Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:9091

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
C-13-547742 - HA ZA 13-850
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toetsing beslissing aan de hand van artikel 7:904 lid 1 BW. Gebondenheid aan beslissing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/547742 / HA ZA 13-850

Vonnis van 31 december 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. E.W. Bosch te Honselersdijk,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en ING worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 18 december 2013 waarin een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 april 2014 en daaraan gehechtefax van ING van 8 mei 2014 met opmerkingen naar aanleidingen van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In februari 2009 heeft [eiser] aan ING verzocht om het bestaande krediet dat hij samen met zijn echtgenote bij ING had van € 50.000,00 te verhogen. Daartoe is door [eiser] een aanvraagformulier ingevuld en ondertekend. Voor zover hier van belang zijn op het aanvraagformulier de volgende gegevens opgenomen:

“(…)

Gegevens lening

Product Voordeelkrediet 2%

Kredietlimiet € 75.000,00

(…)

Uw (…) inkomen …en die van uw partner

Netto inkomen € 3.205,00 € 2.040,00
Voorlopige teruggave € 1.782,00

(…)

Gegevens maandelijkse lasten

Woonlasten € 2451,00

(…)

Resterende leningen € 485,00”

2.2.

ING heeft vervolgens het krediet verhoogd tot € 75.000,00. De daartoe strekkende kredietovereenkomst is op 23 februari 2009 door [eiser] en op 25 februari 2009 door ING ondertekend.

2.3.

Na enige tijd heeft [eiser] tegen ING twee klachten ingediend bij de Ombudsman van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (hierna: KiFid), waarbij één van deze klachten betrekking had op de Gedragscode Consumptief Krediet. Deze klacht is ongegrond geacht.

2.4.

[eiser] heeft vervolgens een geschil aanhangig gemaakt bij de Geschillencommissie van het KiFiD. Dit heeft geleid tot een op 4 juli 2012 uitgebracht bindend advies van de Geschillencommissie, waarin – voor zover hier van belang – het volgende is opgenomen:

“(…)

4. Beoordeling

4.2

Voorts stelt Consument [[eiser], rb] dat een dergelijk hoog consumptief krediet, gelet op zijn inkomen en dat van zijn echtgenote, alsmede zijn bestaande leningen niet door Aangeslotene [ING, rb] had mogen worden verstrekt. Aangeslotene zou zich daarom schuldig hebben gemaakt aan overkreditering. Of er sprake is van overkreditering moet worden beoordeeld volgens de destijds geldende maatstaven van zorgvuldige kredietverlening. Ten tijde van het aanvragen van het consumptief krediet was de Ledencirculaire van de Nederlandse Vereniging van Banken van toepassing. (…)

4.3

Bij de beoordeling van het volgens de Ledencirculaire toelaatbare krediet neemt de Commissie als uitgangspunt de door Aangeslotene bij verweer overgelegde berekening op basis van de gegevens van het aanvraagformulier (…).

4.4

Consument heeft voorts gesteld, dat Aangeslotene een bedrag van €1.220,- aan resterende leningen had dienen op te nemen. Volgens de Ledencirculaire geldt als minimale norm 2% van het BKR-Krediet. In het door Consument ondertekende aanvraagformulier is het bedrag op € 485,- gesteld en volgens Aangeslotene is dat bedrag bij de BKR geverifieerd. Het valt Aangeslotene dan ook niet te verwijten dat zij van € 485,- is uitgegaan. (…)

4.5 (…)

Het vorenstaande betekent dat Aangeslotene (…) met het door haar aan Consument vertstrekte krediet van € 75.000,- de krediteringnorm niet heeft overschreden. (…)”

2.5.

[eiser] is tegen het bindend advies van de Geschillencommissie opgekomen bij de Commissie van Beroep financiële dienstverlening van het KiFid. Bij uitspraak van 11 maart 2013 heeft de Commissie van Beroep als volgt geoordeeld:

1. De procedure in beroep

(…)
1.4.1. Belanghebbende [[eiser], rb] had voorafgaand aan de mondelinge behandeling (…) meegedeeld dat hij het lid van de Beroepscommissie mr. A. Bus (…) wenst te wraken. Ter zitting heeft belanghebbende zijn verzoek tot wraking gehandhaafd.

1.4.2

Hierop heeft mr. A. Bus zich verschoond.

