Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8932

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-11-2014
Datum publicatie
22-01-2016
Zaaknummer
C/13/573621 / KG ZA 14-1263
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

medewerking aan executoriale verkoop

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/573621 / KG ZA 14-1263 CB/JWR

Vonnis in kort geding van 14 november 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MODALFA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres bij dagvaarding van 10 oktober 2014,

advocaat mr. P.A. Josephus Jitta te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. J.C.P. van den Hamer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Modalfa en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 31 oktober 2014 heeft Modalfa gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding en akte vermeerdering van eis. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht. Modalfa heeft daarnaast een pleitnota in het geding gebracht.

Na verder debat is vonnis bepaald op heden. Partijen hebben verklaard er geen bezwaar tegen te hebben dat de voorzieningenrechter ambtshalve kennis zal nemen van een op 5 november 2014 uit te spreken vonnis in een andere tussen (onder meer) partijen gevoerde procedure.

Ter zitting waren aanwezig:

- namens Modalfa mr. Josephus Jitta;

- namens [gedaagde] mr. Van den Hamer.

2 De feiten

2.1.

In juni 2009 is een samenwerkingsverband ontstaan tussen partijen. Op basis hiervan participeerde [gedaagde] (indirect) in een aantal vennootschappen die zich bezighielden met de exploitatie van onroerend goed.

2.2.

Op 16 december 2009 is een overeenkomst van geldlening gesloten tussen [gedaagde] en Modalfa. Op grond van deze overeenkomst heeft [gedaagde] van Modalfa € 1.030.000,- geleend tegen 7% rente. Als zekerheid voor terugbetaling is een pandrecht verleend op de aandelen van [gedaagde] in de vennootschappen [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] (hierna: de aandelen). Volgens de overeenkomst diende de geldlening op 16 juni 2010 gedeeltelijk te worden afgelost. Op 16 december 2011 diende de gehele lening te zijn afgelost, hetgeen niet is gebeurd.

2.3.

In juli 2013 is de samenwerking beëindigd en is er een vaststellingsovereenkomst gesloten tussen [gedaagde] en , onder meer, Modalfa. Hierin is – kort gezegd – opgenomen dat indien [gedaagde] voor

1 juli 2014 zijn aandelen in het samenwerkingsverband aan een derde zou overdragen, hij met de opbrengst daarvan de lening zou kunnen aflossen. Als uiterste aflossingsdatum was 1 juli 2014 afgesproken.

Ook is op 3 juli 2014 een akte van geldlening tussen Modalfa en [gedaagde] opgemaakt, waarin is bepaald dat naast de eerder verpande aandelen ook de aandelen van [gedaagde] in [bedrijf 5] en [bedrijf 6] werden verpand.

2.4.

De lening is niet voor 1 juli 2014 afgelost. Wel heeft zich een beoogd financier voor [gedaagde] aangediend, te weten [bedrijf 7]

Op 2 juli 2014 heeft Modalfa de geldlening opgeëist en aangekondigd het pandrecht te gaan uitoefenen.

2.5.

Op 19 september 2014 heeft een zitting in kort geding plaatsgevonden voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank. In dit kort geding is op vordering van [gedaagde] en [bedrijf 7] (de beoogd koper van de aandelen van [gedaagde] ), bij vonnis van 23 september 2014 bepaald dat het pandrecht op de aandelen tegen bepaalde getaxeerde waarden kan worden uitgeoefend, “behoudens ingeval [bedrijf 7] ten tijde van de openbare verkoop zijn aanbod van € 250.000,- gestand doet, in welk geval dat bedrag (dan wel een hoger door [bedrijf 7] of de andere aandeelhouders te bieden bedrag) dient te worden aangehouden”.

2.6.

Op 15 oktober 2014 heeft [bedrijf 7] een verhoogde bieding van € 1.000.000,- gedaan op de aandelen. Modalfa heeft vervolgens afgezien van uitwinning van het pandrecht op de aandelen.

2.7.

Bij vonnis van 5 november 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder meer geoordeeld dat Modalfa niet gehouden is om tot uitoefening van haar pandrecht over te gaan maar mag kiezen voor andere wegen om haar vordering op [gedaagde] te verhalen.

2.8.

Modalfa heeft op 14 augustus 2014 beslag gelegd op, onder meer, een op naam van [gedaagde] staande Porsche type Macan.

2.9.

Op 24 september 2014 heeft executoriale verkoop van deze Porsche plaatsgevonden. De Porsche is verkocht voor een bedrag van € 78.000,-. Verkoop heeft plaatsgevonden onder voorbehoud van gunning in verband met een eventueel aanwezig financieringscontract met in dat contract mogelijk een eigendomsvoorbehoud. Deze voorwaardelijke verkoop bleek nodig omdat [gedaagde] de executerend deurwaarder op de dag van de verkoop informeerde over het mogelijke eigendomsvoorbehoud.

2.10.

