Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:880

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
27-02-2014
Zaaknummer
C/13/557905 / KG ZA 14-95
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige publicatie. De uitlatingen vinden voldoende steun in de feiten en zijn niet onrechtmatig. Het boek 'De val van SNS Reaal' mag dan ook in de handel blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2014/66

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/557905 / KG ZA 14-95 MvW/SvE

Vonnis in kort geding van 26 februari 2014

in de zaak van

1 [eiser sub 1],

wonende te[woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MUSEUM VASTGOED GROEP B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisers bij dagvaarding van 4 februari 2014,

advocaat mr. T.F.W. Overdijk te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

woonplaats kiezende te Amsterdam,

2. [gedaagde sub 2],

woonplaats kiezende te Amsterdam,

3. [gedaagde sub 3],

woonplaats kiezende te Amsterdam,

4. [gedaagde sub 4],

woonplaats kiezende te Amsterdam,

5. [gedaagde sub 5],

woonplaats kiezende te Amsterdam,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UITGEVERIJ NIEUW AMSTERDAM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HET FINANCIEELE DAGBLAD B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. S.N. Vlaar te Den Haag.

Eisers zullen hierna afzonderlijk [eiser sub 1] en Museum Vastgoed worden genoemd en gezamenlijk worden aangeduid met [eisers] Gedaagden zullen hierna afzonderlijk [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4],[gedaagde sub 5], de Uitgeverij en Het Financieele Dagblad worden genoemd en gezamenlijk worden aangeduid met [gedaagden]

1 De procedure

Ter terechtzitting van 12 februari 2014 heeft [eisers] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. [gedaagden] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Ter terechtzitting waren, voor zover van belang, aanwezig:

aan de zijde van [eisers]: [eiser sub 1] met mr. Overdijk;

aan de zijde van [gedaagden]: [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4], [persoon 1] (uitgever) en [persoon 2] (hoofdredacteur), met mr. Vlaar.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 1] is vastgoedondernemer te Amsterdam en directeur en mede-

aandeelhouder van de vastgoedonderneming Museum Vastgoed. De erven van wijlen [persoon 3] (hierna: [persoon 3]) zijn eveneens medeaandeelhouder van Museum Vastgoed.

2.2.

[gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en[gedaagde sub 5] zijn auteurs van het boek “De val van SNS Reaal” (hierna: het boek). Zij zijn tevens als journalist werkzaam voor Het Financieele Dagblad. Het Financieele Dagblad is uitgever van het dagblad Het Financieele Dagblad (hierna: het FD). Het boek is uitgegeven door de Uitgeverij en gaat over de achtergrond van het noodzakelijk worden van de nationalisatie van SNS Reaal.

2.3.

In het eerste hoofdstuk van het boek staan, voor zover voor dit geschil relevant, de volgende passages, waarbij de wijzigingen die zijn aangebracht vanaf de 4e druk van het boek schuingedrukt tussen haakjes zijn weergegeven:

1. De staart van de komeet

(…)

Justitie luistert mee

‘Aan wie?’ vraagt [eiser sub 1].

[persoon 3]: ‘Aan Koster.’

[eiser sub 1]: ‘Hakstege had dat aan hun gevraagd?’

[persoon 3]: ‘Ja. Hij had aan Koster gevraagd of het wel goed voor hem was als hij zaken zou doen met ons.’

(…)

[persoon 3] en [eiser sub 1] staan bij Bouwfonds goed aangeschreven, want ze lossen veel af. Over de herkomst van dat geld stelt Bouwfonds geen vragen. [eiser sub 1] legt [persoon 3] uit hoe het met hun nieuwe kredietlimieten (obligo’s) is gesteld:

(…)

[eiser sub 1]: ‘Dus dan doen we weer dezelfde truc als we met het Confectiecentrum hebben gedaan. Dan zeggen we: “Bertus, je moet even voor 300 miljoen, 400 miljoen inspringen.” Dan hebben we hem.’

[persoon 3]: ‘Iedereen wil dat, dus zij gaan zo door de bocht. We krijgen binnen twee tellen een contract.’

[eiser sub 1]: ‘Wordt een giller.’

[persoon 3]: ‘Dus het gaat verder en we zitten goed aan de bal.’

[eiser sub 1]: ‘Klopt jongen, top.’

Deze citaten komen uit het vertrouwelijke Buizerddossier, dat in handen is van Het Financieele Dagblad. Buizerd is de naam van het strafrechtelijk onderzoek dat onder leiding van officier van justitie Joost Tonino werd verricht naar valsheid in geschrifte, verduistering en oplichting door vier verdachten: [persoon 3], [eiser sub 1] (…) Dit strafonderzoek leidt op 9 januari 2002 tot invallen van politie en justitie bij ABN Amro-dochter Bouwfonds. (…) Het Openbaar Ministerie heeft het strafonderzoek (…) noodgedwongen beëindigd omdat verdachte [persoon 3] op 17 mei 2004 voor zijn kantoor (…) is doodgeschoten.

