Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:9081

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
05-01-2015
Zaaknummer
14-3152
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft per 1 september 2010 het bedrag van de gewenste prestatiebeurs op € 0,00 gezet, als bedoeld in artikel 8.1, derde lid. Anders dan eiser wellicht denkt heeft hij niet afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering per 1 september 2010, als bedoeld in het vijfde lid van artikel 3.17 van de Wsf 2000. De niet uitbetaalde prestatiebeurs wordt alsnog uitbetaald als eiser een afsluitend diploma haalt. De toekenning van de prestatiebeurs is eerst beëindigd per 1 september 2011. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat voor de berekening van het meerinkomen over 2011 de maanden januari tot en met augustus in beschouwing moeten worden genomen en dat hij over 2011 de bijverdiengrens heeft overschreden.

Op grond van het tiende lid van artikel 3.17 van de Wsf 2000 wordt de vordering wegens meerinkomen op de toegekende prestatiebeurs in mindering gebracht. Deze bepaling voorkomt dat er sprake is van een dubbele vordering. Het is de bedoeling geweest van de wetgever dat de vordering vanwege meerinkomen ontstaat op het moment dat de studerende daadwerkelijk meerinkomen heeft. Dit leidt de rechtbank af uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2006/2007, 30 971, nr. 3, blz. 9).

De stelling van eiser dat het niet logisch is dat hij bedragen moet terugbetalen die hij niet heeft ontvangen, faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/3152

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Holtrop).

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder een vordering op grond van de Wet studiefinanciering (Wsf) 2000 vastgesteld wegens een teveel aan bijverdiensten.

Bij besluit van 16 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2014.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser had in 2011 van januari tot en met augustus recht op een prestatiebeurs. Eiser heeft met een wijzigingsbericht van 12 juli 2010 ervoor gekozen om € 0,00 aan prestatiebeurs te ontvangen . Voorts ontving eiser in 2011 van januari tot en met april een studentenreisproduct. Op grond van de door eiser op 12 juli 2010 opgegeven wijziging is de prestatiebeurs over 2011 niet aan hem uitbetaald, maar voor hem gereserveerd tot eiser binnen de termijn zijn diploma haalt.

1.2.

Bij brief van 16 november 2013 heeft verweerder eiser bericht dat zijn toetsingsinkomen over 2011 boven de bijverdiengrens is. Eiser heeft hierop gereageerd op 10 december 2013 en salarisstroken overgelegd. Verweerder heeft vervolgens het toetsingsinkomen gecorrigeerd bij brief van 27 januari 2014 en bij het primaire besluit de vordering op eiser wegens meerinkomen vastgesteld op € 2.459,20.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat aan eiser in 2011 over de periode januari tot en met augustus basisbeurs tot een bedrag van in totaal € 2.129,84 is toegekend. Deze prestatiebeurs heeft eiser op € 0,00 gezet, maar de niet uitbetaalde prestatiebeurs wordt alsnog uitbetaald als eiser een afsluitend diploma haalt. Daarom kan eiser over deze periode een vordering worden opgelegd. In de maanden september tot en met december had eiser een zogenaamde nullening en geen studentenreisproduct. Eiser maakte in deze maanden geen gebruik van het recht op studiefinanciering, zodat de inkomsten in die maanden niet meetellen voor het toetsingsinkomen. Daarnaast dient eiser een bedrag van € 82,34 voor elke maand waarin hij beschikte over een geactiveerd reisrecht (totaal € 329,36) terug te betalen.

3. Eiser stelt dat het tijdvak dat wordt aangehouden om te bepalen of de bijverdiengrens wordt overschreden niet klopt, omdat hij eind april 2011 zijn studentenreisproduct heeft stopgezet om te voorkomen dat de bijverdiengrens wordt overschreden. Het tijdvak loopt daarom van januari tot en met april 2011. Daarnaast stelt eiser dat hij in 2011 € 0,00 aan studiefinanciering heeft ontvangen. Daarom kan er niets teruggevorderd worden.

4. Op grond van artikel 3.1, tweede lid onder b, van de Wsf 2000 kan studiefinanciering geheel of gedeeltelijk worden toegekend in de vorm van prestatiebeurs.

Op grond van artikel 3.6, tweede lid, maakt van de basisbeurs een reisvoorziening deel uit, tenzij anders is bepaald.

Op grond van artikel 3.17, eerste lid, leidt, indien een studerende in een kalenderjaar meerinkomen heeft, dit tot een vordering van Onze Minister op de studerende. Meerinkomen is het toetsingsinkomen, verminderd met een vrije voet naar de maatstaf van 1 januari 2011 van € 13.215,83.

Op grond van het vijfde lid – voor zover van belang – blijft bij de berekening van het meerinkomen buiten beschouwing inkomen waarvan de studerende aantoont dat het is verworven over de periode in het kalenderjaar waarin hij heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering.

Op grond van het zevende lid is de studerende, indien hij in een kalenderjaar meerinkomen heeft, aan Onze Minister een bedrag ter grootte van het meerinkomen verschuldigd, met dien verstande dat dit bedrag niet groter kan zijn dan de som van de men betrekking tot dat kalenderjaar aan die studerende toegekende bedragen aan:
a. basisbeurs,
b. aanvullende beurs, en
c. voor iedere maand waarin hij op enig moment beschikte over de reisvoorziening, het bedrag gelijk aan eentwaalfde deel van de waarde van de reisvoorziening, bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, vermenigvuldigd met het aantal maanden waarover met inachtneming van het vijfde lid het toetsingsinkomen is berekend.

