Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:9063

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
16-01-2015
Zaaknummer
13-737737-13 RK 13-5211
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon voldoet aan de vereisten van artikel 6, vijfde lid OLW kan hij zich met succes beroepen op de weigeringsgrond van artikel 6, tweede lid OLW en moet de door Letland verzochte overlevering ter fine van executie van een onherroepelijke vrijheidsstraf worden geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/737737-13

RK nummer: 13/5211

Datum uitspraak: 21 november 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 juli 2013 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 6 juni 2013 door de Officier van Justitie van de Afdeling voor Internationale Samenwerking van het Departement voor Analyse en Beheer van de Procureur-generaal van de Republiek Letland, en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats], Letland, op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [adres, te plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 september 2013. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. al Mansouri.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht en – voor zover noodzakelijk – door een tolk in de Letse taal. De raadsman heeft een uitvoerig pleidooi gevoerd en daarbij, ter onderbouwing van zijn standpunt, een aanzienlijke hoeveelheid stukken aan de rechtbank overgelegd.

De rechtbank heeft op deze zitting de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

Bij tussenuitspraak van 8 oktober 2013 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde het debat ter zitting te kunnen voortzetten na voorafgaande kennisname door de procesdeelnemers van de inhoud van het door de raadsman gevoerde pleidooi en de daarbij door hem overgelegde stukken.

Op 11 maart 2014 is het onderzoek voortgezet maar direct voor onbepaalde tijd geschorst aangezien de raadsman wegens familieomstandigheden niet aanwezig kon zijn. Deze beslissing is op voorhand aan de raadsman meegedeeld. De rechtbank en de officier van justitie hebben op voorhand ingestemd met de afwezigheid van de opgeëiste persoon op deze zitting.

Het onderzoek is voortgezet op 1 juli 2014. Aanwezig waren de officier van justitie mr. M. al Mansouri, de opgeëiste persoon en zijn raadsman en – zekerheidshalve – een tolk in de Letse taal. Op voorhand had de raadsman producties naar de rechtbank gezonden. De rechtbank heeft kennis genomen van deze producties. De voorzitter heeft de eerder door de raadsman gevoerde verweren samengevat: een genoegzaamheidsverweer en verweren die betrekking hebben op artikel 6 lid 5 OLW en artikel 11 OLW en meegedeeld dat de rechtbank zich voldoende voorgelicht acht op het punt van de genoegzaamheid. De raadsman heeft pleidooi gevoerd en zich daarbij geconcentreerd op artikel 6 lid 5 OLW en artikel 11 OLW.

De rechtbank heeft het onderzoek opnieuw voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen om objectieve informatie van de afgelopen vijf jaren met betrekking tot de ziektekostenverzekering aan de rechtbank te overleggen. Uit die informatie moet blijken de ingangsdatum van de ziektekostenverzekering en de periodes dat de verzekering heeft gelopen en dat de verzekering op naam stond en staat van de opgeëiste persoon.

De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon met de overgelegde stukken voldoende heeft aangetoond dat hij de afgelopen vijf jaren over inkomsten heeft beschikt.

De rechtbank heeft de officier van justitie opgedragen nader onderzoek te verrichten naar de verblijfstitel van de opgeëiste persoon bij de IND.

Tenslotte heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid OLW uitspraak zou moeten doen met terugwerkende kracht voor onbepaalde tijd verlengd.

Nadien zijn aan het dossier de volgende stukken toegevoegd:

  • -

    Een brief van de IND d.d. 14 oktober 2014, gericht aan het IRC Amsterdam. Uit deze brief blijkt dat de opgeëiste persoon in het bezit is van een verblijfsdocument duurzaam verblijf EU-onderdanen (artikel 8.17 Vreemdelingenbesluit). Opgemerkt wordt dat de opgeëiste persoon sinds 4 augustus 2014 de verblijfstitel ‘duurzaam verblijf EU-onderdaan’ heeft en dat hij sinds 15 oktober 2010 staat ingeschreven in GBA/BPR, maar dat hij heeft aangetoond sinds 21 april 2009 in Nederland te wonen.

  • -

    Een brief van de raadsman d.d. 6 november 2014 met als bijlagen vier brieven van de IND aan de opgeëiste persoon respectievelijk gedateerd 12 augustus 2014, 26 augustus 2014, 1 oktober 2014 en 17 oktober 2014.

  • -

    Een brief van de raadsman d.d. 17 november 2014, waarbij zijn overgelegd de producties 36 tot en met 41, die betrekking hebben op de ziektekostenverzekering van de opgeëiste persoon.