(…)

Het telefoongesprek tussen [eiser sub 1] en [persoon 3] laat er geen twijfel over bestaan welke handel Property Finance met het krediet financiert. Als voorbeeld haalt het duo in de afgeluisterde telefoongesprekken de, zoals zij het noemen, ‘truc met het Confectiecentrum’ aan. [persoon 3] en [eiser sub 1] kopen [toegevoegd: met twee andere beleggers] in 2002 [gewijzigd in 2000] het Amsterdamse World Fashion Centre met kortlopende financiering van Bouwfonds Property Finance, met de bedoeling het daarna snel weer door te verkopen [verwijderd: met de bedoeling het daarna snel weer door te verkopen]. (…) Drie jaar later neemt het Oostenrijkse familiebedrijf Swarovski het confectiecentrum over voor ongeveer (…) 145 miljoen euro. Dankzij een overbruggingskrediet van Bouwfonds hebben [persoon 3] en [eiser sub 1] het confectiecentrum (…) [toegevoegd: bruto] voor het dubbele van hun aankoopprijs [gewijzigd in: overbruggingskrediet] van de hand kunnen doen. Deze koop komt voor in het strafdossier Buizerd. Daarin zegt een geanonimiseerde medewerker van Bouwfonds tegen een opsporingsambtenaar dat hij ‘een duidelijk voorbeeld van witwassen’ kent: ‘Ene heer [persoon 3], die aanvang 2000 het Confectiecentrum zou hebben gekocht voor circa 219 miljoen gulden om het daarna door te stoten met 90 miljoen gulden winst.’ Waarom dat witwassen zou zijn en niet gewoon een winstgevende deal laat het dossier overigens in het midden.

(…)

Uit niet eerder bekend geworden vertrouwelijke notulen van bestuursvergaderingen blijkt dat Bouwfonds Property Finance nogal nonchalant vastgoed financiert. (…) In de Bouwfondsnotulen is bijvoorbeeld te lezen dat bestuurder John Simons, in aanwezigheid van Cees Hakstege en Jaco Reijrink, al op 10 februari 1998 ‘opnieuw heeft gerappelleerd om een rapportage [eiser sub 1]/[persoon 3]’. (…) Het onderwerp [persoon 3]/[eiser sub 1] zal de daaropvolgende zeven jaar voortdurend terugkeren in de bestuursnotulen van Bouwfonds. Geen enkele schuldenaar wordt zo vaak besproken als dit duo. Maar het merkwaardige resultaat van al die zorgelijke besprekingen is dat het bedrag dat Bouwfonds Property Finance aan [persoon 3] en/of [eiser sub 1] uitleent gestaag blijft stijgen.

(…)

Zonder de rapportage over [persoon 3] en [eiser sub 1] af te wachten, gaat het Bouwfondsbestuur op 31 maart 1998 akkoord met het verstrekken van een nieuw krediet ter waarde van 1.750.000 gulden aan Convoy Vastgoed van [persoon 3]. Anderhalve maand later klaagt Hakstege tijdens de bestuursvergadering ‘dat hij door de staatssecretaris erop wordt aangesproken dat er op aanvraag een rechercherapport van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verkrijgbaar is over de persoon [eiser sub 1], terwijl naderhand blijkt dat dit rapport al in huis is.’ Hakstege voelt zich in zijn hemd gezet door zijn onwetendheid dat een deel van dat rechercherapport er al is. (…)

Op 19 mei 1998 meldt Simons zijn collega-bestuurders van Bouwfonds [toegevoegd: wel] dat het ‘het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bevreemdt dat we geen bonafiditeitsonderzoek doen naar de achtergronden van zakelijke relaties’. Bouwfonds krijgt op zijn kop [gewijzigd in: krijgt vragen] van het departement omdat het zaken doet met [persoon 3] en [eiser sub 1]. Een week later stemt het bestuur in met een kredietaanvraag van 28 miljoen gulden door Boron America, een vastgoedbedrijf van [persoon 3] en [eiser sub 1]. Het bedrijf heet tegenwoordig Museum Vastgoed Groep en is inmiddels eigendom van [eiser sub 1]. Deze keer is er wel enige discussie omdat ‘[eiser sub 1]/[persoon 3] onlangs wederom in opspraak zijn geraakt en Bouwfonds door de persberichten kan worden geassocieerd met vermeende onzuivere praktijken van deze heren.’ (…)

Pijpers privébedrijf, L.P. Consultants, wordt gevestigd op Jan van Eijckstraat 8 in Amsterdam in het appartement dat hij van [eiser sub 1] huurt. De bankdirecteur heeft er geen moeite mee dat zijn privébedrijf in een appartement zit van een van de twee bankklanten waar zijn superieuren wekelijks bezorgd over vergaderen. (…)

[eiser sub 1] laat een brief zien uit 27 april 2005 waarin officier van justitie Joost Tonino aan Hummels advocaat schrijft: ‘Ik ben tot het oordeel gekomen dat er weliswaar voldoende bewijs aanwezig is voor een mogelijke veroordeling, maar dat gelet op het inhoudelijke verwijt dat uw cliënt [eiser sub 1] te maken is, een beleidssepot in de rede ligt. Hierbij hou ik nadrukkelijk rekening met de veranderingen die er binnen de bedrijfsvoering van uw cliënt zijn doorgevoerd, mede naar aanleiding van deze kwestie. (…) Ik zal de zaak seponeren met de omschrijving “voldoende door feit en omstandigheden getroffen, alsmede veranderde omstandigheden.” Met die veranderde omstandigheden duidt Tonino [gewijzigd in: kan Tonino duiden] op de moord op [persoon 3], een van de medeverdachten. (…)

De vermenging van persoonlijke en professionele betrekkingen tussen Bouwfondsbankiers en omstreden klanten is illustratief voor de bedrijfscultuur bij Bouwfonds Property Finance zoals die heerste in de tijd dat SNS Reaal de vastgoedbank in 2006 overnam. Dat blijkt uit tapverslagen in het strafonderzoek naar [persoon 3], [eiser sub 1] en Bouwfonds Property Finance en uit vertrouwelijke bestuursnotulen van Bouwfonds. (…)”

2.4.

