Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:9110

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
07-01-2015
Zaaknummer
C-13-521644 - HA ZA 12-868
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is bijgestaan door drie advocaten van één advocatenkantoor. Deze advocaten hebben elkaar steeds opgevolgd. Eiser stelt dat door deze advocaten beroepsfouten zijn gemaakt en vordert vergoeding van de door hem daardoor geleden schade door het advocatenkantoor en de afzonderlijke advocaten in persoon. De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af. De vorderingsrechten van eiser ten aanzien van de twee advocaten van dit advocatenkantoor die als laatste voor eiser hebben opgetreden zijn op grond van een beding in de algemene voorwaarden komen te vervallen. Door de eerste advocaat van dit advocatenkantoor zijn geen beroepsfouten gemaakt als gevolg waarvan eiser schade heeft geleden. Daarbij geldt dat de verplichtingen van deze advocaat niet zo ver gingen dat hij in de gaten diende te houden of de voormalige advocaat van de aan eiser gelieerde vennootschap beroepsfouten had gemaakt en wanneer de vorderingen van die vennootschap op de voormalig advocaat zouden verjaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/521644 / HA ZA 12-868

Vonnis van 17 december 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.C.J. Wouters te Amsterdam,

tegen

1. de maatschap

[maatschap],

gevestigd te [plaats],

2. mr. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. mr. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. mr. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. W.F. Hendriksen te Amsterdam.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden zullen gezamenlijk worden aangeduid als [gedaagden gezamenlijk] en afzonderlijk bij naam genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

 de dagvaarding van 9 juli 2012 met producties,

 de conclusie van antwoord met producties,

 het tussenvonnis van 9 januari 2013 waarin een comparitie van partijen is gelast,

 de brief van de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2013 waarin aan partijen te kennen is gegeven dat de comparitie van partijen geen doorgang zal vinden en de zaak zal worden verwezen naar de rol voor re- en dupliek,

 de akte overlegging producties van 14 maart 2013 van [gedaagden gezamenlijk],

 de conclusie van repliek tevens houdende vordering tot het verstrekken van NAW-gegevens, met producties,

 de conclusie van dupliek met producties,

 het verzoek om pleidooi van 23 oktober 2013 van [eiser],

 de akte overlegging producties van 27 maart 2014 van [eiser],

 het proces-verbaal van de zitting ten behoeve van het pleidooi en de in dat proces-verbaal genoemde processtukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] van Bouw- en Exploitatiemaatschappij Roham B.V. (hierna: Roham). Roham was destijds de eigenaar van een terrein van 18.000 m2, gelegen in het westelijk havengebied van Amsterdam en de op dat terrein gelegen havenloods. Roham had voor het overige geen activa.

2.2.

De havenloods werd van Roham gehuurd door Planex B.V. (hierna: Planex). Planex gebruikte de loods om cacao op te slaan ten behoeve van de International Cacao Organization (ICCO).

2.3.

Op 13 oktober 1989 is Wide Alley Properties N.V. (hierna: Wide Alley) opgericht als houdstermaatschappij van de aandelen in Roham. De aandelen in Roham zijn in twee delen door Wide Alley verworven, namelijk 62,5% op 6 november 1989 en 37,5% op 24 oktober 1990. De aankoop van deze aandelen is gefinancierd door middel van de uitkering van een bedrag van fl. 4 miljoen van de vrije reserves die in Roham aanwezig waren.

2.4.

Sinds 28 december 1989 is [eiser] van Wide Alley. In december 1989 bezaten [eiser], mr. J.C.J. Wouters (hierna: Wouters) en [naam] (hierna: [naam]) ieder 33,17% van de aandelen in Wide Alley.

2.5.

Planex heeft Roham bij dagvaarding van 13 maart 1989 in rechte betrokken. In die procedure heeft Planex – kort gezegd – gesteld dat sprake was van achterstallig onderhoud aan de havenloods, waardoor de loods niet voldeed aan de eisen van de ICCO. Planex stelde als gevolg hiervan schade te hebben geleden die door Roham vergoed diende te worden (hierna: de ICCO-schade).

2.6.

In april 1990 heeft Roham het faillissement van Planex aangevraagd, wat heeft geresulteerd in een vonnis van 22 mei 1990 waarbij het faillissement van Planex is uitgesproken. Roham heeft vervolgens de huurovereenkomst met Planex tegen 1 september 1990 opgezegd op grond van het bepaalde in artikel 39 Faillissementswet (Fw).
Op dat moment werd Roham bijgestaan door mr. J.C.J. Wouters als advocaat.

2.7.

Planex heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 22 mei 1990. Bij arrest van 26 juni 1990 is het vonnis van 22 mei 1990 (zie 2.6) vernietigd. Roham heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld.

2.8.

Vanaf 26 juni 1990 heeft mr. A.H. Vermeulen (hierna: mr. Vermeulen) Roham als advocaat bijgestaan met betrekking tot de diverse procedures tegen Planex.

2.9.

Roham heeft de opzegging van de huurovereenkomst met Planex (zie 2.6) ook na het arrest van 26 juni 1990 gehandhaafd en een procedure in kort geding gevoerd strekkende tot ontruiming van Planex. Bij vonnis van 13 september 1990 is Planex tot ontruiming veroordeeld. Per 17 september 1990 is Planex ontruimd.

2.10.

Op 7 december 1990 heeft de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof van 26 juni 1990 (zie 2.7) bekrachtigd, waarmee het faillissement van Planex werd opgeheven.

2.11.

Planex heeft bij dagvaarding van 31 december 1991 een procedure tegen Roham aangespannen, waarin zij schadevergoeding vorderde wegens het ten onrechte uitgesproken faillissement en wegens derving van het huurgenot als gevolg van de onrechtmatige ontruiming (hierna: de faillissements- en ontruimingsschade). Deze procedure is in eerste aanleg geëindigd met een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 januari 1994 waarin de aansprakelijkheid van Roham is vastgesteld en Planex voor het vaststellen van de schade is verwezen naar de schadestaatprocedure.

2.12.

Op 31 maart 1994 is door Planex beslag gelegd onder zichzelf, met betrekking tot de huur die zij met ingang van 1 april 1994 aan Roham diende te voldoen.

2.13.

Vanaf 1 juli 1994 werd Roham bijgestaan door mr. F.J. Schoute als advocaat.

2.14.

Op 13 september 1994 is de havenloods van Roham door de hypotheekhouder
- wegens een betalingsachterstand van Roham - executoriaal verkocht. De opbrengst van deze executieverkoop is gebruikt om de openstaande hypotheek in te lossen.

2.15.

Bij vonnis van 26 oktober 1994 is Roham veroordeeld om aan Planex een bedrag van ruim fl. 1,2 miljoen te betalen in verband met de ICCO-schade (zie 2.5).

2.16.

Bij akte van cessie van 21 december 1994 heeft Roham haar - op gestelde beroepsfouten van mr. Vermeulen gebaseerde - vermeende vorderingen op mr. Vermeulen en de maatschap van mr. Vermeulen (Maaldrink Buren) overgedragen aan Biek Holdings B.V. (hierna: Biek). Biek heeft bij dagvaarding van 8 februari 1996 een procedure aangespannen tegen mr. Vermeulen en Maaldrink Buren in verband met deze vorderingen. Daarbij werd Biek bijgestaan door mr. F.J. Schoute als advocaat.

2.17.

Bij vonnis van 15 februari 1995 is Roham, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, veroordeeld tot betaling aan Planex van fl. 2.756.833,33 in verband met de faillissements- en ontruimingsschade (zie 2.11).

2.18.

