen. De rechtbank stelt allereerst vast dat op de bankafschriften alleen het adres van de moeder van eiser staat vermeld. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de moeder van eiser in juli 2013 een brief aan verweerder heeft geschreven waarin naar voren komt dat in een moeilijke periode, op advies van de bank, haar rekening mede op naam van eiser is gezet. In verband met lichamelijke klachten doet eiser af en toe wat boodschappen of koopt hij andere benodigdheden voor haar. Deze verklaring is door verweerder niet betwist. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat eiser ter zitting een verklaring heeft gegeven voor het feit dat er blijkens de bankafschriften af en toe op een zelfde dag door hem en door zijn moeder uitgaven zijn gedaan, hetgeen zichtbaar is doordat pinbetalingen zijn gedaan met twee verschillende passen. Eiser noemt als voorbeeld dat hij in opdracht van zijn moeder, wanneer zij op [plaats] is, geld geeft voor een fruitmand voor een zieke buurvrouw of chocola koopt als bedankje voor iemand die hulp heeft geboden aan zijn moeder. Ook voor het bedrag van € 1.500,-, dat volgens verweerder voor eiser bedoeld zou zijn, heeft eiser een verklaring gegeven. Verder heeft eiser ter zitting toegelicht dat zijn moeder alle uitgaven, blijkend uit de bankafschriften, controleerde. Indien zij een uitgave niet kon plaatsen, vroeg zij dit na bij eiser. Op de overgelegde bankafschriften plaatste zij bij alle uitgaven een krul als zij deze gecontroleerd had. Eiser heeft ter zitting uitvoerig en naar het oordeel van de rechtbank overtuigend verklaard over de wijze waarop hij slechts in het belang en ten behoeve van zijn moeder de en/of-rekening gebruikte en waarom hij zijn moeder niet als getuige naar de zitting heeft willen meenemen. Op grond van al deze omstandigheden in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij redelijkerwijs niet kon beschikken over de tegoeden van de en/of-rekeningen voor eigen bestedingen. Deze tegoeden vormden dan ook geen bestanddeel van het vermogen waarover eiser beschikte of redelijkerwijs kon beschikken. Deze tegoeden konden dan ook niet van invloed zijn op eisers recht op bijstand.

4.5

Uit het voorgaande volgt dat eiser door van de en/of-rekeningen ten tijde hier van belang geen melding te maken niet in strijd met de op hem rustende inlichtingenplicht heeft gehandeld. Verweerder was dan ook niet bevoegd tot intrekking, herziening en terugvordering van de uitkering over te gaan. De overige beroepsgronden van eiser behoeven daarom geen bespreking meer.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de uitkering van eiser is beëindigd, ingetrokken, herzien en teruggevorderd, wegens strijd met de artikelen 54, derde lid, en artikel 58, eerste lid, van de WWB. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en de primaire besluiten III en IV te herroepen nu deze eveneens zijn genomen in strijd met genoemde bepalingen. Dit betekent dat het recht van eiser op een uitkering herleeft met ingang van 30 maart 2006. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de uitkering van eiser is beëindigd, ingetrokken, herzien en teruggevorderd;

  • -

    herroept de primaire besluiten III en IV

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. van Zutphen, voorzitter, en mr. A.C. Loman en mr. M.L. van Emmerik, leden, in aanwezigheid van mr. J.E. van Bruggen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.