1.4.3

De voorzitter heeft partijen vervolgens gewezen op artikel 7.1 Reglement van beroep (…) Partijen hebben hierop verklaard dat zij wensen dat het beroep zal worden behandeld door de leden van de Beroepscommissie mr. C.A. Joustra, mr. F.H.J. Mijnssen, mr. A. Rutten-Roos en mr. F.P. Peijster. (…)(…)

4. Beoordeling van het beroep

(…)

4.1.2

Een instelling die krediet aanbiedt aan consumenten (…) dient volgens art. 4:34 Wft vóór de totstandkoming van een overeenkomst (…) informatie in te winnen over de financiële positie van de consument en te beoordelen, zulks ter voorkoming van overkreditering van de consument, of het aangaan van de overeenkomst onderscheidenlijk de belangrijke verhoging verantwoord is. (…) Deze regeling heeft uitwerking gevonden in art. 113 Besluit gedragstoezicht Financiële ondernemingen Wft (Bgfo). Noch art. 4:34 Wft noch art. 113 Bgfo houdt in concreto in tot welk onderzoek de aanbieder van krediet is gehouden. Gezegd kan worden dat sprake is van een open norm. Voor wat betreft de periode waarin het onderhavige krediet is verstrekt is een nadere concretisering gegeven in de gedragscode die is vervat in de ledencirculaire van de NVB van 9 juni 2008. (…)

4.2.1

In zijn eerste bezwaar voert belanghebbende aan dat onjuist is het oordeel van de Geschillencommissie dat volgens de ledencirculaire 2% van het BKR krediet geldt als minimale norm. Volgens belanghebbende diende de bank [ING, rb] van een hoger percentage uit te gaan wanneer de werkelijke kosten hoger zijn. Dit geldt in het bijzonder voor zijn creditcards waarvan de werkelijke kosten 5% zijn en waarvan de bank op de hoogte was.

4.2.2

Belanghebbende kan hierin niet worden gevolgd. Zoals hiervoor is overwogen behoefde de bank niet alle belanghebbende betreffende financiële aspecten in haar beoordeling te betrekken. Waar in de hiervoor bedoelde gedragscode wordt vermeld dat 2% van het BKR-krediet als minimum geldt, betekent dit dat de bank tenminste van dit percentage diende uit te gaan. Het stond haar vrij een beleid te voeren waarbij van een hoger percentage werd uitgegeven. Voor zover zij dit niet deed kan echter niet gezegd worden dat zij hiertoe op grond van de gedragsnorm of van ongeschreven normen wel was gehouden.

(…)

4.8.1

In zijn bezwaar onder 7 keert belanghebbende zicht tegen de vaststelling van de Geschillencommissie onder 2.3. dat ten tijde van het aanvragen van het onderhavige krediet de ledencirculaire (…) van toepassing was. Belanghebbende bestrijdt deze vaststelling onder verwijzing naar de tot aanbieders van consumptief krediet gerichte circulaire van 10 juni 2008 van de Autoriteit Financiële Markten.

4.8.2

Dit bezwaar is niet gegrond. De Geschillencommissie doelt met de bestreden vaststelling klaarblijkelijk op de “Ledencirculaire NVB, 9 juni 2008”, waarvan de bank een uittreksel in het geding heeft gebracht. Het oordeel dat deze circulaire op het onderhavige krediet van toepassing was, is juist.

(…)

5 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat het beroep van belanghebbende faalt. (…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

3.1.1.

vernietiging van de uitspraak van 11 maart 2013 van de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening tussen [eiser] en ING gewezen, alsmede de bindende uitspraak van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening van 4 juli 2012 tussen [eiser] en ING gewezen,

3.1.2.

te verklaren voor recht dat ING jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten althans onrechtmatig heeft gehandeld, zodat zij aansprakelijk is voor de door [eiser] als gevolg daarvan geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

3.1.3.

veroordeling van ING in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] stelt hiertoe dat gebondenheid aan de beslissingen van het KiFid in verband met de inhoud dan wel de wijze van totstandkoming in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daartoe voert [eiser] het volgende aan.