In een artikel op de voorpagina van het FD van 14 december 2013 staat, voor zover van belang, het volgende:

Onderwereldbankier [persoon 3] betaalde ex-topman Bouwfonds

(…)

Dit onthult het boek De val van SNS Reaal dat vijf FD-redacteuren komende week publiceren. Hieruit komt naar voren dat SNS in 2006 met de aankoop van Bouwfonds Property Finance uit handen van ABN Amro een gecorrumpeerde vastgoedportefeuille overnam waarin persoonlijke belangen van bankiers met die van hun klanten waren verstrengeld. (…) Hakstege liet zich na zijn pensionering betalen door [persoon 3] en [eiser sub 1], nadat onder zijn leiding het Bouwfonds-bestuur bijna wekelijks over dit duo had vergaderd. Zij vormden het grote hoofdpijndossier van de bank. (…) Het Bouwfondsbestuur vergaderde ook regelmatig over een onderzoek door een departementale inspectiedienst naar [persoon 3]/[eiser sub 1] en de politieke ophef daarover. (…)”

2.5.

Op pagina 2 en 3 van het FD van 14 december 2013 staat een artikel met de titel “Property Finance al voor overname door SNS ontspoord”. In dit artikel staat, voor zover hier van belang:

“Een rode draad in de veranderingen is de onduidelijkheid over het bedrag dat uitstaat bij vastgoedklanten. Dat wekt zorg als het grote omstreden klanten betreft zoals [persoon 3] en diens toenmalige zakenpartner [eiser sub 1]. (…)”

Naast dit artikel is onder de kop “Hoofdrolspelers” een foto van [eiser sub 1] geplaatst met onder meer de tekst “Voormalig zakenpartner van [persoon 3]” en “Betaalt Hakstege in 2004 voor onduidelijke tegenprestaties”.

2.6.

Bij brief van 17 december 2013 heeft de advocaat van [eisers] het Financieele Dagblad verzocht op de voorpagina en op de website van het FD een rectificatie te plaatsen. Bij brief van 19 december 2013 heeft [gedaagde sub 1] de advocaat van [eiser sub 1] mede namens Het Financieele Dagblad medegedeeld dat het FD niet zal overgaan tot rectificatie maar wel bereid is een gesprek te voeren met [eiser sub 1] in het kader van een vervolgpublicatie.

2.7.

Bij brief van 11 januari 2014 heeft de advocaat van [eiser sub 1] [gedaagde sub 1] gesommeerd ervoor te zorgen dat het boek op de kortst mogelijke termijn uit de handel wordt gehaald. Bij brief van 15 januari 2014 heeft [gedaagde sub 1] de advocaat van [eiser sub 1] namens [gedaagden] medegedeeld dat geen gevolg zal worden gegeven aan de sommatie.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert – samengevat –:

1. [gedaagden] te bevelen de nader in het petitum van de dagvaarding omschreven uitlatingen te staken en gestaakt te houden;

2. Primair:

[gedaagden] te bevelen om de publicatie van het boek te staken en gestaakt te houden, met bevel maatregelen te treffen die bevorderlijk en geschikt zijn om de reeds gedistribueerde exemplaren van het boek uit de handel te halen en terug te nemen;

Subsidiair:

[gedaagden] te bevelen om maatregelen te treffen die bevorderlijk en geschikt zijn om ervoor te zorgen dat de reeds gedistribueerde exemplaren van het boek niet meer worden verkocht zonder dat ze zijn voorzien van een inlegvel met daarop een rectificatie;

3. [gedaagden] te bevelen op de voorpagina van het FD een rectificatie te plaatsen;

4. [gedaagden] te bevelen aan alle publicaties over het boek op de websites www.nieuwamsterdam.nl en www.fd.nl de nader in het petitum van de dagvaarding weergegeven tekst toe te voegen;

5. op straffe van verbeurte van een dwangsom;

6. met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

3.2.

[gedaagden] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagden] heeft allereerst aangevoerd dat [eisers] onvoldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen, alsmede dat de zaak niet geschikt is voor behandeling in kort geding.

4.2.

De voorzieningenrechter overweegt daarover het volgende. [gedaagden] heeft niet betwist dat de reputatie van [eisers] door de publicaties is aangetast. Voorts is niet in geschil dat het boek thans nog steeds in de winkels ligt. Hiermee is het spoedeisend belang van [eisers] gegeven. Dat het spoedeisend belang door het tijdsverloop – het boek ligt als sinds december 2013 in de winkels en de artikelen in het FD dateren van 14 december 2013 – zou zijn verdampt, zoals [gedaagden] heeft aangevoerd, volgt de voorzieningenrechter niet. Daarvoor is de verstreken tijd van ongeveer twee maanden te kort. Voorts acht de voorzieningenrechter de zaak voldoende helder om hierover in kort geding te kunnen oordelen.