Op 21 november 2014 heeft de rechtbank het onderzoek voortgezet in (telkens) dezelfde samenstelling. Gehoord zijn de officier van justitie mr. R. Bosman, de opgeëiste persoon en zijn raadsman. De opgeëiste persoon is – zekerheidshalve – bijgestaan door een tolk voor de Letse taal. Hij heeft van de diensten van de tolk geen gebruik hoeven te maken.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Letse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van 18 januari 2008 van het Rechtscollege strafzaken van de Rechtbank, in werking getreden op 5 oktober 2010.

Referentie: Nr. I 1360010707.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft de zeven feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Artikel 6 OLW

Standpunt verdediging

De raadsman heeft gepersisteerd bij zijn eerder ingenomen standpunt, zoals weergegeven in het proces-verbaal van de zitting van 24 september 2013 en – kort samengevat – bepleit dat de opgeëiste persoon zich met succes kan beroepen op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, OLW in verbinding met artikel 6, tweede lid, OLW. Na de wetswijziging van 1 juli 2014 heeft Nederland op grond van artikel 7, derde lid, Sr in verbinding met artikel 86b Sr rechtsmacht over de in Letland gepleegde feiten. De raadsman heeft een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam d.d. 26 augustus 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:5341.

Standpunt officier van justitie

De opgeëiste persoon voldoet aan de vereisten die artikel 6, vijfde lid, OLW stelt. De IND heeft bevestigd dat hij zijn recht van verblijf in Nederland niet zal verliezen ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel, zodat ook aan het derde en laatste vereiste is voldaan, zij het met de kanttekening dat de verblijfsvergunning op enig moment alsnog kan worden ingetrokken, mocht later blijken dat de opgeëiste persoon op het moment dat hij de verblijfsvergunning aanvroeg de verstrekkende instantie (in casu de IND) niet volledig heeft geïnformeerd. Hiervan is mogelijk sprake, indien de lopende procedure in Letland door de opgeëiste persoon verzwegen is. Nu echter vast staat dat er momenteel geen grond is om het recht op verblijf in te trekken, kan de verzochte overlevering worden geweigerd. Het openbaar ministerie zal ingevolge het bepaalde in artikel 6, derde lid OLW de uitvaardigende justitiële autoriteit in kennis stellen van de bereidheid de tenuitvoerlegging van het vonnis over te nemen.

Oordeel rechtbank

Om zich met succes te kunnen beroepen op de weigeringsgrond van artikel 6, vijfde lid OLW in verbinding met artikel 6, tweede lid OLW moeten personen van wie de overlevering wordt verzocht, voldoen aan de in artikel 6, vijfde lid OLW genoemde drie vereisten.

Het eerste vereiste.

Onder verwijzing naar haar uitspraak van 24 april 2009, LJN-nummer BJ0781 en haar uitspraak van 29 april 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:2454) stelt de rechtbank voorop dat een redelijke en kaderbesluitconforme uitleg van artikel 6, vijfde lid, OLW met zich brengt dat onder verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd mede wordt verstaan een verblijfsdocument duurzaam verblijf voor burgers van de Europese Unie. Daarmee is dus voldaan aan het eerste vereiste.

Het tweede vereiste.

Sinds op 1 juli 2014 in werking is getreden de Wet herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken (Stb. 2013, 484) is het voor de beantwoording van de vraag of voldaan wordt aan het tweede vereiste voldoende om vast te stellen dat de vreemdeling (in casu de opgeëiste persoon) beschikt over een verblijfsvergunning onbepaalde tijd. Dit is het geval. De opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen.

Het derde vereiste.

Ook aan het derde vereiste is voldaan, gelet op het (mondelinge) bericht van de zijde van de IND aan de officier van justitie, waaruit kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon niet zijn recht van verblijf in Nederland zal verliezen ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. Het voorbehoud dat de officier van justitie hierbij heeft gemaakt is niet relevant voor de beoordeling door de rechtbank.

5 Slotsom

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon voldoet aan de vereisten van artikel 6, vijfde lid OLW kan hij zich met succes beroepen op de weigeringsgrond van artikel 6, tweede lid OLW en moet de verzochte overlevering worden geweigerd en de geschorste gevangenhouding worden opgeheven.

Gelet op deze beslissing kunnen de overige gevoerde verweren onbesproken blijven.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 Overleveringswet.

7 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Officier van Justitie van de Afdeling voor Internationale Samenwerking van het Departement voor Analyse en Beheer van de Procureur-generaal van de Republiek Letland ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

HEFT OP de geschorste overleveringsdetentie (gevangenhouding)

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. J.O. Rutten en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 21 november 2014.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.