Bij dagvaarding van 15 oktober 1996 heeft Planex [eiser], Wide Alley, [naam] en Wouters gedagvaard tot betaling van de ICCO-, faillissements- en ontruimingsschade (zie 2.15 en 2.17), nu zij – aldus Planex – als feitelijk bestuurders van Roham hadden te gelden.

2.19.

Vanaf 29 augustus 1997 heeft [gedaagde sub 2] – destijds werkzaam bij [maatschap] (toen nog: [maatschap], hierna: [maatschap]) – als advocaat van [eiser] en Wide Alley opgetreden in de onder 2.18 bedoelde procedure. De door [eiser] en Wide Alley aan [gedaagde sub 2] gegeven opdracht is door [gedaagde sub 2] bij brief van 29 augustus 1997 aan [eiser] en Wide Alley bevestigd.

2.20.

In de procedure tussen Planex enerzijds en [eiser], Wide Alley, [naam] en Wouters anderzijds (hierna [eiser] c.s.) is van de zijde van [eiser] c.s. een incident opgeworpen strekkende tot het oproepen in vrijwaring van 15 (rechts)personen, waaronder Maaldrink Buren. Bij vonnis van 5 november 1997 is [eiser] c.s. toegestaan om [naam] en Wouters in vrijwaring op te roepen. Voor het overige is de vordering in het incident afgewezen.

2.21.

Bij brief van 10 november 1997 heeft [gedaagde sub 2] aan [eiser], Wide Alley en Wouters – voor zover hier van belang – naar aanleiding van het vonnis van 5 november 1997 het volgende geschreven:

“(…) Het valt daarom volgens de rechtbank niet goed in te zien waarom de betrokkenen bij en de adviseurs van het toenmalige Roham in de zaak een rol zouden kunnen spelen (…) Op die redenering valt weinig aan te merken, indien die ook in de hoofdzaak zal worden aangehouden en de vorderingen worden afgewezen omdat uitsluitend Roham zou kunnen worden aangesproken. Die garantie kan ik u helaas echter niet geven.

Er zijn een paar praktische aspecten aan de zaak. De vrijwaring is immers wel toegestaan tegen de heren Wouters en [naam], en er moet een beslissing over worden genomen of het onder deze omstandigheden zin heeft om dat ook daadwerkelijk te gaan doen. Ik ben zelf geneigd daarvan af te zien.
Een tweede aspect is dat hoger beroep van de onderhavige beslissing is uitgesloten maar dat het nog de moeite waard zou kunnen zijn om na te gaan of de rechtbank dat terecht heeft gedaan (…) Ook hier ben ik geneigd het hierbij te laten en de aandacht op de hoofdzaak te concentreren maar hoor het graag als u andere gedachten hebt. (….) Mocht u andere stappen wensen dan ben ik graag bereid tot overleg en studie. (…)”

2.22.

Bij vonnis van 21 februari 2001 van de rechtbank Amsterdam is [eiser] veroordeeld tot betaling aan (inmiddels, de curator van) Planex van fl. 300.000,00 in verband met de ICCO-schade en van fl. 2.106.833,33 inzake de faillissements- en ontruimingsschade (Planex had ingevolge het op 31 maart 1994 gelegde beslag reeds een bedrag van fl. 650.000,00 van Roham ontvangen), vermeerderd met de wettelijke rente.
De vorderingen van Planex ten aanzien van Wide Alley, [naam] en Wouters zijn afgewezen.

2.23.

Vanaf 1 mei 2001 heeft [gedaagde sub 3], destijds een kantoorgenoot van [gedaagde sub 2], [eiser] en Wide Alley als advocaat bijgestaan. Daartoe is door [gedaagde sub 2] in een brief van 1 mei 2001 aan [eiser] en Wide Alley het volgende geschreven:

“(…) De kwestie is dat ik het zinvol vind om het hoger beroep [tegen het vonnis van 21
februari 2001, rb] te laten behandelen door mijn kantoorgenoot [gedaagde sub 3]. (…)”

Onderaan de brief is (in kleiner lettertype) opgenomen:

“Op alle opdrachten die aan ons kantoor worden verstrekt zijn onze algemene voorwaarden van toepassing. Deze voorwaarden, waarvan de tekst is afgedrukt op de achterzijde van deze brief, bevatten een aansprakelijkheidsbeperking (…)”

2.24.

In de algemene voorwaarden van [maatschap] uit 2001 is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…)
3. (…) Alle opdrachten worden, met terzijdestelling van artikel 7:404 BW en artikel 7:407 lid 2 BW uitsluitend aanvaard en uitgevoerd door de maatschap. (…)

4. (…) Alle vorderingsrechten en andere bevoegdheden van de opdrachtgever jegens de maatschap, de (individuele) vennoten, (…) in verband met door de maatschap verrichte werkzaamheden vervallen in ieder geval zodra een periode van één jaar is verstreken na de dag waarop de opdrachtgever bekend werd of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met het bestaan van die rechten en bevoegdheden (…)”

2.25.

Bij arrest van 10 april 2002 heeft het Gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 1994, waarin Roham werd veroordeeld tot betaling van de ICCO-schade (zie 2.15) en waartegen door Roham hoger beroep was ingesteld, bekrachtigd.

2.26.

Bij e-mail van 27 juni 2003 is door mr. J.C.J. Wouters aan [gedaagde sub 3] verzocht om de procedure in hoger beroep tegen het vonnis van 15 februari 1995 (waarin Roham werd veroordeeld tot betaling van de faillissements- en ontruimingsschade) namens Roham voort te zetten (zie 2.17).
[gedaagde sub 3] heeft in reactie hierop Wouters bij e-mail van 17 juli 2003 verzocht om nadere informatie en vervolgens op 21 juli 2003, na toezending van die informatie door Wouters, de opdracht geaccepteerd. In de e-mail van [gedaagde sub 3] van 17 juli 2003 is opgenomen:

“Op alle opdrachten die aan ons kantoor worden verstrekt zijn onze algemene

voorwaarden van toepassing. Deze voorwaarden bevatten een aansprakelijkheidsbeperking. De voorwaarden kunt u vinden op [website]”

2.27.

Vanaf 13 oktober 2004 heeft [gedaagde sub 4], destijds eveneens werkzaam bij [maatschap], Biek bijgestaan in de procedure tegen mr. Vermeulen en Maaldrink Buren (zie 2.16). In dat kader is door [gedaagde sub 4] op 1 februari 2005 een brief aan Biek gezonden, waarin – voor zover hier van belang – het volgende is opgenomen:

“De heren J.C.J. Wouters en [eiser] (…) vroegen mij de belangen van Biek Holdings B.V. te behartigen in de zaak tegen mr. Vermeulen (…)”

Onderaan de brief is (in kleiner lettertype) opgenomen:

“Op alle opdrachten die aan ons kantoor worden verstrekt zijn onze algemene voorwaarden van toepassing. Deze voorwaarden, waarvan de tekst is afgedrukt op de achterzijde van deze brief, bevatten een aansprakelijkheidsbeperking (…)”

2.28.

In mei 2008 heeft [eiser] de opdracht(en) aan [maatschap] beëindigd. Bij brief van 7 juli 2008 heeft mr. Wouters [maatschap] aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiser], Wide Alley en Roham hebben geleden als gevolg van diverse beroepsfouten van [gedaagden gezamenlijk] en de overeenkomst(en) met [gedaagden gezamenlijk] ontbonden. Daarbij verwijst mr. Wouters naar een notitie van 7 juli 2008 waarin de gestelde beroepsfouten nader zijn uitgewerkt.

2.29.

Bij arrest van 22 mei 2008 heeft het Gerechtshof ’s-Gravenhage geoordeeld dat de gestelde vorderingen wegens vermeende beroepsfouten van Biek op mr. Vermeulen en Maaldrink Vermeulen (voorheen Maaldrink Buuren) op 13 september 1999 waren verjaard.