Gebleken is dat [gedaagde] de Porsche Macan op 3 juli 2014 op afbetaling heeft gekocht voor € 98.443,00 en daarbij een aanbetaling heeft gedaan van € 45.000,00. Op het moment van veiling diende [gedaagde] afgerond nog

€ 53.000,00 af te lossen. Het financieringscontract voorziet in een vervroegde aflossingsmogelijkheid, waarbij alsdan een boete van ongeveer € 500,00 verschuldigd is. Modalfa heeft vervolgens contact gezocht met de financier van de geldlening waarmee [gedaagde] de aankoop van de Porsche Macan heeft betaald, Volkswagen Pon Financial Services. Dit bedrijf heeft per e-mail van 28 oktober 2014 onder meer het volgende aan de advocaat van Modalfa meegedeeld:

De heer [medewerker] heeft u meerdere malen aangegeven dat wij niet akkoord gaan met verkoop van de door ons gefinancierde Porsche Macan met kenteken [kenteken] . Wij gaan alleen akkoord met verkoop van deze auto als de heer [gedaagde] akkoord gaat”.

2.11.

Op 28 oktober 2014 heeft [deurwaarder] , deurwaarder, per e-mail onder meer het volgende aan de advocaat van Modalfa bericht:

Cliënte, Volkswagen Bank GmbH, heeft mij verzocht haar belangen te behartigen inzake de inbeslagname op een haar eigendom toebehorende Porsche Macan met kenteken [kenteken] en in de eerste plaats te reageren op uw brief van 27 oktober 2014.

Zoals bekend maakt de Porsche deel uit van huurkoopovereenkomst en gaat de eigendom van de Porsche pas over van cliënte op [gedaagde] zodra deze aan al zijn financiële verplichtingen heeft voldaan. Anders dan u in uw brief stelt heeft cliënte nooit te kennen gegeven dat zij instemt met overdracht van de auto indien [gedaagde] ook zijn toestemming geeft”.

3 Het geschil

3.1.

Modalfa vordert na vermeerdering van eis – samengevat – te bepalen dat dit vonnis dezelfde kracht heeft als een akte van [gedaagde] tot onvoorwaardelijke medewerking aan de executoriale verkoop en levering van de Porsche Macan met gelijktijdige afbetaling van de restant koopsom aan Volkswagen Bank N.V. en aflossing van de restant koopprijs op de lening die Modalfa aan [gedaagde] heeft verstrekt, alsmede te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van die door [gedaagde] op te maken akte en [gedaagde] te veroordelen binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de tweede contactsleutel van de Porsche Macan af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Ook vordert Modalfa dat [gedaagde] wordt veroordeeld om op straffe van verbeurte van een dwangsom opgave te doen van zijn inkomen en vermogen.

3.2.

Modalfa stelt dat ingeval [gedaagde] meewerkt aan de verkoop van de Porsche Macan ook de financier met de verkoop daarvan instemt. Door zijn toestemming te onthouden maakt [gedaagde] executie onmogelijk. Daarnaast dient [gedaagde] inzicht te geven in zijn inkomen en vermogen, teneinde Modalfa in staat te stellen haar vordering op hem te verhalen. Gezien zijn levensstijl moet [gedaagde] tot aflossing in staat zijn, aldus – steeds – Modalfa.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Hij stelt dat ingeval de verkoop van zijn aandelen aan [bedrijf 7] doorgang vindt de vordering van Modalfa kan worden afgelost. De thans gevorderde maatregelen zijn derhalve overbodig, aldus [gedaagde] .

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Als vaststaand kan worden aangenomen dat [gedaagde] jegens Modalfa in gebreke is ter zake zijn verplichting de lening af te lossen. Modalfa is derhalve gerechtigd om tot uitwinning van haar vordering over te gaan.

4.2.

[gedaagde] stelt dat er aan de zijde van Modalfa sprake is van schuldeisersverzuim, omdat Modalfa haar vordering kan innen door gebruikmaking van haar pandrecht op de aandelen.

4.3.

De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van dit verweer voorop dat onderhavig kort geding niet kan worden aangemerkt als een appelmogelijkheid tegen hetgeen in het vonnis van 5 november 2014 is bepaald. Slechts ingeval van nieuwe feiten en omstandigheden kan er aanleiding zijn om thans tot een ander oordeel te komen dan de in genoemde uitspraak gegeven beslissing dat Modalfa niet gehouden is tot uitoefening van haar pandrecht over te gaan. Van dergelijke feiten of omstandigheden is evenwel niet gebleken. Dit brengt met zich dat het verweer van [gedaagde] dat Modalfa in schuldeisersverzuim verkeert door niet tot uitwinning van het pandrecht op de aandelen over te gaan, faalt.

4.4.

[gedaagde] heeft ter terechtzitting nog aangevoerd dat Modalfa zich tegenover derden en de media negatief over hem uitlaat. Nog afgezien van het feit dat Modalfa dit heeft betwist kan deze omstandigheid als zodanig er niet toe leiden dat [gedaagde] niet gehouden is tot nakoming van zijn verplichtingen jegens Modalfa dan wel dat Modalfa niet langer gerechtigd is om tot executie van haar vordering over te gaan.

4.5.