4.3.

Uitgangspunt is dat de toewijzing van de vorderingen van [eisers] in beginsel een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van [gedaagden] op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van [gedaagden] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van eer of goede naam – in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen.

4.4.

Het belang van [gedaagden] is dat hij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over kwesties van algemeen belang. Het belang van [eisers] is erin gelegen dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan voor hem ongewenste publiciteit. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer moet worden meegewogen in hoeverre de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal.

4.5.

De kern van het geschil gaat om hetgeen in het boek en in verschillende artikelen in het FD van 14 december 2013 over [eisers] naar voren is gebracht. Naar de stelling van [eisers] bevatten het boek en de artikelen in het FD meerdere feitelijke mededelingen en stellingen die geen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal en die, in onderling verband beschouwd, en in de financieel-economische context waarbinnen deze publicaties worden gelezen, onjuist, lasterlijk en onnodig grievend zijn. Het publiceren van dergelijke onjuiste, onnodig grievende en op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen publicaties levert een ontoelaatbare schending op van de eer en goede naam van [eisers] en is derhalve onrechtmatig jegens hem, aldus [eisers]

4.6.

De uitlatingen waar [eisers] zich om te beginnen tegen verzet komen er – kort gezegd – op neer dat hij omstreden zou zijn, dat Bouwfonds gemakkelijk en nonchalant leningen verstrekte en dat hij, samen met [persoon 3], het grote hoofdpijndossier van Bouwfonds vormde. Ter ondersteuning van de uitlatingen in het boek en in de artikelen in het FD heeft [gedaagden] onder meer de volgende producties in het geding gebracht:

Productie 2a: een interview met [eiser sub 1] in Vrij Nederland van 27 maart 2006 waarin, voor zover van belang, staat: “Dat hij samen met [persoon 3] groot is geworden, ontkent [eiser sub 1] niet. ‘Voor een belangrijk deel is dat ook aan mij te danken. We zijn begonnen met beiden een inleg van een paar miljoen en dat is autonoom uitgegroeid tot die grote portefeuille van vijfhonderd miljoen euro, die ik beheerde. Er is daarna nooit, maar dan ook nooit een cent van [persoon 3] bij gekomen. (…) Toen ik in 1993 met [persoon 3] begon, leek er geen vuiltje aan de lucht. (…) Ik heb toen een bevriende notaris met goede contacten bij de politie gevraagd om [persoon 3]’s antecedenten te checken en kreeg toen te horen dat [persoon 3] geen risico was. Dat idee bleef overeind tot hij in 1996 met de gebroeders Driesen op de proppen kwam. (…) (De Driesens, ook bekend als ‘de Daltons’, waren bekenden in het criminele circuit van Breda. Op 20 mei 2001 werden ze doodgeschoten.) (…) ‘Ik nodigde [persoon 3] uit, en ja, dan hoorde Holleder erbij in die dagen. (…) Tussen 1998 en 2000 heb ik Holleder talloze keren gezien. (…) Maar ik zweer je, ik heb met Holleder nooit in het onroerend goed gezeten.’ Hoe zit het dan met die participatie in 1998 waarin Holleder meedeed? ‘Dat ging niet om vastgoed. Het ging om een aantal aandelen van een familiebedrijf dat kort daarna zou worden verkocht. Daar zat een winstmogelijkheid van vijfhonderdduizend euro in. Een zakenrelatie wilde me daarin mee laten doen. In die tijd had ik de afspraak met [persoon 3] dat als de een iets deed, de ander mocht participeren. Maar Wim had me van tevoren niet gezegd dat Holleder ook mee zou doen. (…) Wanneer besloot u een einde te maken aan de relatie met [persoon 3]? ‘Vanaf 1998 zag ik mensen rond [persoon 3] die mij deden vrezen dat het de verkeerde kant op ging. Maar ik zat wel voor vijfhonderd miljoen euro in gezamenlijke vastgoedprojecten. (…) In 2000 hebben we de laatste transactie gedaan, in 2001 is die afgewikkeld. (…)”