In de Commissie van Beroep zat in eerste instantie mr. Bus, een oud-werknemer van ING. Mr. Bus heeft zich weliswaar verschoond, maar het is niet duidelijk welke rol hij bij de voorbereiding van de mondelinge behandeling heeft gehad. Het KiFid is voorts ten onrechte afgegaan op het door ING in het geding gebrachte beweerdelijke uittreksel van de Ledencirculaire van de Nederlandse Vereniging van Banken van 9 juni 2008 (hierna: de ledencirculaire). Bij de invulling van de norm van artikel 4:34 Wft mocht het KiFid ook geen gebruik maken van de circulaire, nu deze door de beroepsgroep zelf is opgesteld. Het KiFid is daarbij tevens uitgegaan van de verkeerde gedragscode. Ten slotte heeft het KiFid ten onrechte geoordeeld dat ING uit mocht gaan van de minimumnorm van 2% rente over de BKR-registraties, omdat ING wist dat [eiser] meer rente betaalde, aldus – steeds – [eiser].

3.3.

ING voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Partijen hebben afgesproken dat zij zich ter beëindiging van hun geschil omtrent wat tussen hen rechtens geldt, binden aan de vaststelling daarvan door een beslissing van het KiFid. Deze beslissing is vervat in het bindend advies van de Geschillencommissie van 4 juli 2012 (zie 2.4) en de uitspraak van de Commissie van Beroep van 11 maart 2013 (zie 2.5) en kwalificeert als een beslissing zoals bedoeld in artikel 7:900 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.2.

Dat betekent dat vernietiging van deze beslissing ingevolge artikel 7:904 lid 1 BW pas aan de orde kan zijn indien gebondenheid daaraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, hetgeen het geval kan zijn indien vaststaat dat het KiFid in redelijkheid niet tot de beslissing had kunnen komen en/of bij de totstandkoming daarvan fundamentele beginselen van behoorlijk procesrecht zijn geschonden. Daarbij moet de vraag worden betrokken in hoeverre een eventueel vastgestelde fout nadeel heeft toegebracht aan [eiser].

4.3.

De rechtbank heeft bij de toetsing van de beslissing van het KiFid niet de rol van een appelinstantie. De beslissing van het KiFid mag, en zal daarom, slechts marginaal worden getoetst. Dit toetsingskader brengt ook met zich dat geen acht wordt geslagen op inhoudelijke argumenten die niet bij de Commissie van Beroep naar voren zijn gebracht en dat bezwaren tegen de inhoud en de wijze van totstandkoming van het bindend advies van de Geschillencommissie in de onderhavige procedure alleen relevant zijn voor zover daartegen in de procedure bij de Commissie van Beroep een beroepsgrond is ingesteld.

4.4.

In het navolgende zullen de verschillende door [eiser] aangedragen bezwaren (zie 3.2) met inachtneming van bovenstaand kader worden besproken.

4.5.

Het eerste door [eiser] aangevoerde punt betreft hetgeen door hem is gesteld omtrent de betrokkenheid van mr. Bus bij de voorbereiding van de mondelinge behandeling bij de Commissie van Beroep en de omstandigheid dat de Commissie van Beroep uiteindelijk heeft beslist zonder materiedeskundige. De rechtbank begrijpt dat [eiser] heeft bedoeld te stellen dat op dit punt sprake is van schending van fundamentele beginselen van behoorlijk procesrecht. Zoals door ING echter terecht is aangevoerd, blijkt uit de weergave van het procesverloop in de uitspraak van Commissie van Beroep (zie 2.5 onder 1) dat [eiser] – die in die procedure werd bijgestaan door een jurist – uitdrukkelijk heeft ingestemd met voortzetting van de procedure met de vier overgebleven leden van de Commissie van Beroep. Reeds daarom is (op dit punt) geen sprake geweest van een beslissing waarbij bij de totstandkoming fundamentele rechtsbeginselen van behoorlijk procesrecht zijn geschonden.

4.6.

Vervolgens is door [eiser] gesteld dat door het KiFid geen genoegen genomen kon worden met een uittreksel van de ledencirculaire, maar dat zij om de volledige tekst had moeten vragen. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] dit (inhoudelijke) bezwaar in de procedure bij de Commissie van Beroep naar voren heeft gebracht, zodat hij – gelet op hetgeen in 4.3 is overwogen – dit nu niet meer kan doen.

Voor zover [eiser] heeft bedoeld te stellen dat de Commissie van Beroep fundamentele beginselen van behoorlijk procesrecht heeft geschonden door slechts van het uittreksel van de ledencirculaire uit te gaan, wordt hij hierin niet gevolgd. Nu vaststaat dat [eiser] in de procedure bij de Commissie van Beroep niet heeft betwist dat het aldaar overgelegde uittreksel zonder de volledige tekst van ledencirculaire mocht worden gebruikt, stond het de Commissie van Beroep vrij om dat wel te doen.

