Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:9088

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
05-01-2015
Zaaknummer
AMS 14/5781, 14/5784, 14/5740, 14/5632, 14/5628, 14/5618, 14/5449, 14/5625, 14/5452 en 14/5780
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen een brief van verweerder van 26 juni 2014 dan wel 4 juli 2014. De daarin opgenomen mededeling dat de opvang in de Vluchthaven wordt beëindigd is in deze gevallen geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht nu het een herhaling betreft van een reeds eerder genomen besluit tot beëindiging van opvang per 31 mei 2014.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 14/5781, 14/5784, 14/5740, 14/5632, 14/5628, 14/5618, 14/5449, 14/5625, 14/5452 en 14/5780

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2014 in de zaken tussen

[eisers] (gemachtigde mr. C.J. Forder)

[eisers] (gemachtigde mr. C.J. Forder

[eisers] (gemachtigde mr. J.H. Kruseman)

[eisers] (gemachtigde mr. J.H. Kruseman)

[eisers] (gemachtigde mr. J.H. Kruseman)

[eisers] (gemachtigde mr. C.J. Forder)

[eisers][eisers](gemachtigde mr. C.J. Forder)

[eisers][eisers](gemachtigde mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld)

[eisers] (gemachtigde mr. S. Çakici-Reinders )

[eisers] (gemachtigde mr. W.G. Fischer)

samen ten noemen: eisers,

allen verblijvende te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. P.I. Algoe).

Procesverloop

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de brief van verweerder van 26 juni 2014 dan wel 4 juli 2014.

Bij afzonderlijke besluiten van 19 augustus 2014 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 26 november 2013. Ter zitting waren aanwezig eisers[eisers], bijgestaan door mr. J.H. Kruseman. De overige eisers zijn vertegenwoordigd door mr. J.H. Kruseman. Voorts waren ter zitting aanwezig M. Kramp, tolk in de Engelse taal, B. Ogbamichael, tolk Amhaars en S. de Tonnac, tolk in de Franse taal. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers hebben vanaf eind november 2013 dan wel begin 2014 verbleven in de gemeentelijke opvang ‘de Vluchthaven’ in de [adres] te [woonplaats]. De duur van deze opvang bedroeg zes maanden. In mei dan wel juni 2014 hebben eisers verzocht om continuering van deze opvang en van aan hen verstrekt leefgeld dan wel om ook na de ontruiming van de [adres] opvang en leefgeld te verstrekken.

2. Naar aanleiding van deze verzoeken heeft verweerder in de (gelijkluidende) brieven van 26 juni 2014 en 4 juli 2014 voorgesteld om de aanvragen om continuering van hulp van eisers aan te merken als aanvragen om maatschappelijke opvang in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en eisers verzocht om de bijgevoegde machtigingen van de GGD ondertekend terug te zenden. In deze brieven staat voorts het volgende vermeld:

“Verblijf in de Vluchthaven betrof geen maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. De opvang betrof een onverplicht en individueel hulpaanbod in de vorm van een pilot en was niet gebaseerd op een wettelijke grondslag. Inmiddels is de periode van het project verstreken en dient de opvang beëindigd te worden. Het project wordt niet verder voortgezet”.

3. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van eisers niet-ontvankelijk verklaard, omdat het in de brieven van 26 juni 2014 en 4 juli 2014 gedane voorstel om de aanvragen aan te merken als aanvragen om maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo niet op rechtsgevolg is gericht en mitsdien geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het gedane voorstel om de aanvragen aan te merken als aanvragen om maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo geen besluit is waartegen bezwaar kan worden gemaakt. In bezwaar en beroep hebben eisers echter gesteld dat met de brieven van 26 juni 2014 en 4 juli 2014 de opvang in de Vluchthaven is beëindigd en dat in zoverre sprake is van op rechtsgevolg gerichte besluiten. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de bestreden besluiten niet is ingegaan op dit argument van eisers. In zoverre zijn de bestreden besluiten niet voorzien van een deugdelijke motivering. De bestreden besluiten dienen daarom te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

5. In het kader van finale geschillenbeslechting zal de rechtbank onderzoeken of de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand kunnen worden gelaten.