Productie 3: Een aantal pagina’s uit het jubileumboek ‘Dutch Link’ dat in 2003 bij gelegenheid van het tienjarig bestaan van Bouwfonds is uitgegeven. Hierin staat, voor zover relevant, het volgende: “[John Simons, voormalig voorzitter van de Raad van Bestuur van Bouwfonds:, vzr.]: 50 miljoen in 5 minuten “Dat kón ook! Samen met Cees Hakstege zaten we natuurlijk van onze kruin tot onze tenen in die vastgoedwereld. We kenden de partijen, we kenden de risico’s, we kenden de locaties. (…) [Cees Hakstege, voormalig voorzitter van de Raad van Bestuur van Bouwfonds:, vzr.]Dat is ook precies de filosofie geworden. Wij bekeken het project als volgt: als de klant omvalt is het project ‘feasable’ voor ons. En dat is heel anders dan een bancaire benadering. Wij gaan uit van de combinatie project + klant, en dat ook in die volgorde. (…) [Chris Zachariasse, vastgoedondernemer; vzr.]De insteek was: als je een goed project voor 70 procent kunt financieren, kun je dat eigenlijk ook voor de volle 100 procent. (…) Waterford/Bouwfonds hebben we tijdens een biertje in Washington bezegeld met het ‘Tuitknakakkoord’: op de achterkant van de Hajenius sigarendoos van John Simons. Tekenend voor de kwaliteit en intensiteit van de onderlinge relatie. (…) [Bert van Stek, vastgoedondernemer, vzr.] “Ik herinner het mij nog als de dag van gisteren. Het was op de MIPIM in Cannes. In nog geen twintig minuten tijd zetten Bertus Pijper [voormalig directeur van Bouwfonds, vzr.] en ik de uitgangspunten voor de financiering van het winkelproject Parque Principado in Oviedo op zo’n vierkant geel velletje Post-It papier. We schudden elkaar de hand, de deal was rond. Goed voor een equity financiering van een miljoen of tien. (…) [Joop Koster, vastgoedondernemer, vzr.] BPF had precies 5 minuten nodig voor de projectfinanciering. Zelf had ik 10 minuten nodig: 5 voor de aankoopbeslissing en 5 om de aanbetaling te regelen. Een kwartier voor een werelddeal! (…)”

Productie 4: Het proces-verbaal van politie van 4 januari 2002, dat betrekking heeft op [persoon 3] en [eiser sub 1], die worden verdacht van valsheid in geschrift of oplichting in verband met zakelijke vastgoedtransacties. Ook is de verdenking gerezen dat medewerker(s) van het Bouwfonds zich hebben schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking. In het proces-verbaal staat onder meer het volgende: Relatie Bertus Pijper – [persoon 3]/[eiser sub 1]: Uit de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken van [persoon 3] is gebleken dat hij veelvuldig contact heeft met [eiser sub 1]. Uit de gesprekken komt naar voren dat [eiser sub 1] een nauwe relatie onderhoudt met Bertus Pijper. (…) De gesprekken wijzen uit dat Pijper met de verdachten [persoon 3] en [eiser sub 1] zakelijke transacties afsluiten. (…) Relatie BPF [Bouwfonds, vzr.] en [persoon 3]/[eiser sub 1]: Uit de gesprekken (…) komt naar voren dat [persoon 3] en [eiser sub 1] een limiet van ieder 300 miljoen hebben bij het Bouwfonds. (…) Uitv de gesprekken rondom de limieten kan worden opgemaakt dat zij tot ene bepaald maximum geld kunnen lenen bij het Bouwfonds zonder dat er kennelijk hypothecaire zekerheden tegenover staan (…) World Fashion center (…) Opvallend is een gesprek wat een collega genaamd Marseille (…) had met een medewerker bij het Bouwfonds. In dit gesprek (…) zou het onderwerp hypotheekfraude ter sprake zijn gekomen. Er zou tegen Marseille zijn gezegd een duidelijk voorbeeld te kennen van witwassen. Als voorbeeld: “Ene heer [persoon 3], die aanvang 2000 het confectiecentrum zou hebben gekocht voor circa 219.000.000,- om het daarna door te stoten met 90.000.000,- winst. Volgens hem zou er duidelijk sprake zijn van witwassen”

Productie 5: Hoofdstuk 8 van ‘Het rapport van de Evaluatiecommissie Nationalisatie SNS Reaal’ van R.J. Hoekstra en J.M.G. Frijns waarin onder meer is opgenomen:

“Op donderdag 26 augustus 1999 was er een persconferentie van de voorzitter van de raad van bestuur van ABN Amro (…) en de bestuursvoorzitter van Bouwfonds (…) Hakstege. Zij maakten de overname van Bouwfonds door ABN Amro bekend. (…) Vanaf dat moment tot het moment waarop ABN Amro deze ‘kip met gouden eieren’ in 2006 in de etalage zette, speelden enkele integriteitskwesties rond cliënten van Bouwfonds en meer in het bijzonder van Property Finance. (…) Op woensdag 9 januari 2002 voerde het Openbaar Ministerie een huiszoeking uit bij Bouwfonds (…) De huiszoeking was onderdeel van een onderzoek met de codenaam ‘Buizerd’. (…) De zoekactie was gericht op twee vastgoedhandelaren. De Amsterdamse vastgoedhandelaar (…) [persoon 3], die samen met zijn toenmalige zakenpartner (…) [eiser sub 1] de aandacht had getrokken van het Openbaar Ministerie. (…) Parallel hieraan liep ook een onderzoek van De Nederlandsche Bank bij Bouwfonds. (…) De uitkomsten van het onderzoek waren niet mals. Bij Bouwfonds ontbrak een onafhankelijke, centrale compliance-functie. Gedocumenteerde risicoanalyses waren niet voorhanden. Er was geen centraal geformuleerd beleid ter beheersing van integriteitsrisico’s bij klanten. (…)”

Productie 6: Een uittreksel van de relevante delen van de notulen van de Raad van Bestuur van Bouwfonds uit de periode 1998-2003, waarin onder meer is opgenomen:

6] 12 mei 1998: (…) Naar aanleiding hiervan merkt dhr. Hakstege op het niet juist te vinden dat hij door de staatssecretaris erop wordt aangesproken dat er op aanvraag een recherche-rapport van VROM beschikbaar is over [eiser sub 1], terwijl naderhand blijkt dat dit rapport al in huis is (…)

8] 12 mei 1998: (…) N.a.v. het gesprek met VROM inzake de verkoop van de aandelen Interim B.V. [een vennootschap waarbij [persoon 3] en [eiser sub 1] betrokken zijn, vzr.] meldt dhr. Simons dat het VROM bevreemdt dat we geen bonafiditeitsonderzoek doen naar de achtergronden van zakelijke relaties. (…)

10] 19 mei 1998: (…) Aangezien dhrn. [eiser sub 1]/[persoon 3] onlangs wederom in opspraak zijn geraakt en Bouwfonds door de persberichten kan worden geassocieerd met vermeende onzuivere praktijken van deze heren (…) De recente persberichten vormen echter aanleiding om vooralsnog geen nieuwe aanvragen van deze heren in behandeling te nemen totdat een antecedentenonderzoek door De Haarlemsche heeft plaatsgevonden. (…)

11] 26 mei 1998: (…) uiteraard ook voor Financiering Vastgoed geldt dat hangende het antecedentenonderzoek geen zaken worden gedaan met de heren [eiser sub 1] en [persoon 3]. (…)

14] 14 juli 1998: (…) staat er naar verwachting in totaal ca. f200 mln. uit bij de heren [persoon 3] en [eiser sub 1]. In afwachting van de definitieve besluitvorming worden geen nieuwe financieringen meer verstrekt aan beide heren.

24] (Januari 1999): (…) Uitgangspunt zal zijn dat Bouwfonds, gelet op de publiciteit rondom Groningen, de opmerkingen vanuit het ministerie en de toekomstige eisen rondom de bankstatus , niet wil dat dhrn. [eiser sub 1] en Entstra een al te grote positie innemen. (…)

26] RvB 99.04.01, 19 januari 1999: (…) Dhr Reijrink zet uiteen dat Bouwfonds ca. 40% van de activiteiten van de genoemde heren [[persoon 3] en [eiser sub 1], vzr.] financiert en daarmee hun grootste geldgever is. Omdat de negatieve publiciteit zich beperkt tot dhr. [persoon 3] , valt te overwegen alleen [eiser sub 1] als debiteur op te laten treden. (…)

41] 6 februari 2001: (…) ‘ N.a.v. de geuite zorg van de heer Schweitzer over de reputatie van de dhr. [eiser sub 1] zal dhr. Reijrink aan de hand van het grote postenoverzicht de gegoedheid van de klanten van Bouwfonds aan AA [ABN Amro, vzr.] toelichten.’ (…)

42] 17 april 2001: (…) Op basis van het nieuwe voorstel is wel besloten de aanvragen van [eiser sub 1] en [persoon 3] doorgang te laten vinden. (…)

62] Concept-notulen 10 december 2002: (…) Dhr. Rutgers heeft (…) BPF deze week geïnformeerd over het gesprek dat de RvB met dhr. H. [[eiser sub 1], vzr.], zakenrelatie van dhr. E. [[persoon 3], vzr.] heeft gevoerd, leidend tot de aanvankelijke conclusie dat deze relatie kan worden voortgezet omdat dhr. H zijn zakelijke contacten met dhr. E ontvlecht. De top van BPF vindt de timing van het besluit tot voortzetting van de relatie met dhr. E (met de hand gewijzigd in H.) vanwege het rumoer in de markt (…) niet juist . In overleg met BPF is besloten de zakelijke contacten op te schorten totdat

- Het dossier van het OM is afgelegd;

- Er transparantie is in de afwikkeling van de winstdelingsregeling m.b.t. de AAOG-portefeuille

- Er meer zicht is op de ontvlechting van zijn zaken met dhr. E. (…)

65] 18 maart 2003: (…) Mede op verzoek van de RvB zal dhr. Verweijmeren aandacht schenken aan de slechts geleidelijke daling van de positie van dhr. [persoon 3] en de stand van zaken van de ontvlechting tussen de debiteuren [eiser sub 1] en [persoon 3].’ (…)”

Productie 10: Een drietal pagina’s met (concept) alinea’s uit het boek, met daarop (handgeschreven) opmerkingen van [eiser sub 1].

4.6.1.