2.30.

Bij arrest van 7 september 2010 heeft het Gerechtshof ’s-Gravenhage, ingevolge het door Roham ingestelde hoger beroep, het vonnis van 15 februari 1995, waarbij Roham was veroordeeld tot betaling van de faillissements- en ontruimingsschade (zie 2.17), vernietigd. Roham is daarbij veroordeeld tot betaling van € 530.284,66 aan de curator van Planex in verband met de faillissements- en ontruimingsschade.


2.31. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 13 december 2011 tussenarrest gewezen in het door [eiser] tegen het vonnis van 21 februari 2001, waarbij hij was veroordeeld tot betaling aan Planex van de ICCO-, faillissements- en ontruimingsschade (zie 2.22), ingestelde hoger beroep. Na dit tussenarrest hebben partijen een minnelijke regeling getroffen. Op grond van deze regeling is door [eiser] een bedrag van € 875.000,00 aan de curator van Planex betaald.

2.32.

Op 1 maart 2013 is tussen [eiser], Roham, Wide Alley, Biek en Administratieve Dienstverlening Bussum B.V. (hierna: ADB) een overeenkomst tot stand gekomen waarin
– voor zover hier van belang – het volgende is opgenomen:

“(…) In aanmerking nemende:

- dat [eiser] bij dagvaarding van 9 juli 2012 vorderingen tegen [gedaagden gezamenlijk]. heeft

ingesteld;

- dat deze vorderingen mede zijn ingesteld in opdracht en ten behoeve van Roham, Wide Alley, Biek Holdings en ADB;

- dat [eiser] heeft bedoeld de procedure mede aanhangig te maken in hoedanigheid van vertegenwoordiger van Roham, Wide Alley, Biek Holdings en ADB;

- dat Roham, Wide Alley, Biek Holdings en ADB in verband met de door [gedaagden gezamenlijk] bij conclusie van antwoord gevoerde weren bij dezen, zekerheidshalve,

schriftelijk wensen te bevestigen dat zij [eiser] opdracht hebben gegeven om

ten behoeve van hen hun vorderingen op [gedaagden gezamenlijk] te incasseren, namens hen

dan wel in eigen naam maar ten behoeve van hen;

Verklaren als volgt:

Roham, Wide Alley, Biek Holdings en ADB en [eiser] bevestigen dat zij [eiser]

opdracht hebben gegeven en dat [eiser] heeft aanvaard om ten behoeve van Roham,

Wide Alley, Biek Holdings en ADB hun vorderingen op [maatschap] te verhalen, namens hen

dan wel in eigen naam maar ten behoeve van hen. (…)”



3.Het geschil

3.1.

[eiser] vordert na wijziging van eis – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis – hoofdelijke veroordeling van [gedaagden gezamenlijk] tot betaling van:



inzake door [eiser] betaalde faillissements-, ontruimings- en ICCO-schade:

3.1.1. € 875.000,00,

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2012,

3.1.2. € 179.705,63,

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2012,

3.1.3. € 150.000,00,

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2012,

3.1.4. € 355.076,06,

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2003,

3.1.5. € 459.088,07,

vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betaling van de betreffende factuur van DLA Piper Nederland, zijnde:

- over € 342,20 vanaf 12 november 2009,

- over € 195,54 vanaf 17 april 2009,

- over € 14.987,35 vanaf 12 november 2009,

- over € 254.207,52 vanaf 3 juni 2011,

- over € 132.497,02 vanaf 1 maart 2012,

- over € 56.858,44 vanaf 1 juli 2012,

inzake beslagschade

3.1.6. € 366.403,93,

vermeerderd met wettelijke rente vanaf 6 november 1997,

inzake executieschade

3.1.7. € 5.971.548,40,

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 november 1997,

inzake Seba schade

3.1.8. € 7.982.902,07,

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 november 1997,

inzake financieringsschade:

3.1.9. € 1.333.002,00,

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2002, vermeerderd met de samengestelde rente van 5% per jaar over € 2.688.057,00,
3.1.10. € 136.363,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 2002,

door Roham nog te betalen faillissements-, ontruimings- en ICCO-schade en proceskosten:

3.1.11. € 1.064.804,00,

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2002, alsmede:

  • -

    € 3.763,22, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 1996,

  • -

    € 6.989,64, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 april 2002,

  • -

    € 7.953,70, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 1996,

  • -

    € 8.227,75, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 1996,

  • -

    € 35.783,62, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2010,

proceskosten

3.1.12.

de proceskosten.

3.2.

Daarnaast vordert [eiser] [maatschap] te veroordelen om opgave te doen van de actuele NAW gegevens van alle (rechts)personen die in de periode van augustus 1997 tot en met mei 2008 lid waren van de maatschap [maatschap] en haar rechtsvoorgangers, voor het geval van sprake is van onderverzekering voor enige van de gevorderde schades, te vermeerderen met een dwangsom,

3.3.

[eiser] stelt hiertoe – kort gezegd – dat door de opvolgende advocaten van [maatschap] ([gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4]) beroepsfouten zijn gemaakt, als gevolg waarvan door [eiser], Roham, Wide Alley, Biek en ADB schade is geleden die [gedaagden gezamenlijk] dient te vergoeden.

3.4.

[gedaagden gezamenlijk] voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Volmacht

4.1.

Als meest verstrekkende verweer is door [gedaagden gezamenlijk] aangevoerd dat [eiser] niet gerechtigd is om de onderhavige vordering in te stellen. Daartoe voert [gedaagden gezamenlijk] – kort gezegd – aan dat de vorderingsrechten, met betrekking tot de vorderingen die door [eiser] worden ingesteld, bij Biek liggen. [eiser] heeft bij dagvaarding wel gesteld dat hij mede namens Biek, Roham, Wide Alley en ADB handelt, maar dat [eiser] hiertoe gerechtigd is blijkt niet. De overeenkomst van 1 maart 2013 (zie 2.32) maakt dat niet anders, nu deze overeenkomst pas na de dagvaarding is opgesteld, aldus – steeds – [gedaagden gezamenlijk]

4.2.

[eiser] heeft hier tegenover gesteld dat hij wel degelijk bevoegd is om de vorderingen namens Biek, Roham, Wide Alley en ADB in te stellen. Daartoe heeft [eiser] verwezen naar de – eerst bij conclusie van repliek overgelegde – overeenkomst van 1 maart 2013, waarin voornoemde rechtspersonen bevestigen dat [eiser] gerechtigd is om de onderhavige vorderingen namens hen in te stellen, aldus [eiser].

4.3.

Als uitgangspunt geldt dat een rechthebbende een derde een last kan geven om een vordering op eigen naam in te stellen en dat een dergelijke last in beginsel meebrengt dat de derde ook op eigen naam in rechte kan optreden (zie Hoge Raad 20 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0490). In een dergelijk geval zal de lasthebber eerst indien het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft dienen te stellen, en zo nodig bewijzen, dat hij uit hoofde van lastgeving bevoegd is om op eigen naam ten behoeve van de rechthebbende op te treden (zie Hoge Raad 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:

AP9665).

4.4.