Op grond van het tiende lid wordt de vordering die ontstaat door toepassing van het zevende lid, in mindering gebracht op de met betrekking tot dat kalenderjaar aan de studerende toegekende prestatiebeurs. Voor zover de prestatiebeurs over dat kalenderjaar niet is uitbetaald, wordt de vordering verrekend met die prestatiebeurs. De opgebouwde rente over het in mindering gebrachte bedrag gaat teniet.

Op grond van artikel 5.2, tweede lid, wordt de prestatiebeurs omgezet in een gift, indien wordt voldaan aan de in hoofdstuk 5 omschreven voorwaarden.

Op grond van artikel 8.1, derde lid, - voor zover van belang – kan de studerende bij Onze Minister een aanvraag indienen een lager maandbedrag aan lening aan hem uit te betalen dan het maandbedrag aan lening dat aan hem is toegekend of hem een bedrag van € 0,00 toe te kennen. Indien aan de studerende een bedrag van € 0,00 wordt toegekend, geldt hij voor de periode waarop die toekenning betrekking heeft als studiefinancieringsgenietende.

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser bijverdiensten heeft gehad in 2011. Tussen partijen is in geschil of eiser de bijverdiengrens heeft overschreden.

5.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat eiser per 1 september 2010 het bedrag van de gewenste prestatiebeurs op € 0,00 heeft gezet, als bedoeld in artikel 8.1, derde lid, en per 1 mei 2011 zijn studentenreisproduct heeft beëindigd. Anders dan eiser wellicht denkt heeft hij niet afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering per 1 september 2010, als bedoeld in het vijfde lid van artikel 3.17 van de Wsf 2000. De toekenning van de prestatiebeurs is eerst beëindigd per 1 september 2011, omdat het maximaal aantal maanden basisbeurs is toegekend, zo volgt uit het besluit van 26 oktober 2010. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat voor de berekening van het meerinkomen over 2011 de maanden januari tot en met augustus in beschouwing moeten worden genomen en dat hij over 2011 de bijverdiengrens heeft overschreden.

5.3.

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep heeft de vaststelling dat sprake is van meerinkomen geen invloed op het recht op studiefinanciering, maar leidt dit tot een zelfstandige vordering op de studerende. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de uitspraak van 18 november 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU5544). Verweerder heeft daarom terecht een vordering wegens meerinkomen vastgesteld. Deze vordering wordt na beëindiging van het recht op studiefinanciering op grond van artikel 6.17, eerste en vierde lid, van de Wsf 2000 van rechtswege omgezet in een rentedragende lening.

5.4.

Op grond van het tiende lid van artikel 3.17 van de Wsf 2000 wordt de vordering wegens meerinkomen op de toegekende prestatiebeurs in mindering gebracht. Deze bepaling voorkomt dat er sprake is van een dubbele vordering. Het is de bedoeling geweest van de wetgever dat de vordering vanwege meerinkomen ontstaat op het moment dat de studerende daadwerkelijk meerinkomen heeft. Dit leidt de rechtbank af uit de Memorie van Toelichting, waarin het volgende is vermeld: “Het zevende lid van artikel 3.17 bepaalt de grootte van het bedrag dat een studerende verschuldigd is aan de IB-Groep indien hij in een kalenderjaar te veel verdiend heeft. Het bedrag kan de in dat jaar toegekende beurs niet overstijgen. Tot op heden werd de formulering ‘ontvangen beurs’ gebruikt. Die formulering blijkt tot een onhandige situatie te leiden in het geval een studerende ervoor kiest de aan hem toegekende beurs niet te laten uitbetalen, maar op te sparen (niet te verwarren met het stopzetten van studiefinanciering). Op het moment dat de studerende binnen de diplomatermijn zijn diploma haalt, wordt de beurs omgezet in een gift en wordt het bedrag aan studiefinanciering alsnog uitbetaald. Met de oude formulering ontstaat de vordering van de IB-Groep pas op dat moment, terwijl het meerinkomen al jaren daarvoor kan zijn verdiend. Met de nieuwe formulering ontstaat de vordering op het moment dat de studerende ook daadwerkelijk meerinkomen heeft.” (Kamerstukken II, 2006/2007, 30 971, nr. 3, blz. 9).

5.5.

Het bestreden besluit is niet in strijd met de wet en is conform de bedoeling van de wetgever. De stelling van eiser dat het niet logisch is dat hij bedragen moet terugbetalen die hij niet heeft ontvangen, faalt. De inhoud van de wet staat niet ter beoordeling van de rechtbank. Overigens heeft eiser ter zitting verklaard dat hij op dit moment nog geen bedragen betaald heeft. Verweerder heeft in dat verband nog toegelicht dat als eiser niet binnen de diplomatermijn afstudeert en geen recht heeft op uitbetaling van de prestatiebeurs, de bedragen die eiser dan mogelijk al heeft betaald uit hoofde van de vordering, worden terugbetaald.

6. De aangevoerde gronden leiden niet tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren. Voor vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Spoel, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse‑Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.