Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:9112

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
16-01-2015
Zaaknummer
13-684180-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:10222, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gebruik dienstwapen bij aanhouding van verdachte van straatroof in strijd met artikel 7 van de ambtsinstructie, nu er wel sprake was van verdenking van een misdrijf waarop vier jaar of meer gevangenisstraf is gesteld maar geen sprake was van een misdrijf gericht tegen de lichamelijke integriteit. Daarom is sprake van een vormverzuim van 359a Sv. Dit vormverzuim leidt i.c. tot strafvermindering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/82

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684180-13, 13/860542-12 (tul) (Promis)

Datum uitspraak: 22 december 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres 1], thans uit andere hoofde gedetineerd in de [detentie adres, te plaats].

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 8 juli 2013, 3 oktober 2013, 13 mei 2014 en 14 oktober 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J. Ang en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.C. Sassen, naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [persoon 1], namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: Raad), en [persoon 2], namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 4 april 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op/aan het Bos en Lommerplein, in elk geval op/aan een openbare weg, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas (merk: Louis

Vuitton) en/of een portemonnee (merk: Louis Vuitton) en/of een agenda en/of een of meer (waarde)papier(en) en/of een fles parfum (merk: Chanel) en/of een externe harde schijf (merk: Iomega) en/of ongeveer 20 euro, in elk geval een geldbedrag en/of een of meer cadeaupas(sen) en/of cadeaubon(nen) en/of een of meer bankpas(sen) en/of twee, althans een of meer creditcard(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld tegen voornoemde [persoon 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte:

- voornoemde [persoon 3] heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of

(vervolgens) met kracht tegen het lichaam heeft geduwd (waardoor zij ten val

is gekomen); (Artikel 312 Wetboek van Strafrecht)

3. Voorvragen

ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.

standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte. Het Openbaar Ministerie heeft cruciale informatie buiten het dossier trachten te houden. De zaak is in eerste instantie onvolledig aan de rechtbank gepresenteerd. Dit is in strijd met artikel 152 Wetboek van Strafvordering. Het richten van een dienstwapen kan van belang zijn voor de door de officier van justitie te nemen vervolgingsbeslissing en voor de rechter te nemen (eind-) beslissing. Nu wordt wel beschikt over het rapport integriteit waaruit het volgende is gebleken. Verbalisant [verbalisant] heeft verklaard dat hij direct na het verlaten van de politiebus vier keer gericht heeft geschoten op de wegrennende verdachte om zo tot aanhouding over te kunnen gaan. Opvallend in het rapport is dat naast de schutters alle betrokken verbalisanten verklaren dat de auto waarin de verdachte zat de instructies opvolgde van de politie. Voorts is opvallend dat niet eerst is getracht de wegrennende verdachte achterna te gaan, maar dat direct het vuur is geopend op verdachte. Er is niet eerst gewaarschuwd. Collega’s die ter plaatse waren hebben hun verbazing over het schieten geuit. Mede gelet op de relatief geringe ernst van het feit was het gericht schieten op verdachte volstrekt onnodig en daarmee onrechtmatig en disproportioneel. Uit de ambtsinstructie blijkt dat het gebruik van een vuurwapen slechts is toegestaan om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding tracht te onttrekken en die wordt verdacht van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer. Uit de nota van toelichting blijkt dat er sprake moet zijn van misdrijven die gericht zijn tegen de lichamelijke integriteit (bijvoorbeeld een gewapende roofoverval, een zwaar zedendelict of gijzeling) of tegen de persoonlijke levenssfeer. Van een dergelijke verdenking was geen sprake nu verdachte verdacht werd van diefstal van een tas op de openbare weg door middel van een simpele ruk. Deze ongerechtvaardigde geweldstoepassing bij de aanhouding levert een vormverzuim op als gesteld in artikel 359a Wetboek van Strafvordering, zo hebben ook de Hoge Raad op 21 december 2004 (00011/04, AR5092) en het gerechtshof Den Haag op 26 april 2005 (AT6480) bepaald. Uit het arrest van het gerechtshof volgt dat grove schending van de lichamelijke integriteit van een verdachte door een opsporingsambtenaar de goede procesorde in een zaak onherstelbaar kan schenden. Dat is in casu ook het geval aangezien op verdachte een poging doodslag is gepleegd. Dit levert een schending van de beginselen van een goede procesorde op en moet daarom leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