4.7.

Het oordeel van de Commissie van Beroep dat aan de open norm van artikel 4:34 Wft juncto artikel 113 Bgfo concretisering is gegeven in de ledencirculaire, is voorts – anders dan [eiser] meent – geen oordeel dat in redelijkheid niet tot stand had kunnen komen. Bovenbedoelde open norm moet op enige wijze worden ingevuld. De ledencirculaire is de gedragscode waaraan de Nederlandse banken zich – in samenspraak met de AFM – hebben verbonden, zodat het voor de hand ligt om bij de invulling van de open norm aansluiting te zoeken bij de ledencirculaire. Dat geldt des te meer nu met de ‘nieuwe normen’ van de AFM, die volgens [eiser] toegepast hadden moeten worden, de ledencirculaire wordt bedoeld. Dit volgt uit het persbericht en de brief van de AFM zoals die door [eiser] in het geding zijn gebracht (productie 9 bij dagvaarding) Voor zover [eiser] stelt dat sprake is van twee verschillende documenten heeft hij deze stelling niet (voldoende) onderbouwd.

Het voorgaande betekent dat ook de stelling van [eiser] dat de Commissie van Beroep in redelijkheid niet had mogen oordelen dat de ledencirculaire de van toepassing zijnde gedragscode was, omdat zij de ‘nieuwe’ gedragscode die door de AFM was aangekondigd had moeten toepassen, geen stand houdt.

4.7.1.

Daarbij geldt dat ook ten aanzien van dit punt gesteld noch gebleken is dat [eiser] dit inhoudelijke bezwaar bij de Commissie van Beroep aan de orde heeft gesteld.


4.8. Partijen twisten ten slotte nog over de vraag of de Commissie van Beroep in redelijkheid tot het oordeel had mogen komen dat ING bij de beoordeling van de financieringsaanvraag van [eiser] uit mocht gaan van 2% financieringslasten, terwijl zij wist dat de feitelijke lasten van [eiser] hoger waren.

4.8.1.

Vaststaat dat in de ledencirculaire is opgenomen dat bij het verstrekken van

kredieten uit moet worden gegaan van financieringslasten die per maand ‘ten minste 2%’ bedragen. Wanneer wordt uitgegaan van een (strikt) taalkundige uitleg van ‘ten minste’, moet geconcludeerd worden dat ING, zolang zij in ieder geval 2% financieringslasten mee liet wegen bij de aanvraag, voldeed aan de opgelegde norm.

4.8.2.

Van belang is voorts dat deze norm op het moment dat [eiser] zijn kredietaanvraag bij ING deed nog maar (relatief) kort geleden was ingevoerd, zodat nog geen sprake was van een bestendige norm. Niet gebleken is dat tussen het moment waarop [eiser] zijn financieringsaanvraag deed en het moment van de beslissing van de ING om de verhoging van het krediet toe te wijzen de 2% norm (dan wel de toelichting daarop) is gewijzigd in die zin dat door de banken gerekend moet worden met de werkelijke financieringslasten indien die hoger zijn dan 2%.

4.8.3.

Onder dergelijke omstandigheden is geen sprake van een situatie waarin de Commissie van Beroep in redelijkheid niet tot het door haar gegeven oordeel kon komen. Dat in een toelichting op een andere gedragscode dan de ledencirculaire is opgenomen dat, in het geval de werkelijke lasten hoger zijn dan 2%, niet met 2% maar met de werkelijke lasten gerekend moet worden, maakt dat niet anders.

4.8.4.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat het verwijt dat [eiser] aan ING maakt (rekenen met lagere financieringslasten dan de werkelijke lasten), ook aan [eiser] zelf gemaakt kan worden. [eiser] heeft immers zijn handtekening gezet onder een zelf ingevulde financieringsaanvraag waarop een bedrag van € 485,00 aan financieringslasten stond vermeld, terwijl zijn daadwerkelijke lasten € 1.150,00 bedroegen en hij dat – naar de rechtbank aanneemt – ook wist.

4.9.

Slotsom van het bovenstaande is dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.10.

Hetgeen partijen voor het overige hebben aangevoerd behoeft geen bespreking, nu dit de beslissing niet anders maakt.

4.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ING worden begroot op:

- griffierecht € 589,00

- salaris advocaat € 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 1.747,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van ING tot op heden begroot op € 1.747,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, rechter, bijgestaan door mr. M.E.A. Möhring, griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2014.

*