Vastgesteld wordt dat [eiser] bij dagvaarding reeds heeft gesteld dat hij (mede) optreedt ten behoeve van Biek, Roham, Wide Alley en ADB. Nadat door [gedaagden gezamenlijk] bij conclusie van antwoord is betwist dat [eiser] gerechtigd was om ten behoeve van voornoemde rechtspersonen op te treden, heeft [eiser] bij conclusie van repliek de overeenkomst van 1 maart 2013 in het geding gebracht. In de overeenkomst van 1 maart 2013 is uitdrukkelijk opgenomen dat [eiser] bevoegd is om de in deze procedure ingestelde vorderingen mede in te stellen ten behoeve van Biek, Roham, Wide Alley en ADB. De overeenkomst is door alle genoemde rechtspersonen ondertekend. [gedaagden gezamenlijk] heeft de (geldigheid van de) overeenkomst als zodanig niet betwist. Dat betekent dat [eiser] zijn stelling dat hij (mede) optreedt ten behoeve van Biek, Roham, Wide Alley en ADB voldoende heeft onderbouwd.

Dat de overeenkomst van 1 maart 2013 is opgesteld naar aanleiding van het verweer bij conclusie van antwoord (en dus dateert van na de dagvaarding) en eerst bij conclusie van repliek in het geding is gebracht, maakt het voorgaande – gelet op bovenstaand arrest van de Hoge Raad van 26 november 2004 – niet anders.

4.5.

Het op dit punt door [gedaagden gezamenlijk] gevoerde verweer wordt dan ook verworpen.

De overeenkomsten van opdracht en de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden

4.6.

[eiser] heeft zijn vorderingen – kort gezegd – gegrond op de overeenkomst van opdracht van 29 augustus 1997 en daarbij gesteld dat op deze overeenkomst geen algemene voorwaarden van toepassing zijn.

4.7.

[gedaagden gezamenlijk] heeft hier tegen ingebracht dat er gedurende de periode dat [maatschap] [eiser] heeft bijgestaan, diverse overeenkomsten van opdracht zijn gesloten en dat op al deze overeenkomsten de algemene voorwaarden van [maatschap] (die zij sinds 1998 hanteert) van toepassing zijn. Uit deze algemene voorwaarden volgt dat enkel [maatschap] – en dus niet [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] in persoon – als opdrachtnemer geldt. Daarnaast is in de algemene voorwaarden een vervaltermijn van één jaar opgenomen voor vorderingen als de onderhavige. Deze termijn is (ruimschoots) verstreken, aldus – steeds – [gedaagden gezamenlijk]

4.8.

Ter beoordeling ligt daarmee aan de rechtbank voor of de algemene voorwaarden van [maatschap] op de overeenkomst(en) van opdracht van toepassing zijn. Teneinde dit te kunnen beoordelen dient te worden vastgesteld of sprake is van één of meerdere overeenkomst(en) van opdracht en - indien er meerdere overeenkomsten van opdracht tot stand zijn gekomen - welke overeenkomsten dit zijn geweest. Hieromtrent wordt overwogen als volgt.



[gedaagde sub 2]
4.9. Tussen partijen is niet in geschil dat tussen [eiser] en Wide Alley enerzijds en [gedaagde sub 2] (al dan niet handelend namens [maatschap]) anderzijds op 29 augustus 1997 een overeenkomst van opdracht is gesloten. Deze opdracht is door [gedaagde sub 2] bij brief van 29 augustus 1997 aan [eiser] en Wide Alley bevestigd (zie 2.19). Uit deze brief blijkt dat de opdracht inhield dat [gedaagde sub 2] [eiser] en Wide Alley bij zou staan in de door Planex jegens hen aanhangig gemaakte procedure in verband met de ICCO-, faillissements- en ontruimingsschade.

4.10.

Op het moment dat deze overeenkomst werd aangegaan hanteerde [maatschap] nog geen algemene voorwaarden. De eerste algemene voorwaarden van [maatschap] dateren, zo volgt uit de stellingen van [gedaagden gezamenlijk], immers van 1998 en zijn eerst in 1999 in gebruik genomen. De brief van 29 augustus 1997 van [gedaagde sub 2] maakt ook geen melding van algemene voorwaarden. Hieruit volgt dat bij de totstandkoming van de overeenkomst van opdracht op 29 augustus 1997 geen algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard.

4.11.

Dat nadien met [eiser] en Wide Alley is overeengekomen dat de in 1998 opgestelde algemene voorwaarden alsnog – naar de rechtbank begrijpt, met terugwerkende kracht – op de overeenkomst van 29 augustus 1997 van toepassing zouden zijn, is niet gebleken. De enkele omstandigheid dat de algemene voorwaarden in de vanaf 1999 door [gedaagde sub 2] aan [eiser] en Wide Alley toegezonden brieven (onderaan de brief, in kleiner lettertype) van toepassing zijn verklaard, is daartoe – nu de overeenkomst op dat moment al tot stand was gekomen – onvoldoende. Indien [gedaagden gezamenlijk] achteraf nog algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing had willen laten zijn, had zij dit uitdrukkelijk met [eiser] en Wide Alley overeen moeten komen.

4.12.

Het voorgaande betekent dat op de op 29 augustus 1997 gesloten overeenkomst van opdracht geen algemene voorwaarden van [maatschap] van toepassing zijn.

[gedaagde sub 3]

4.13.

Bij brief van 1 mei 2001 is door [gedaagde sub 2] aan [eiser] en Wide Alley voorgesteld om de procedure in hoger beroep in de zaak tussen Planex en [eiser] / Wide Alley inzake de ICCO-, faillissements- en ontruimingsschade te laten behandelen door [gedaagde sub 3] in plaats van [gedaagde sub 2] (zie 2.23). Deze brief moet worden gekwalificeerd als een van de zijde van [maatschap] aan [eiser] en Wide Alley gedaan aanbod tot het aangaan van een nieuwe overeenkomst van opdracht. De overeenkomst van opdracht van 29 augustus 1997 zag er immers op dat [gedaagde sub 2] [eiser] en Wide Alley in de procedure in eerste aanleg zou bijstaan, terwijl de brief van 1 mei 2001 betrekking heeft op de te voeren procedure in hoger beroep met [gedaagde sub 3] als advocaat. [eiser] heeft de ontvangst van deze brief niet betwist. Nu [gedaagde sub 3] [eiser] en Wide Alley feitelijk ook heeft bijgestaan in de procedure in hoger beroep, moet ervanuit worden gegaan [eiser] en Wide Alley dit aanbod van de zijde van [maatschap] – in ieder geval stilzwijgend – hebben aanvaard. .

4.14.

Het voorgaande betekent dat op of kort na 1 mei 2001 een nieuwe overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, waarbij [gedaagde sub 3] (al dan niet namens [maatschap]) enerzijds en [eiser] en Wide Alley anderzijds partij waren en welke overeenkomst betrekking had op de procedure van [eiser] en Wide Alley tegen Planex in hoger beroep inzake de ICCO-, faillissements- en ontruimingsschade.

4.15.

In de brief van 1 mei 2001 zijn de algemene voorwaarden van [maatschap] van toepassing verklaard. Nu door [gedaagden gezamenlijk] in dat verband onbetwist is gesteld dat de algemene voorwaarden die in de brief van 1 mei 2001 van toepassing zijn verklaard, de in 2001 opgestelde algemene voorwaarden betreffen, zijn de algemene voorwaarden van 2001 op de overeenkomst van opdracht van toepassing.

4.16.

Het door [eiser] gedane beroep op vernietiging van de algemene voorwaarden ingevolge artikel 6:233 sub b Burgerlijk Wetboek (BW) in verband met het feit dat
– volgens [eiser] – de algemene voorwaarden niet voor of bij het aangaan van de overeenkomst ter hand zijn gesteld, wordt verworpen. In de brief van 1 mei 2001 is opgenomen dat de algemene voorwaarden op de achterzijde van die brief zijn afgedrukt. [eiser] heeft niet (voldoende) betwist dat dit inderdaad het geval is geweest. Dat betekent dat de algemene voorwaarden ter hand zijn gesteld, zodat het beroep van [eiser] op artikel 6:233 sub b BW niet slaagt.