3.2

standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van disproportioneel geweld aangezien verdachte niet is geraakt. De politie heeft rechtmatig gebruik gemaakt van een vuurwapen. Dit blijkt uit artikel 7 van de ambtsinstructie. De politie mag een vuurwapen gebruiken indien er sprake is van verdenking van een misdrijf waarop vier jaar of meer gevangenisstraf is gesteld en er sprake is van een misdrijf gericht tegen de lichamelijke integriteit. Daar is hiervan sprake nu verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld. Aangeefster heeft haar tas achter in de auto gelegd, ze krijgt een duw en ze valt. Verdachte heeft zich aan aanhouding onttrokken en zijn identiteit was niet bekend. De politie mocht er van uitgaan dat de melding juist was dat de auto waarin verdachte zat te naam was gesteld van een vuurwapengevaarlijke persoon. Uit het onderzoek van bureau integriteit is gebleken dat het vuurwapengebruik rechtmatig was. Dat andere verbalisanten verbaasd waren over het vuurwapengebruik is niet relevant, evenmin is relevant of andere personen in gevaar zijn geweest. De arresten waar de verdediging zich op beroept zijn niet toepasselijk aangezien de lichamelijke integriteit van verdachte niet is geschonden nu hij niet is geraakt. Hij is geschrokken, dat wel. Uit het onderzoek blijkt dat er geen sprake was van onrechtmatig politieoptreden en daarom hoefde dit onderzoek niet aan het dossier toegevoegd te worden.

De politieambtenaar die geschoten heeft wordt niet vervolgd en ook zijn geen disciplinaire maatregelen tegen hem getroffen. De officier van justitie heeft verwezen naar het arrest van de Hoge Raad (NJ 2001-281) waarin is geoordeeld dat disproportioneel geweld bij aanhouding geen tekortkoming oplevert voor het recht op vervolging. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk.

3.3.

oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het integriteitsonderzoek tijdig aan het dossier is toegevoegd, namelijk voordat de zaak inhoudelijk werd behandeld. Met de verdediging en de officier van justitie oordeelt de rechtbank dat het criterium waaraan getoetst moet worden of het vuurwapengebruik rechtmatig was, is geformuleerd in artikel 7 van de ambtsinstructie. Dit betekent dat bij aanhouding van een verdachte een vuurwapen mag worden gebruikt indien sprake is van een misdrijf waar meer dan vier jaar gevangenisstraf op is gesteld en er sprake is van een misdrijf gericht tegen de lichamelijke integriteit. De nota van toelichting bij artikel 7 vermeldt als voorbeelden bij misdrijven tegen de lichamelijke integriteit: bij voorbeeld een gewapende roofoverval, een zwaar zedendelict, gijzeling. De vraag is in dit geval of de gepleegde straatroof onder deze categorie misdrijven valt. De rechtbank oordeelt op grond van de haar nu ter beschikking staande informatie dat dit niet het geval is. Verdachte heeft in casu een lichte vorm van geweld gebruikt waarbij door hem geen wapen is gebruikt, zoals verder blijkt uit dit vonnis. Hoewel er zeker sprake is van een vervelend en ergerlijk strafbaar feit is niet gebleken dat het slachtoffer daardoor in haar lichamelijke integriteit is aangetast. Naar het oordeel van de rechtbank was daarom het vuurwapengebruik onrechtmatig. De volgende vraag die beantwoord moet worden is de vraag of dit leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Als uitgangspunt geldt dat de beslissing tot vervolging aan het Openbaar Ministerie is voorbehouden. Een beslissing tot vervolging staat in het algemeen niet ter beoordeling aan een rechter. Uitzonderingen hierop zijn indien de vervolging in strijd is met wettelijke of verdragsrechtelijke bepalingen of met beginselen van goede procesorde. Beoordeeld zal dan moeten worden of het Openbaar Ministerie na afweging van de belangen in redelijkheid tot de vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen. Er is gehandeld in strijd met de ambtsinstructie, hetgeen een vormverzuim in de zin van artikel 359a Strafvordering oplevert. Dit vormverzuim kan niet hersteld worden en de gevolgen daarvan blijken niet uit de wet. Artikel 11 van de Grondwet en artikel 7 van de ambtsinstructie beogen de lichamelijke integriteit van verdachten te beschermen. Schending van de lichamelijke integriteit van verdachte is een ernstig verzuim. Dit verzuim kan slechts in uitzonderlijke gevallen tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leiden indien doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak te kort is gedaan. Dat en waarom er aan dit criterium voldaan wordt is door de verdediging niet naar voren gebracht en ook niet gebleken, met name niet dat de schutter ‘doelbewust’ zou hebben gehandeld in strijd met de ambtsinstructie. In ieder geval is verdachte (gelukkig) niet gewond geraakt. De officier van justitie is niet niet-ontvankelijk in de vervolging. Wel zal de rechtbank bij de strafoplegging rekening houden met het gepleegde verzuim.

De rechtbank stelt voorts vast dat de dagvaarding geldig is, deze rechtbank bevoegd is tot kennisneming van het ten laste gelegde feit. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het ten laste gelegde feit kan wettig en overtuigend worden bewezen. Uit de aangifte en de aanvullende aangifte blijkt dat verdachte aangeefster heeft weggeduwd nadat zij haar tas achter haar autostoel had gelegd waardoor zij ten val kwam. Er zijn drie getuigen die verdachte hebben zien wegrennen met de tas van aangeefster in zijn handen. Verdachte heeft op 16 mei 2013 het feit bekend.

