Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8827

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
C-13-538213 - HA ZA 13-307
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Curator geslaagd in bewijsopdracht. Lening en geen schenking. Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/538213 / HA ZA 13-307

Vonnis van 31 december 2014

in de zaak van

LAMBERTUS THEODORUS LONIS

in hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam],

kantoorhoudende te Lelystad,

eiser,

advocaat mr. L.T. Lonis,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.B.C.R. Heemskerk.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde] genoemd worden.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis van 26 maart 2014 (hierna: het tussenvonnis),

  • -

    de akte met producties van de curator,

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 24 juni 2014,

  • -

    de conclusie na getuigenverhoor van de curator,

  • -

    de antwoordconclusie van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank de curator in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat de door [naam] aan [gedaagde] gedane betalingen van in totaal € 445.494,87 zijn gedaan ten titel van een lening, althans leningen.

2.2.

De curator heeft vervolgens bij akte onder meer een brief van de Belastingdienst overgelegd van 1 augustus 2013 gericht aan (de advocaat van) [gedaagde]. Deze brief is een reactie op het bezwaarschrift van [gedaagde] van 1 juli 2013 tegen de aanslag recht van schenking van 9 januari 2013. De strekking van het bezwaarschrift is dat voor een bedrag van € 194.252,- geen sprake is van een schenking maar van een verrekening met een overbedelingsschuld van [naam] aan [gedaagde] en de belaste verkrijging voor dat bedrag te hoog is vastgesteld.

2.3.

In de brief van 1 augustus 2013 heeft de Belastingdienst enige vragen gesteld met het oog op de door [gedaagde] in zijn bezwaarschrift verzochte ambtshalve beoordeling van zijn stelling dat sprake is geweest van verrekening met de overbedelingsschuld van [naam] aan [gedaagde] waardoor de schenking aanzienlijk lager dient te worden aangemerkt. Op deze brief heeft (de advocaat van) [gedaagde] niet gereageerd, zoals de Belastingdienst in een eveneens door de curator overgelegde brief van 27 november 2013 constateert. In deze brief staat: “U [(de advocaat van) [gedaagde], rechtbank] heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt, laat staan aangetoond, dat de door de vader van [naam] betaalde koopsom van de woning (…) moet worden aangemerkt als een aflossing van een overbedelingsschuld die senior had aan uw cliënt”. Ook op deze brief heeft (de advocaat van) [gedaagde] niet gereageerd.

2.4.

In een brief van 31 maart 2014 (per abuis gedateerd 5 maart 2014) schrijft de Belastingdienst aan de curator dat [gedaagde] over de jaren 2010 en 2011 aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan. In de aangiften heeft [gedaagde] melding gemaakt van een eigenwoningschuld van telkens (ongeveer) € 270.000,- en hierover betaalde rente van telkens ongeveer € 7.000,-. In dezelfde brief staat dat (de advocaat van) [gedaagde] bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslagen IB/PVV 2010 en 2011 en aanvoert dat het zijns inziens juist lijkt dat geen rekening wordt gehouden met aftrekbare (rente) hypotheekschuld. Waarom dat juist ‘lijkt’ heeft [gedaagde] niet toegelicht, zo schrijft de Belastingdienst.

2.5.

In de brief van 31 maart 2014 trekt de Belastingdienst - zakelijk weergegeven – de volgende conclusies:

  • -

    het moet ervoor worden gehouden dat de betalingen van [naam] ten behoeve van [gedaagde] in zoverre hun oorzaak vinden in een geldlening,

  • -

    [gedaagde] heeft zijn stelling dat verrekend is met een overbedelingsschuld niet nader onderbouwd, zodat het ervoor moet worden gehouden dat die stelling onjuist is,

  • -

    de optie die rest is dat sprake is geweest van een geldlening door [naam] aan [gedaagde], tenminste voor het bedrag van de in een reeks van jaren bewust opgevoerde eigenwoningschuld.

2.6.