4.17.

Conclusie van het voorgaande is dat op de overeenkomst van (omstreeks) 1 mei 2001 de algemene voorwaarden 2001 van [maatschap] van toepassing zijn.

4.18.

Vervolgens is in juli 2003 door Roham aan [gedaagde sub 3] opdracht gegeven om haar bij te staan in de procedure in hoger beroep tegen Planex in verband met de faillissements- en ontruimingsschade, welke opdracht door [gedaagde sub 3] (al dan niet namens [maatschap]) is aanvaard (zie 2.26). Dit moet naar het oordeel van de rechtbank opnieuw worden gezien als een nieuwe overeenkomst van opdracht. Voordien stond [gedaagde sub 3] immers enkel [eiser] en Wide Alley bij en deed hij dat bovendien in een andere procedure.

4.19.

In de e-mailcorrespondentie waarin deze overeenkomst tot stand is gekomen zijn door [gedaagde sub 3] de algemene voorwaarden van toepassing verklaard (zie 2.26). Nu [maatschap] eerst in 2006 nieuwe algemene voorwaarden heeft gekregen, moet het ervoor gehouden worden dat het hier de algemene voorwaarden uit 2001 betreft.
Voor zover [eiser] ook in dit verband een beroep op artikel 6:233 sub b BW heeft willen doen, geldt dat dit beroep niet kan slagen. In de e-mail van 17 juli 2003 is immers een link naar de algemene voorwaarden opgenomen. Dat daarbij niet is voldaan aan de vereisten, die artikel 6:234 BW stelt voor algemene voorwaarden met betrekking tot overeenkomsten die langs elektronische weg tot stand komen, is gesteld noch gebleken.

4.20.

De algemene voorwaarden 2001 van [maatschap] gelden derhalve ook voor wat betreft de overeenkomst van opdracht van juli 2003.



[gedaagde sub 4]

4.21.

Ten slotte geldt dat [gedaagde sub 4] op of omstreeks 13 oktober 2004 van Wouters en [eiser] opdracht heeft gekregen om Biek bij te staan in een tegen mr. Vermeulen te voeren procedure. Bij brief van 1 februari 2005 (zie 2.27) heeft [gedaagde sub 4] aan Biek te kennen gegeven dat hij deze opdracht heeft ontvangen en Biek verzocht deze opdracht te bevestigen. Nu [gedaagde sub 4] Biek in de procedure tegen mr. Vermeulen heeft bijgestaan, geldt ook hier dat het er voor gehouden moet worden dat Biek deze opdracht – in ieder geval stilzwijgend – heeft bevestigd en dat er dus een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. Ook dit moet – nu [maatschap] voordien Biek niet bijstond – worden gezien als een nieuwe overeenkomst van opdracht tussen [gedaagde sub 4] (al dan niet namens [maatschap]) en Biek.

4.22.

In de brief van 1 februari 2005 zijn de algemene voorwaarden van toepassing verklaard en is opgenomen dat de algemene voorwaarden op de achterzijde van die brief zijn afgedrukt. Ook ten aanzien van deze overeenkomst wordt ervan uitgegaan dat het daarbij de algemene voorwaarden 2001 betreft. Met betrekking tot het door [eiser] gedane beroep op vernietiging van de algemene voorwaarden op grond van artikel 6:233 sub b BW verwijst de rechtbank dan ook naar hetgeen in r.o. 4.16 is overwogen.

4.23.

Dit maakt dat ook ten aanzien van de overeenkomst van opdracht van (omstreeks) 1 februari 2005 de algemene voorwaarden toepassing vinden.

Resumerend

4.24. Conclusie van het voorgaande is dat er vier verschillende overeenkomsten van opdracht tot stand zijn gekomen, te weten de overeenkomst van 29 augustus 1997, de overeenkomst van 1 mei 2001, de overeenkomst van juli 2003 en de overeenkomst van 1 februari 2005. Met uitzondering van de overeenkomst van 29 augustus 1997, zijn op al deze overeenkomsten de algemene voorwaarden 2001 van [maatschap] van toepassing.

Gevolgen algemene voorwaarden

Uitsluiting artikel 7:404 en 7:407 lid 2 BW

4.25.

[gedaagden gezamenlijk] heeft zich op artikel 3 van de algemene voorwaarden beroepen en aangevoerd dat [eiser] dientengevolge – hoe dan ook – geen vorderingsrecht op [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] heeft. Dit is door [eiser] betwist.

4.26.

In artikel 3 van de algemene voorwaarden 2001 (zie 2.24) zijn artikel 7:404 en artikel 7:407 lid 2 BW uitgesloten en is bepaald dat opdrachten uitsluitend worden aanvaard en uitgevoerd door de maatschap. Zoals hiervoor overwogen, zijn de algemene voorwaarden 2001 van toepassing op de overeenkomst van 1 mei 2001, de overeenkomst van juli 2003 en de overeenkomst van 1 februari 2005 en houdt het beroep van [eiser] op vernietiging van de algemene voorwaarden geen stand. Nu [eiser] op dit punt overigens geen verweer heeft gevoerd, geldt ten aanzien van deze overeenkomsten dat [gedaagden gezamenlijk] een beroep toekomt op artikel 3 van de algemene voorwaarden en derhalve dat enkel [maatschap] - als enig opdrachtnemer - kan worden aangesproken.



Vervalbeding algemene voorwaarden

4.27.

[gedaagden gezamenlijk] heeft voorts een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 4 van de algemene voorwaarden 2001 (zie 2.24) waarin – kort gezegd – is opgenomen dat alle aanspraken één jaar nadat de opdrachtgever bekend is geworden of had moeten zijn met deze aanspraken komen te vervallen. [eiser] heeft hiertegen verweer gevoerd.

4.28.

De rechtbank stelt voorop dat het beroep van [gedaagden gezamenlijk] op artikel 4 van de algemene voorwaarden 2001 in ieder geval voor wat betreft de vorderingen met betrekking tot (gestelde) fouten van [gedaagde sub 2] niet kan slagen, nu in het voorgaande is vastgesteld dat op de overeenkomst van 29 augustus 1997, op grond waarvan [gedaagde sub 2] zijn werkzaamheden heeft verricht, geen algemene voorwaarden van toepassing zijn.

4.29.

Met betrekking tot de vorderingen die betrekking hebben op (gestelde) fouten van mrs. [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] bij het uitvoeren van de werkzaamheden die zijn gegrond op de overeenkomsten van 1 mei 2001, juli 2003 en 1 februari 2005 wordt als volgt overwogen.

4.30.

In maart 2008 heeft [eiser] aan mr. Wouters de opdracht gegeven om te onderzoeken waarom – kort gezegd – de door hem gevoerde gerechtelijke procedures steeds in zijn nadeel uitpakten. Bij dat onderzoek is, volgens de eigen stellingen van [eiser], door mr. Wouters binnen afzienbare tijd geconstateerd dat [gedaagde sub 2] een fout had gemaakt met betrekking tot de procedure tegen mr. Vermeulen. Bij brief van 7 juli 2008 heeft mr. Wouters de overeenkomst(en) met [maatschap] (en [gedaagde sub 2]) ontbonden wegens (gestelde) beroepsfouten van [gedaagden gezamenlijk], zulks onder toezending van een notitie waarin de verschillende (gestelde) beroepsfouten worden besproken (zie 2.28). Vervolgens heeft mr. De Groot met ingang van 30 december 2008 als advocaat van [eiser] opgetreden, het procesdossier tot dan toe bestudeerd en daarbij – volgens [eiser] – ontdekt dat er door [gedaagden gezamenlijk] beroepsfouten waren gemaakt.