6. In zijn uitspraak van 5 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3598) heeft de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) geoordeeld dat de toelating van de vreemdelingen tot de opvang in de Vluchthaven moet worden aangemerkt als maatschappelijke opvang in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo en dat verlening van een toegangspas voor toegang tot die opvang dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb. Tegen dit besluit kan bezwaar worden gemaakt, waarbij ook de duur van de verleende opvang en de hoogte van het leefgeld aan de orde kan worden gesteld.

7. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat een beslissing tot beëindiging van de opvang in de Vluchthaven in beginsel een besluit is in de zin van de Awb waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

8. Ter zitting hebben eisers desgevraagd aangegeven dat zij op 29 november 2013 dan wel begin 2014 zijn toegelaten tot de gemeentelijke opvang in de Vluchthaven. Zij hebben in verband daarmee allen een “Overeenkomst voor verblijf in de Vluchthaven” dan wel een “Verklaring voor verblijf in de Vluchthaven” ondertekend, waarin staat dat de opvang tot 31 mei 2014 wordt verleend.

9. Anders dan de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de uitspraak van 10 december 2014 (AMS 14/7205 en AMS 14/5943) heeft geoordeeld, is de rechtbank thans van oordeel dat voor zover in de brieven van 26 juni 2014 en 4 juli 2014 is vermeld dat de opvang dient te worden beëindigd, sprake is van een herhaling van een eerder genomen besluit tot beëindiging van de opvang in de Vluchthaven per 31 mei 2014 en dat de brieven dus ook in zoverre niet op rechtsgevolg zijn gericht en geen besluit zijn in de zin van de Awb. De brieven kunnen evenmin worden opgevat als een weigering om in de toekomst opvang te verlenen. Verweerder heeft in de brieven immers voorgesteld om de aanvragen om continuering van hulp van eisers aan te merken als aanvragen om maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo en eisers verzocht om de bijgevoegde machtigingen van de GGD ondertekend terug te zenden. Daaruit blijkt dat verweerder op de aanvragen om opvang na ontruiming van de Vluchthaven nog een besluit zou gaan nemen, hetgeen verweerder, zoals partijen ter zitting hebben bevestigd, in alle gevallen ook bij aparte besluiten heeft gedaan. Tegen die besluiten kunnen eisers rechtsmiddelen aanwenden, hetgeen zij, althans een groot aantal van hen, ook hebben gedaan.

10. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden besluiten in stand blijven.

11. Eisers hebben de rechtbank verzocht gebruik te maken van de bevoegdheid om verweerder te veroordelen tot vergoeding van door hen geleden schade. Uit artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb volgt dat daarvoor sprake moet zijn van een onrechtmatig besluit. In deze gevallen echter zijn de gestelde schadeveroorzakende beslissingen, te weten de brieven van verweerder van 26 juni 2014 en 4 juli 2014, geen op rechtsgevolg gerichte besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Nu ook geen sprake is van één van de situaties als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, onder b, c en d, van de Awb die tot toekenning van schadevergoeding door de rechtbank kunnen leiden, zal de rechtbank de verzoeken om schadevergoeding afwijzen.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank merkt daarbij op dat het griffierecht dat ten behoeve van het beroep van eiser [naam]is betaald € 165,- bedraagt en voor de overige eisers € 45,- per persoon, in totaal een bedrag van € 570,-.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Nu sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, eerste lid en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, stelt de rechtbank de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en

1. punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eisers toevoegingen zijn verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverleners.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven;

  • -

    wijst de verzoeken om schadevergoeding af;

  • -

    draagt verweerder op de betaalde griffierechten van in totaal € 570,- aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M. Beunk, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.