De rechtbank overweegt als volgt. Op basis van de inhoud van door de curator bij akte overgelegde correspondentie is als niet door [gedaagde] weersproken vast komen te staan dat [gedaagde] ook over de jaren 2010 en 2011 IB-aangiften heeft gedaan waarin hij melding maakt van een eigenwoningschuld van telkens (ongeveer)

€ 270.000,- en hierover betaalde rente van telkens ongeveer € 7.000,-. Deze omstandigheid biedt steun voor de door de curator te bewijzen stelling dat de aan [gedaagde] gedane betalingen van in totaal € 445.494,87 zijn gedaan ten titel van een lening, althans leningen.

2.7.

Uit de brief van de Belastingdienst van 31 maart 2014 blijkt dat de Belastingdienst niet (langer) het standpunt inneemt dat (het grootste deel van) de betalingen van [naam] aan [gedaagde] een schenking betreffen. Dit doet ernstig afbreuk aan het bij wijze van verweer door [gedaagde] ingenomen standpunt dat de Belastingdienst na beoordeling van zijn hele dossier zou hebben geoordeeld dat sprake is van een schenking. Uit de brief van de Belastingdienst van 31 maart 2014 blijkt nu juist dat volgens haar sprake is van een geldlening, tenminste voor het bedrag van de in een reeks van jaren bewust opgevoerde eigenwoningschuld. Ook deze omstandigheid biedt steun voor de door de curator te bewijzen stelling.

2.8.

De curator heeft mr. S. Vink, voormalig advocaat en belastingadviseur van [gedaagde], als getuige laten horen. Mr. S. Vink heeft onder meer het volgende verklaard: “mr. Lonis vraagt mij of ik bekend ben met het wetsartikel inzake schenking. Ik ben daar bekend mee. mr. Lonis vraagt mij of de terminologie ‘om niet’ mij bekend is. Daar ben ik uiteraard ook bekend mee. Mr. Lonis vraagt mij of de term ‘terugbetalingsverplichting’ in algemene zin van toepassing is op een schenking. Nee, dat is niet zo. Mr Lonis vraagt mij of ik het overeenkomen van rente vind passen bij de juridische figuur schenking. Daar vind ik het niet bij passen. Mr. Lonis vraagt mij of het juist is dat binnen mijn organisatie in zijn algemeenheid uitgaande stukken en/of aangiften slechts op basis van gegevens en informatie als verkregen van de willekeurige cliënt worden opgesteld. Dat is uiteraard zo.”

2.9.

De rechtbank concludeert op basis van de inhoud van deze getuigenverklaring dat de door mr. S. Vink namens [gedaagde] opgestelde brief van 30 maart 2011 (“Client en vader zijn de geldlening overeengekomen onder nader overeen te komen voorwaarden. Daarbij zijn zij wel op voorhand overeengekomen dat geldlening van vader aan cliënt in ieder geval bij verkoop van de woning de afgelost dient te worden uit de verkoopopbrengst. Van een terugbetalingsverplichting is dan ook wel degelijk sprake. (…) De betaling van de Porsche door vader hebben vader en cliënt aangemerkt als een geldlening van vader aan cliënt. Dat is dan ook de reden dat geen aangifte schenkingsrecht is gedaan.”, zie 2.5 van het tussenvonnis) ook volgens de opsteller van de brief (meer) aansluit bij de rechtsfiguur van een lening dan bij een schenking. Bovendien kan uit de verklaring van mr. S. Vink worden afgeleid dit hij dit standpunt richting de Belastingdienst heeft ingenomen op basis van informatie afkomstig van [gedaagde], aangezien uitgaande stukken/aangiften volgens de getuige slechts op basis van gegevens en informatie als verkregen van de willekeurige cliënt worden opgesteld.

De rechtbank stelt vast dat de inhoud van de getuigenverklaring van mr. S. Vink steun biedt voor de stelling van de curator dat de inhoud van die brief overeenstemt met de bedoeling van [gedaagde]: de Belastingdienst berichten dat dat de door [naam] aan [gedaagde] gedane betalingen zijn gedaan ten titel van een lening. In dat verband acht de rechtbank van belang dat die bedoeling ook blijkt uit een (enkele maanden eerder) in opdracht van [gedaagde] aan de Belastingdienst gerichte brief van 2 december 2010 (“De woning is naar mij is medegedeeld gefinancierd door vader. (…) Er is geen schriftelijke geldlening opgemaakt tussen vader en zoon. Er is wel een mondelinge afspraak dat over de lening, zoals het nu staat, 2,5% rente verschuldigd is, welke vader jaarlijks kwijtscheldt. (…) De (…) Porsche was inderdaad van cliënt. Deze is op 8 april 2009 ingeruild voor een tweedehands BMW met naar mij is medegedeeld een bijbetaling. De eerste auto is betaald door de vader van cliënt. (…)”, zie 2.4 van het tussenvonnis).