4.31.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het reeds op 7 juli 2008 bij [eiser] bekend was dat er – volgens hem – door [gedaagden gezamenlijk] beroepsfouten waren gemaakt. [eiser] heeft gesteld dat hij op dat moment echter nog niet bekend was met alle beroepsfouten die thans aan de vorderingen ten grondslag zijn gelegd en dat hij tot 9 juli 2012 nog nadere beroepsfouten heeft ontdekt.

4.32.

Zelfs indien met [eiser] wordt aangenomen dat hij pas op 9 juli 2012 daadwerkelijk bekend was met alle beroepsfouten die hij thans aan de vordering ten grondslag legt, geldt dat dit hem niet kan baten. Naar het oordeel van de rechtbank had [eiser] in ieder geval op of binnen een half jaar na 30 december 2008 redelijkerwijs bekend moeten zijn met de beroepsfouten die hij thans aan zijn vordering ten grondslag legt.

4.33.

In de periode tussen maart 2008 en 7 juli 2008 was [eiser] immers al duidelijk geworden dat – in zijn visie – door [gedaagden gezamenlijk] beroepsfouten waren gemaakt. Het had dan ook op de weg van [eiser] gelegen om op 30 december 2008 - toen mr. De Groot bij de procedure betrokken werd en het dossier opnieuw bestudeerde - het door mr. Wouters en mr. De Groot te verrichten onderzoek dusdanig in te richten dat alle thans gestelde beroepsfouten aan het licht zouden komen. Dat geldt des te meer nu vanaf mei 2008 door [gedaagden gezamenlijk] geen werkzaamheden voor [eiser] meer zijn verricht, zodat vanaf dat moment in ieder geval geen nieuwe fouten meer gemaakt konden worden. Feiten of omstandigheden op grond waarvan tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen zijn gesteld noch gebleken.

4.34.

Het bovenstaande brengt met zich dat de in artikel 4 van de algemene voorwaarden genoemde vervaltermijn van één jaar uiterlijk een half jaar na 30 december 2008 – dus op 30 juni 2009 – is aangevangen. Dat betekent dat alle vorderingsrechten van [eiser] ten aanzien van de (gestelde) beroepsfouten van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] op 30 juni 2010 – en daarmee ruimschoots voor het uitbrengen van de dagvaarding – zijn komen te vervallen. Voor zover de door [eiser] ingestelde vorderingen zijn gebaseerd op (gestelde) beroepsfouten van[gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4], zullen deze vorderingen dan ook worden afgewezen.

Werkzaamheden [gedaagde sub 2]

4.35. Het voorgaande betekent dat ter beoordeling enkel nog de vorderingen voorliggen die betrekking hebben op de door [gedaagde sub 2] uitgevoerde werkzaamheden.

4.36.

[eiser] heeft aan zijn vorderingen ten aanzien van deze werkzaamheden – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 2] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van 29 augustus 1997.



Ontbinding 7 juli 2008

4.37.

Bij brief van 7 juli 2008 heeft [eiser] de overeenkomst(en) met [gedaagden gezamenlijk] ontbonden wegens diverse volgens [eiser] door [gedaagden gezamenlijk] gemaakte beroepsfouten. Met betrekking tot [gedaagde sub 2] wordt, blijkens de brief van 7 juli 2008 en de bijbehorende notitie, aan de ontbinding ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 2] 1) heeft nagelaten om namens Roham een beroepsaansprakelijkheidsprocedure tegen mr. Vermeulen te voeren en 2) fouten heeft gemaakt in het incident strekkende tot het oproepen van mr. Vermeulen en de maatschap van mr. Vermeulen in vrijwaring.

4.38.

In het navolgende zullen de aan de ontbinding ten grondslag gelegde stellingen van [eiser] allereerst – afzonderlijk – worden besproken. Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde sub 2] bij het uitvoeren van voornoemde opdracht tekort is geschoten, komt het aan op de vraag of [gedaagde sub 2] heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Daarbij is van belang dat van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat in beginsel mag worden verwacht dat hij zich niet beperkt tot de verrichtingen waar zijn cliënt hem uitdrukkelijk om heeft gevraagd (zie Hoge Raad 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0303).



Procedure Roham – mr. Vermeulen

4.39.

[eiser] verwijt [gedaagde sub 2] allereerst dat hij heeft nagelaten om namens Roham een beroepsaansprakelijkheidsprocedure tegen mr. Vermeulen te voeren. Dit had wel op de weg van [gedaagde sub 2] gelegen, omdat hij – als advocaat van [eiser] en Wide Alley – na diende te gaan waarom Roham niet aan haar betalingsverplichtingen jegens Planex voldeed en de betalingsonmacht van Roham op diende te heffen. Indien Roham deze betalingsverplichtingen kon voldoen, zouden [eiser] en Wide Alley immers niet in hun hoedanigheid van feitelijk bestuurders van Roham worden aangesproken voor de schulden van Roham, aldus – steeds – [eiser]. [gedaagden gezamenlijk] heeft dit betwist.

4.40.

Vast staat dat de opdracht die door [eiser] en Wide Alley aan [gedaagde sub 2] is verstrekt betrekking had op de door Planex jegens [eiser] en Wide Alley aangespannen procedure – in eerste aanleg – strekkende tot veroordeling van [eiser] en Wide Alley (als feitelijk bestuurders van Roham) tot betaling van de ICCO-, faillissements- en ontruimingsschade waartoe Roham reeds veroordeeld was (zie 2.18). De verplichtingen van [gedaagde sub 2], als advocaat van [eiser] en Wide Alley, gingen, gelet op de aard en omvang van die opdracht, ook in het licht van het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 28 juni 1991 bezien, niet zo ver dat hij voor Roham – niet zijnde zijn cliënt – een beroepsaansprakelijkheidsprocedure tegen mr. Vermeulen, de voormalig advocaat van Roham, had moeten beginnen.
Dat geldt des te meer nu Roham op het moment dat [gedaagde sub 2] door [eiser] en Wide Alley werd benaderd haar vordering op mr. Vermeulen reeds had gecedeerd aan Biek en de advocaat van Biek – mr. F.J. Schoute – bij dagvaarding van 8 februari 1996 voor Biek reeds een beroepsaansprakelijkheidsprocedure was begonnen (zie 2.16).

4.41.

Uit het voorgaande volgt ook dat [gedaagde sub 2] niet gehouden was om voor Roham in de gaten te houden op welk moment de verjaringstermijn van de (gestelde) vorderingen van Roham op mr. Vermeulen en zijn maatschap zouden verjaren en zo nodig de verjaring voor Roham te stuiten. In het algemeen geldt - gelet op het bovenstaande - dat het niet tot de taak van [gedaagde sub 2] behoorde om de betalingsonmacht van Roham op te heffen.

4.42.

Dit betekent dat voor zover de vorderingen van [eiser] zijn gegrond op de stelling dat [gedaagde sub 2] een beroepsfout heeft gemaakt door geen procedure namens Roham tegen mr. Vermeulen te beginnen, deze vorderingen zullen worden afgewezen.

Incident tot vrijwaring

4.43.

[eiser] verwijt [gedaagde sub 2] voorts dat hij heeft nagelaten om [eiser] en Wide Alley na het vonnis van 5 november 1997, waarin het verzoek om mr. Vermeulen en de maatschap van mr. Vermeulen in vrijwaring op te roepen werd afgewezen, (zie 2.20) te adviseren om een eigen, van Roham afzonderlijke, procedure tegen mr. Vermeulen en de maatschap van mr. Vermeulen te voeren. [gedaagden gezamenlijk] heeft betwist dat door [gedaagde sub 2] op dit punt een beroepsfout is gemaakt.

4.44.