Gezien de onder 4.6 weergegeven producties, waarvan [eisers] de juistheid niet heeft betwist, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de uitlatingen in het boek en in de artikelen in het FD voldoende steun vinden in het op dat moment beschikbare feitenmateriaal. Uit dit materiaal volgt dat [eiser sub 1] jarenlang zakenpartner was van wijlen [persoon 3], die sinds 2002 publiekelijk bekend staat als ‘bankier van de onderwereld’, en dat zowel [persoon 3] als [eiser sub 1] verdacht zijn geweest van valsheid in geschrift of oplichting in verband met zakelijke vastgoedtransacties (de zgn. ‘Buizerd-zaak’). Uit dit materiaal volgt tevens dat de raad van bestuur van Bouwfonds regelmatig over ‘de in opspraak geraakte’ [persoon 3] en [eiser sub 1] heeft vergaderd en de financiering aan [persoon 3] en [eiser sub 1] zelfs (tijdelijk) heeft stopgezet. Dat [gedaagden] dit heeft gekwalificeerd als ‘omstreden’, waarbij niet zonder meer duidelijk is of ‘omstreden’ ziet op zowel [persoon 3] als [eiser sub 1] of alleen op [persoon 3], en de suggestie heeft gewekt dat [eisers] een dubieuze en/of bedenkelijke zakelijke reputatie zou hebben (gehad) en dubieuze vastgoedtransacties via Bouwfonds zou hebben gefinancierd, kan tegen die achtergrond niet als feitelijk onjuist of onnodig grievend worden aangemerkt. De door [eisers] als producties 7a en 7b in het geding gebrachte brieven van Bouwfonds – een aanbevelingsbrief en een bedankbrief – maken dit niet anders. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat [gedaagden] terecht heeft aangevoerd dat de uitlatingen zien op het verleden, op de periode dat [eiser sub 1] en [persoon 3] nog samenwerkten. Hoewel aan [eisers] kan worden toegegeven dat het zorgvuldiger was geweest indien de woorden ‘destijds omstreden’ waren gebruikt, wordt dit bij de beoordeling onvoldoende relevant geacht nu dit een subtiel verschil betreft en uit de context waarin de betreffende uitlatingen zijn gedaan kan worden begrepen dat deze zien op het verleden. De belangenafweging zoals onder 4.3 bedoeld valt dan ook in het voordeel uit van [gedaagden], zodat deze uitlatingen niet onrechtmatig kunnen worden geacht.

4.6.2.

De uitlatingen die er op neer komen dat Bouwfonds gemakkelijk en nonchalant leningen verstrekte vinden eveneens voldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal. Immers, uit dit materiaal volgt dat er sinds 1999 enkele integriteitskwesties speelden bij Bouwfonds en meer in het bijzonder bij Property Finance en dat bij Bouwfonds een onafhankelijke, centrale compliance-functie ontbrak, gedocumenteerde risico-analyses niet voorhanden waren en er geen centraal geformuleerd beleid was ter beheersing van integriteitsrisico’s bij klanten. Tevens volgt uit dit materiaal dat er gemakkelijk kredieten werden verstrekt. Voorts is algemeen bekend dat het gemakkelijk verstrekken van kredieten één van de belangrijkste redenen is geweest voor de nationalisatie van SNS Reaal. In het licht hiervan kan niet worden gezegd dat de door [gedaagden] terzake gedane uitlatingen lichtvaardig zijn gedaan. Reeds om deze reden worden deze uitlatingen niet onrechtmatig geacht, zodat de belangenafweging zoals onder 4.3 bedoeld ook hier in het voordeel uitvalt van [gedaagden] De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat in het boek in het algemeen wordt gesproken over het nonchalant financieren van vastgoed door Bouwfonds en dat [eiser sub 1] en [persoon 3] daarvan als sprekende voorbeelden worden genoemd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan ook dit niet als lichtvaardig of onnodig grievend worden aangemerkt.

4.6.3.

In het boek staat voorts dat het onderwerp [persoon 3]/[eiser sub 1] voortdurend terugkeert in de bestuursnotulen van Bouwfonds, dat geen enkele schuldenaar zo vaak wordt besproken als het duo [persoon 3] en [eiser sub 1] en dat er wekelijks bezorgd over hen wordt vergaderd. Voorts worden [persoon 3] en [eiser sub 1] in het FD van 14 december 2013 het ‘grote hoofdpijndossier’ van Bouwfonds genoemd. Ook deze uitlatingen vinden voldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal. Hieruit volgt immers dat de raad van bestuur van Bouwfonds met grote regelmaat heeft vergaderd over [persoon 3] en [eiser sub 1] en aan hen gelieerde partijen. In deze vergaderingen ging het niet alleen om aan hen verleende kredieten, maar ook over de zorgen die begonnen te ontstaan over integriteitskwesties. In het licht hiervan kan niet worden gezegd dat de door [gedaagden] gedane uitlatingen en kwalificaties (‘zorgelijk’, ‘hoofdpijndossier’) lichtvaardig zijn gedaan. Dit leidt dan ook wederom tot de conclusie dat de hiervoor onder 4.3 genoemde belangenafweging in het voordeel van [gedaagden] uitvalt en dat ook deze uitlatingen niet onrechtmatig jegens [eisers] zijn.

4.8.