Ter terechtzitting is voorts nog te sprake gekomen dat de financier van de Porsche wisselende mededelingen heeft gedaan ter zake de bereidheid tot medewerking (zie 2.10 en 2.11). De vorderingen van Modalfa richten zich evenwel tot [gedaagde] . De opstelling van de financier kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen reden zijn om geen verplichting van [gedaagde] tot medewerking aan te nemen. Wel kan het effect van die medewerking in praktische zin beperkt worden door de opstelling van de financier. Evenwel staat onbetwist vast dat de financieringsovereenkomst voorziet in een vervroegde aflossings-mogelijkheid, zodat [gedaagde] eenvoudig de eigendom van de Porsche kan verwerven. De voorzieningenrechter verstaat daarom de vordering van Modalfa aldus dat [gedaagde] gehouden is om eraan mee te werken dat met de verkoopopbrengst aan zijn financier wordt voldaan, waardoor het eigendomsvoorbehoud zal vervallen. De vordering zal op dit onderdeel op na te melden wijze worden toegewezen, evenals de gevorderde afgifte van de tweede contactsleutel.

4.6.

Modalfa vordert verder dat [gedaagde] op verbeurte van dwangsommen zal worden veroordeeld opgave te doen van zijn inkomsten en vermogen, nu hij dat ondanks sommatie van de deurwaarder tot nu toe nalaat.

Bij de beoordeling van deze vordering wordt het volgende vooropgesteld. Een schuldenaar is in beginsel verplicht een schuldeiser die een titel tot betaling van een geldsom jegens hem heeft, inlichtingen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en omtrent voor verhaal vatbare goederen te verschaffen. Hoever deze op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde verplichting in een voorliggend geval reikt, hangt af van de concrete omstandigheden van dat geval (vgl. Hof Amsterdam, 21 september 2011; ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0492). Modalfa heeft er in dit verband terecht op gewezen dat van [gedaagde] een dergelijke opgave mag worden verlangd nu hij reeds geruime tijd in gebreke is met de nakoming van zijn aflossingsverplichtingen, maar gezien zijn luxueuze levensstijl kennelijk niet in behoeftige omstandigheden verkeert. Diverse beslagen, onder andere op bankrekeningen, hebben amper doel getroffen hetgeen onbegrijpelijk is gelet op de financiële verplichtingen van [gedaagde] , waaronder de aflossing van een hypotheek van € 1.400.000,00 en diverse kredieten waaronder die van de Porsche Macan en een Porsche 911. [gedaagde] heeft ook geen afzonderlijk verweer tegen deze laatste vordering van Modalfa gevoerd. Dit onderdeel van de vordering zal derhalve worden toegewezen als gevorderd.

4.7.

De gevorderde en niet gemotiveerde weersproken dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd als na te melden.

4.8.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van Modalfa tot op heden begroot op

€ 608,- aan griffierecht en € 816,- aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

bepaalt dat dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [gedaagde] tot onvoorwaardelijke medewerking aan de executoriale verkoop en levering van de Porsche Macan met kenteken

[kenteken] , met gelijktijdige afbetaling van de restant koopsom en boete aan Volkswagen Bank N.V., alsmede aflossing van de restant koopprijs op de lening van Modalfa aan [gedaagde] ;

5.2.

bepaalt dat deze uitspraak zonodig in de plaats treedt van enige door [gedaagde] conform het onder 5.1 bepaalde op te stellen akte;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot afgifte binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis aan deurwaarderskantoor Groot&Evers te Amsterdam van de tweede contactsleutel van de Porsche Macan met kenteken [kenteken] ;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] om aan Modalfa een dwangsom te betalen van

€ 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan onder 5.3 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 15.000,- is bereikt;

5.5.

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan deurwaarderskantoor Groot&Evers schriftelijk, nauwkeurig en gespecificeerd volledige inlichtingen en opgave te verstrekken omtrent de omvang en samenstelling en allocatie van:

(i) al zijn binnenlandse en buitenlandse inkomen (inclusief specificatie van wie en uit welke rechtsverhouding hij dergelijk inkomen geniet/zal genieten), alsmede

(ii) al zijn binnenlandse en buitenlandse vermogen, alsmede

(iii) al zijn voor verhaal vatbare geheel of gedeeltelijk toebehorende binnenlandse en buitenlandse vermogensbestanddelen, inclusief maar niet beperkt tot alle door [gedaagde] direct dan wel indirect aangehouden rekeningen bij banken in Nederland en in andere landen, roerende zaken in Nederland en andere landen, registergoederen en deelnemingen in Nederland en andere landen, alle voor zover geheel of gedeeltelijk in eigendom van [gedaagde] en vorderingen op derden, waaronder op verbonden vennootschappen;

5.6.

veroordeelt [gedaagde] om aan Modalfa een dwangsom te betalen van

€ 2.500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan onder 5.5 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 250.000,- is bereikt;

5.7.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van Modalfa begroot op € 608,- aan griffierecht en € 816,- aan salaris advocaat;

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst af het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Berkhout, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.W. Rouwendal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2014.1

1 type: JWRcoll: SvE