In de door [gedaagde sub 2] naar aanleiding van het vonnis van 5 november 1997 aan [eiser] en Wide Alley op 10 november 1997 (zie 2.21) toegezonden brief is door [gedaagde sub 2] uitgebreid toegelicht wat dit vonnis voor [eiser] en Wide Alley betekende, welke vervolgstappen volgens hem reëel bezien mogelijk waren en wat voor advies hij met betrekking tot die stappen gaf. Daarmee is door [gedaagde sub 2] aan zijn cliënten een weloverwogen advies gegeven naar aanleiding van het vonnis van 5 november 1997, zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat verwacht had mogen worden.

4.45.

Dat door [gedaagde sub 2] in de brief van 10 november 1997 niet is opgenomen dat het opstarten van een zelfstandige procedure van [eiser] en Wide Alley tegen Vermeulen (in theorie) tot de mogelijkheden behoorde maakt dat niet anders. Van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat hoeft immers niet verwacht te worden dat hij alle – buiten de betreffende procedure vallende – juridische mogelijkheden opsomt. Dat klemt te meer nu in het onderhavige geval de brief van 10 november 1997 door [gedaagde sub 2] eveneens aan mr. Wouters, die op dat moment werkzaam was als advocaat en in nauwe relatie tot [eiser] en Wide Alley stond, is toegezonden. Indien en voor zover [eiser] en Wide Alley een afzonderlijke procedure hadden willen beginnen tegen mr. Vermeulen en zijn maatschap had het op hun weg gelegen om dat naar aanleiding van het vonnis van 5 november 1997 en de toelichtende brief van [gedaagde sub 2] van 10 november 1997 kenbaar te maken.

4.46.

Conclusie is dat van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde sub 2] op dit punt geen sprake is. Voor zover [eiser] [gedaagde sub 2] nog verwijt dat de vordering om mr. Vermeulen en zijn maatschap in vrijwaring op te roepen is afgewezen geldt dat hieraan voorbij wordt gegaan, reeds nu onvoldoende is gebleken dat [eiser] als gevolg van de afwijzing van de vrijwaring schade heeft geleden.

Ontbinding

4.47. Gelet op het voorgaande geldt ten aanzien van beide van de zijde van [eiser] aan de ontbinding van 7 juli 2008 ten grondslag gelegde beroepsfouten van [gedaagde sub 2] dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een beroepsfout. Dat betekent dat de buitengerechtelijke ontbinding van 7 juli 2008 geen stand houdt, zodat evenmin ongedaanmakingsverplichtingen ontstaan.

Overige fouten

4.48.

[eiser] heeft [gedaagde sub 2] voorts diverse van elkaar losstaande verwijten gemaakt. Deze zullen in het navolgende worden besproken.

Bestuurdersaansprakelijkheid

4.49. [eiser] verwijt [gedaagde sub 2] in dit verband dat hij ten onrechte in de procedure van Planex tegen [eiser] en Wide Alley heeft nagelaten om een beroep te doen op hetgeen is overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2006 (ECLI:NL:HR:2006: AZ0758, Ontvanger/Roelofsen). Hetgeen uit dit arrest voortvloeit was ook in 1989 geldend recht, aldus [eiser]. [gedaagden gezamenlijk] heeft verweer gevoerd.

4.50.

Ook indien er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat [gedaagde sub 2] geen beroep heeft gedaan op Ontvanger/Roelofsen, terwijl hij dit wel had moeten doen, kan dit niet tot toewijzing van de vorderingen van [eiser] leiden. Uit r.o. 3.31 en verder van het tussenarrest van het Gerechtshof Amsterdam van 13 december 2011 (zie 2.31) blijkt immers dat het Gerechtshof Amsterdam zijn oordeel – mede – heeft gebaseerd op het arrest Ontvanger/Roelofsen. Dat betekent dat een eventueel nalaten van [gedaagde sub 2] op dit punt zonder gevolgen is gebleven, zodat [eiser] ook geen schade heeft geleden als gevolg van dit nalaten.

Voeging / derdenverzet

4.51.

[eiser] stelt voorts dat [gedaagde sub 2] heeft nagelaten om [eiser] en Wide Alley te adviseren zich te voegen in de procedure in hoger beroep tussen Planex en Roham (zie 2.25 en 2.30) dan wel derdenverzet in te stellen tegen het vonnis dat in de procedure tussen Planex en Roham in eerste aanleg is gewezen. Daartoe beroept [eiser] zich op r.o. 3.14 van het onder 4.50 bedoelde arrest van 13 december 2011.

4.52.

[gedaagden gezamenlijk] heeft betwist dat uit deze overweging van het Hof dient te worden afgeleid dat [eiser] en Wide Alley zich hadden moeten voegen in de schadestaatprocedure; de aansprakelijkheid van Roham stond op dat moment immers al vast. Bovendien zouden voeging en/of derdenverzet de uitkomst van die procedures niet anders hebben gemaakt, aldus [gedaagden gezamenlijk]

4.53.

Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat [gedaagde sub 2] [eiser] en Wide Alley had moeten adviseren om zich te voegen in de procedure in hoger beroep tussen Roham en Planex (naar aanleiding van het vonnis van 26 oktober 1994) dan wel derdenverzet in te stellen tegen het vonnis van 26 oktober 1994, geldt dat onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat er door [eiser] en Wide Alley in die procedures stellingen zouden zijn ingenomen die de uitkomst van die procedure anders hadden gemaakt dan thans het geval is geweest. Dat betekent dat hetgeen [eiser] hieromtrent heeft gesteld niet tot toewijzing van enig bedrag kan leiden.

Bewijsaanbod / uitvoerbaar bij voorraad

4.54. [eiser] stelt dat [gedaagde sub 2] in de procedure in eerste aanleg tussen Planex enerzijds en [eiser] en Wide Alley anderzijds geen niet te passeren bewijsaanbod heeft gedaan en ook geen verweer heeft gevoerd met betrekking tot de vordering die zag op het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis. [gedaagden gezamenlijk] heeft dit betwist en daartoe gesteld dat de stellingen van Planex in voornoemde procedure door [gedaagde sub 2] gemotiveerd zijn betwist en dat daarbij door hem in algemene zin een bewijsaanbod is gedaan.

4.55.

Naar het oordeel van de rechtbank is door [eiser] onvoldoende gesteld om in rechte als vaststaand aan te kunnen nemen dat door [gedaagde sub 2] op dit punt een beroepsfout is gemaakt. Zo is door [eiser] niet (voldoende) toegelicht welk ‘niet te passeren bewijsaanbod’ door [gedaagde sub 2] had moeten worden gedaan en waarom toelating van [eiser] en Wide Alley tot deze bewijslevering zou hebben geresulteerd in een andere uitkomst van de procedure van Planex tegen [eiser] en Wide Alley.

4.56.

Dit laatste geldt des te meer nu door het Gerechtshof Amsterdam in het tussenarrest van 13 december 2011 (zie 2.31) aan [eiser] is verzocht om nadere informatie te verschaffen alvorens zij een oordeel zou vellen over de bestuurdersaansprakelijkheid, zodat er geen sprake van was dat [eiser] zijn stellingen op dit punt niet meer (nader) kon onderbouwen. Dat [eiser] als gevolg van de gestelde fout schade heeft geleden is dan ook evenmin gebleken.

4.57.

Hetgeen door [eiser] op dit punt is gesteld blijft dan ook zonder gevolgen in rechte.

Oproepen in vrijwaring van [naam]

4.58. Volgens [eiser] is voorts sprake van een beroepsfout van [gedaagde sub 2] doordat hij – ondanks dat dit bij vonnis van 5 november 1997 door de rechtbank was toegestaan – heeft nagelaten om [naam] in vrijwaring op te roepen. [gedaagden gezamenlijk] heeft dit betwist.