4.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank, waarbij wordt opgemerkt dat verdachte heeft verklaard dat aangeefster ten val is gekomen doordat aangeefster en hij aan de tas trokken en niet doordat hij haar heeft geduwd.

4.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hierna weergegeven feiten en omstandigheden zoals vervat in de als voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.1

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. Uit de aangifte blijkt dat aangeefster is beroofd van haar tas. Zij liep naar haar auto en legde haar tas achter de bestuurdersstoel, welke naar voren was geklapt. Vervolgens klapte zij de bestuurderstoel naar achteren en wilde instappen. Zij voelde dat iemand haar vastpakte bij haar schouder en haar van de auto afduwde. Door de kracht en het verrassingselement kwam zij ten val. Daardoor heeft aangeefster schaafwonden opgelopen aan haar duim en knie. Zij zag dat verdachte de tas achter de bestuurdersstoel vandaan pakte en wegrende.2

Verdachte heeft op 16 mei 2013 bekend dat hij op de dag dat hij werd aangehouden een straatroof heeft gepleegd. Hij dacht daarbij dat zij geld zou hebben en daarom heeft hij de tas gepakt. Zij is daarbij gevallen .3

De rechtbank overweegt dat er geen getuigen zijn van het gepleegde geweld. De verklaring van het slachtoffer staat tegenover die van de verdachte. De rechtbank acht de verklaring van het slachtoffer aannemelijk aangezien het niet mogelijk is de tas achter de stoel van uit de auto te trekken op het moment dat het slachtoffer de bestuurderstoel naar achter klapt en in wil stappen. Zij stond op dat moment in de weg en aannemelijk is dan ook dat verdachte haar heeft weggeduwd waardoor zij ten val kwam.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 4 april 2013 te Amsterdam, aan het Bos en Lommerplein, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas merk: Louis Vuitton en een portemonnee merk: Louis Vuitton en een agenda en waardepapieren en een fles parfum merk Chanel en een externe harde schijf merk: Iomega en ongeveer 20 euro, en cadeaupassen en cadeaubon en bankpassen en meer creditcards, toebehorende aan [persoon 3], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen voornoemde [persoon 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte:

- voornoemde [persoon 3] heeft vastgepakt en met kracht heeft geduwd waardoor zij ten val is gekomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van tien maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast dient de vordering ten uitvoerlegging toegewezen te worden.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte reeds zes maanden heeft vastgezeten en al veertien maanden in een schorsing loopt met de maatregel Hulp en Steun (MHS). Op grond van de oriëntatiepunten straftoemeting jeugd staat er voor diefstal met geweld door middel van een simpele ruk of trek een jeugddetentie van een maand. Iedere strafverzwarende omstandigheid telt daarbij een maand op. Als strafverzwarende omstandigheid geldt in ieder geval recidive. Ook indien wordt gekeken naar de LOVS richtlijnen voor volwassenen kan niet meer worden opgelegd dan zes maanden gevangenisstraf.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de Oriëntatiepunten straftoemeting jeugd Amsterdam, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging en welke regelmatig worden geactualiseerd (laatstelijk juli 2013). Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit gepleegd door first offenders. Bij de eerste keer recidive wordt een verhoging toegepast van maximaal 50% of een andere strafmodaliteit toegepast. Bij verdere recidive kan een verhoging worden toegepast van meer dan 50% of een andere strafmodaliteit.

Het betreft in de onderhavige zaak een diefstal met geweld. Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 november 2014 blijkt dat verdachte voor het plegen van onderhavig feit reeds zes maal eerder een diefstal met geweld heeft gepleegd, naast andere vermogensdelicten.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer kwalijk feit. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lang psychische klachten kunnen overhouden. Ook omstanders kunnen zich door dit soort feiten onveilig gaan voelen. Verdachte heeft, zoals hij heeft verklaard, alleen gedacht aan geldelijk gewin voor zichzelf. Verdachte is eerder veroordeeld voor het plegen van straatroven maar heeft daarvan kennelijk niets geleerd. Daarom is een langdurige jeugddetentie op zijn plaats. Verdachte heeft 182 dagen in voorarrest doorgebracht, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een passende straf is . De rechtbank zal echter met het oog op het vuurwapengebruik een maand jeugddetentie minder opleggen dan de door de rechtbank als passend beoordeelde jeugddetentie.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 22 april 2013 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/680542-12, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 27 november 2012 van de kinderrechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot 40 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 19 november 2014 aan verdachte is uitgereikt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 77g, 77i, 77dd en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van vijf maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 27 november 2012 opgelegde voorwaardelijke straf, voor een gedeelte, groot veertig dagen jeugddetentie.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.I. Heyning, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. H.M. van Hall, en H.P.H.I. Cleerdin, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Helder, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 december 2014.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 12, 13 en 14 (aangifte)

3 Pagina 130 en 131 (verklaring verdachte)