2.10.

Dat de bedoeling van [naam] en hemzelf altijd is geweest het geld te schenken respectievelijk die schenking te aanvaarden (en het op enig moment richting de Belastingdienst te doen voorkomen dat het om een lening/leningen ging om zo fiscaal voordeel te behalen), heeft [gedaagde] niet concreet met stukken of anderszins onderbouwt. Zo had [gedaagde] [naam] en zichzelf in het kader van een tegengetuigenverhoor als getuigen kunnen laten horen. Hij heeft hier echter om voor hem moverende redenen van afgezien.

2.11.

Ook de hiervoor (opnieuw) geciteerde inhoud van de brieven (van 2 december 2010 en 30 maart 2011) van de toenmalige advocaten-belastingkundigen van [gedaagde] ondersteunt dus de door de curator te bewijzen stelling.

2.12.

De slotsom van het voorgaande is dat de curator is geslaagd in zijn bewijsopdracht en dat is komen vast te staan dat dat de door [naam] aan [gedaagde] gedane betalingen van in totaal € 445.494,87 zijn gedaan ten titel van een lening, althans leningen. Vast staat dat [gedaagde] die lening(en), ondanks daartoe door de curator te zijn aangemaand, niet heeft betaald, zodat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in zijn verplichtingen onder die overeenkomst(en) van geldlening.

2.13.

De rechtbank heeft de andere verweren van [gedaagde] tegen de primaire vordering van [gedaagde] in het tussenvonnis verworpen. Ten aanzien van het door [gedaagde] gevoerde verrekeningsverweer in verband met de door [gedaagde] gestelde vordering op [naam] overweegt de rechtbank nog (in aanvulling op hetgeen zij in rechtsoverweging 4.13 van het tussenvonnis heeft overwogen) dat zij deze gestelde vordering tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door de curator ter comparitie en mede gelet op de hiervoor genoemde door de curator overgelegde brieven van de Belastingdienst (ook) als onvoldoende onderbouwd zal passeren.

Dit betekent dat de door de curator primair gevorderde verklaringen voor recht en de primair gevorderde hoofdsom van € 445.494,87 zullen worden toegewezen.

2.14.

De door de curator gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom zal worden toegewezen vanaf 16 januari 2013. Eerst vanaf dat moment verkeert [gedaagde] in verzuim (zie 2.10 van het tussenvonnis).

2.15.

De curator maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Nu het door de curator gevorderde bedrag van € 4.235,- aan buitengerechtelijke incassokosten lager is dan het in het Besluit bepaalde tarief, zal dit bedrag worden toegewezen. De wettelijke rente daarover zal vanaf de dag van de dagvaarding (7 maart 2013) worden toegewezen.

2.16.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

- explootkosten 92,82

- griffierecht 1.200,00

- getuigentaxe 200,00

- salaris advocaat 10.320,00 (4 punten × tarief € 2.580,-)

Totaal € 11.812,82

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat de curator rechtsgeldig de geldleningen als aan [gedaagde] door [naam] verstrekt heeft opgeëist,

3.2.

verklaart voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de op hem rustende verplichtingen tot terugbetaling van de uit hoofde van geldlening door [naam] aan hem verstrekte bedragen,

3.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan de curator € 445.494,87 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 januari 2013 tot aan de voldoening,

3.4.

veroordeelt [gedaagde] om aan de curator € 4.325,- aan buitengerechtelijke kosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 7 maart 2013,

3.5.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de curator begroot op € 11.812,82, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf acht dagen na dagtekening van dit vonnis,

3.6.

verklaart de veroordelingen onder 3.3., 3.4. en 3.5. uitvoerbaar bij voorraad,

3.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Raat en in het openbaar uitgesproken op

31 december 2014.1

1 type: RRcoll: MJP*