4.59.

De rechtbank verwijst op dit punt naar hetgeen in r.o. 4.43 tot en met 4.46 is overwogen, waaruit volgt dat door [gedaagde sub 2] een weloverwogen advies is gegeven naar aanleiding van het vonnis van 5 november 1997. In de brief van [gedaagde sub 2] van 10 november 1997 (zie 2.21) is door [gedaagde sub 2] uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat het oproepen in vrijwaring van [naam] een mogelijkheid was en daarbij het advies gegeven om hiervan af te zien. De mogelijkheid om [naam] in vrijwaring op te roepen is dus door [gedaagde sub 2] aan [eiser] en Wide Alley voorgehouden en [eiser] en Wide Alley hebben er mee ingestemd om af te zien van een dergelijke oproeping.

4.60.

Voor zover zou worden aangenomen dat [gedaagde sub 2] ten onrechte het advies heeft gegeven om af te zien van de mogelijkheid om [naam] in vrijwaring op te roepen en dit gezien moet worden als een beroepsfout van [gedaagde sub 2], geldt dat uit de eigen stellingen van [eiser] volgt dat hij [gedaagden gezamenlijk] in 2006 vrij heeft getekend voor de gevolgen van deze beroepsfout.
De stelling van [eiser] dat in dit verband sprake is van misbruik van omstandigheden en dat de rechtshandeling waarbij hij [maatschap] heeft vrij getekend moet worden vernietigd, wordt verworpen. De enkele omstandigheid dat [gedaagde sub 4] in 2006 aan [eiser] te kennen heeft gegeven dat hij Biek niet langer als advocaat bij kon staan als [eiser] [maatschap] niet vrij zou tekenen, is daartoe onvoldoende, terwijl door [eiser] voor het overige geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van misbruik van omstandigheden.


Hoger beroep tegen het vonnis van 5 november 1997

4.61. [eiser] stelt dat [gedaagde sub 2] heeft verzuimd om in de appeldagvaarding van 16 mei 2001 hoger beroep in te stellen tegen vonnis in het incident van 5 november 1997; de appeldagvaarding was enkel gericht op het (eind)vonnis van 21 februari 2001. Dat enkel hoger beroep is ingesteld tegen het tussenvonnis van 5 november 1997 is door [gedaagden gezamenlijk] niet betwist. [gedaagden gezamenlijk] voert echter aan dat dit niet kwalificeert als een beroepsfout.

4.62.

Gelet op hetgeen is overwogen in r.o. 4.43 tot en met 4.46 geldt dat hetgeen door [eiser] op dit punt is gesteld niet kan leiden tot de conclusie dat sprake is van een beroepsfout van [gedaagde sub 2] als gevolg waarvan [eiser] schade heeft geleden.


Eigen schuld Planex

4.63. [eiser] voert voorts aan dat [gedaagde sub 2] heeft nagelaten om in de procedure van Planex tegen [eiser] en Wide Alley het verweer te voeren dat de schade die Planex leed aan eigen schuld van Planex in de zin van artikel 6:101 BW te wijten was, omdat 1) Planex eigenbeslag had gelegd en daardoor Roham haar betalingsmogelijkheden had ontnomen en 2) Planex de overdracht van de aandelen van Roham aan Wide Alley op grond van artikel 3:45 BW had moeten vernietigen. [gedaagden gezamenlijk] heeft dit betwist.

4.64.

Vast staat – zoals [gedaagden gezamenlijk] ook heeft aangevoerd – dat door Planex op 31 maart 1994 terecht beslag onder zichzelf is gelegd ten laste van Roham. Dat Roham door dit beslag geen inkomsten meer had en vervolgens de vorderingen die Planex op grond van de vonnissen van 26 oktober 1994 en 15 februari 1995 op Roham had niet kon voldoen, maakt niet dat de omstandigheid dat Roham haar verplichtingen jegens Planex niet meer kon voldoen (mede) is te wijten aan eigen schuld van Planex in de zin van artikel 6:101 BW.

4.65.

Volgens [eiser] zou Roham, nadat Planex de vernietiging van de aandelenoverdracht op grond van artikel 3:45 BW had ingeroepen, verhaal hebben geboden voor de vorderingen van Planex uit hoofde van de ICCO-, faillissements- en ontruimingsschade. De rechtbank stelt voorop dat het niet aan Planex was om er voor zorg te dragen dat Roham verhaal bood. Dat Planex de vernietiging van de aandelenoverdracht niet heeft ingeroepen kan dan ook niet worden aangemerkt als een oorzaak van de omstandigheid dat Roham haar betalingsverplichtingen jegens Planex niet nakwam, overigens nog daargelaten dat het zeer de vraag is of een dergelijke vernietiging stand zou hebben gehouden.

4.66.

Dat betekent dat [gedaagde sub 2] als redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat heeft gehandeld door voornoemde verweren niet te voeren. Van een beroepsfout op dit punt is dan ook geen sprake.

Faillissementsverweer

4.67. Ten slotte is door [eiser] gesteld dat [gedaagde sub 2] heeft nagelaten in de procedure van Planex tegen [eiser] en Wide Alley het verweer te voeren dat Planex c.q. de curator enkel bevoegd was om een vordering in te stellen ter verkrijging van een rechtelijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Dit nu – ook voor het faillissement van Planex – sprake was van een gemeenschap van schuldeisers. [gedaagden gezamenlijk] heeft dit betwist.

4.68.

Vast staat dat op het moment dat Planex de procedure tegen [eiser] en Wide Alley aanhangig maakte, Planex niet failliet was. Op dat moment was er dan ook geen sprake van een gemeenschap (van schuldeisers) in de zin van artikel 3:171 BW. Dat betekent dat Planex gerechtigd was om – enkel – namens zichzelf een vordering tegen [eiser] en Wide Alley in te stellen. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van partijen dat de procedure na het faillissement van Planex is overgenomen door de curator. Overname van de procedure door de curator maakt echter – anders dan [eiser] meent – niet dat de vordering op dat moment verminderd dient te worden tot het boedeltekort.

4.69.

Hieruit volgt dat niet kan worden volgehouden dat [gedaagde sub 2] op dit punt een beroepsfout heeft gemaakt.

Overig

4.70. Voor zover door [eiser] voor het overige nog is gesteld dat [gedaagde sub 2] fouten heeft gemaakt, geldt dat door [eiser] onvoldoende is gesteld dat een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat anders zou hebben gehandeld en welke schade hij als gevolg van deze gestelde fouten heeft geleden.

Resumerend

4.71.

Het voorgaande betekent dat ook de vorderingen van [eiser] voor zover deze zijn gegrond op gestelde fouten van [gedaagde sub 2] zullen worden afgewezen.

NAW-gegevens

4.72.

Gelet op het bovenstaande heeft [eiser] geen belang bij toewijzing van zijn vordering strekkende tot opgave van de NAW-gegevens van alle (rechts)personen die in de periode van augustus 1997 tot en met mei 2008 lid waren van de maatschap [maatschap] en haar rechtsvoorgangers.



Conclusie

4.73.

De vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.74.

Hetgeen partijen voor het overige hebben aangevoerd – waaronder hetgeen is gesteld ten aanzien van de verjaring van de vorderingen van [eiser] – behoeft geen bespreking, nu dit de beslissing niet anders maakt.

4.75.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden gezamenlijk] worden begroot op:

- griffierecht € 3.621,00

-salaris advocaat € 12.844,00 (4,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 16.465,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden gezamenlijk] tot op heden begroot op € 16.465,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Aalders, mr. A.E. de Vos en mr. F.J. Verhoeven- van de Poel, rechters, bijgestaan door mr. M.E.A. Möhring, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2014.1

1 *