[eisers] heeft ook nog bezwaar gemaakt tegen de suggestie dat hij betalingen zou doen met zwart geld, of zou meewerken aan het witwassen van zwart geld. In het boek staan hierover de volgende passages: “[persoon 3] en [eiser sub 1] staan bij Bouwfonds goed aangeschreven, want ze lossen veel af. Over de herkomst van dat geld stelt Bouwfonds geen vragen.” en “Daarin zegt een geanonimiseerde medewerker van Bouwfonds tegen een opsporingsambtenaar dat hij ‘een duidelijk voorbeeld van witwassen’ kent: ‘Ene heer [persoon 3], die aanvang 2000 het Confectiecentrum zou hebben gekocht voor circa 219 miljoen gulden om het daarna door te stoten met 90 miljoen gulden winst.’ Waarom dat witwassen zou zijn en niet gewoon een winstgevende deal laat het dossier overigens in het midden.” De laatste passage betreft een citaat uit het proces-verbaal van 4 januari 2002. Anders dan [eisers] stelt heeft [gedaagden] in het boek juist zijn vraagtekens gezet bij de beschuldiging door de medewerker van Bouwfonds van witwassen en kan niet worden gezegd dat [gedaagden] de suggestie wekt dat [eisers] betalingen zou doen met zwart geld of mee zou werken aan het witwassen van zwart geld. In de passage ‘over de herkomst van dat geld stelt Bouwfonds geen vragen’ wordt slechts geconstateerd dat Bouwfonds op dit punt niet erg kritisch was. Deze constatering vindt voldoende steun in de feiten. Dat [gedaagden] in het boek heeft geschreven dat de moord op [persoon 3] de oorzaak was of kon zijn van de beëindiging van het strafonderzoek (Buizerd) en dat de zaak tegen [eiser sub 1] om die reden is geseponeerd kan evenmin als onrechtmatig worden aangemerkt. Niet is in geschil dat [eiser sub 1] als verdachte is aangemerkt in de Buizerd-zaak. Uit de door [eisers] als productie 8b overgelegde toelichting van Officier van Justitie J.H. Tonino op de sepot-brief van 8 juni 2005 volgt dat er weliswaar voldoende bewijs aanwezig is voor een mogelijke veroordeling, maar dat gelet op het inhoudelijke verwijt dat [eiser sub 1] te maken is een beleidssepot in de rede ligt en dat hierbij uitdrukkelijk rekening is gehouden met de veranderingen die er binnen de bedrijfsvoering van [eiser sub 1] zijn doorgevoerd. [gedaagden] heeft onbetwist gesteld dat [persoon 3] de belangrijkste verdachte was in de Buizerd-zaak en dat met zijn dood het belang van de Buizerd-zaak minder werd. Dat [gedaagden] in het boek heeft geschreven dat Tonino met de veranderde omstandigheden duidde of kan duiden op de moord van [persoon 3] kan tegen die achtergrond niet lichtvaardig worden geacht. Dit geldt temeer nu in de toelichting van Tonino staat dat er wel voldoende bewijs tegen [eiser sub 1] aanwezig is voor een mogelijke veroordeling. Hoewel uit het feitenmateriaal niet zonder meer volgt dat het strafonderzoek noodgedwongen is beëindigd omdat [persoon 3] is doodgeschoten, wordt dit voorts, mede gelet op het voorgaande, voor de beoordeling onvoldoende relevant geacht. Dit betekent dat ook deze uitlatingen niet onrechtmatig jegens [eisers] zijn.

4.9.

Ten aanzien van het bezwaar van [eisers] dat de suggestie is gewekt dat hij een hoofdrolspeler is bij de ontsporing van Bouwfonds Property Finance en daarmee een belangrijke oorzaak is van de ondergang van SNS Reaal overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De uitlatingen hierover in het boek, die er kort gezegd op neerkomen dat de aankoop van Bouwfonds Property Finance door SNS Reaal de (belangrijkste) reden is geweest voor de ondergang van SNS Reaal, zien op Bouwfonds in het algemeen, waarbij de rol van [eiser sub 1] als een van de belangrijkste klanten van Bouwfonds als voorbeeld wordt opgevoerd van de wijze waarop bij Bouwfonds zaken werd gedaan. Het valt binnen de journalistieke (uitings)vrijheid van [gedaagden] om dit, op een deugdelijke feitelijke grondslag gebaseerde, voorbeeld te gebruiken.

4.10.

Bij de afweging van belangen, zoals hiervoor bedoeld, heeft de voorzieningenrechter mede betrokken dat [eiser sub 1] tot op zekere hoogte een publiek figuur is, omdat hij eerder in de publieke belangstelling heeft gestaan. Publieke figuren moeten zich meer laten welgevallen dan personen voor wie dat niet geldt. Bij de afweging van belangen is voorts betrokken dat [gedaagden] een kwestie van algemeen belang aan de orde heeft willen stellen, namelijk het nationaliseren van de systeembank SNS Reaal en het functioneren van financiële instellingen in het licht van integriteitskwesties. Deze omstandigheden brengen mee dat er een publiek belang is om op de hoogte te worden gebracht van (de achtergrond van) die nationalisatie. Dat met de publicaties de reputatie van [eisers] zal zijn aangetast, wordt in de eerste plaats veroorzaakt door zijn handelen van destijds in deze kwestie, waarvoor hij zelf de verantwoordelijkheid draagt en waarvan de publicaties slechts een weerslag vormen. Gelet op het beschikbare feitenmateriaal en de wijze waarop door [gedaagden] is bericht, kan bij een nadere beschouwing van alle relevante omstandigheden het belang van [eisers] daarom in dit geval niet de doorslag geven.

4.11.

[eisers] heeft tot slot aangevoerd dat geen sprake is geweest van waarachtig hoor en wederhoor. [gedaagden] heeft dit betwist en aangevoerd dat [gedaagde sub 1] in de periode van 29 januari 2013 tot 30 oktober 2013 in vijf etappes informatie en conceptteksten aan [eiser sub 1] heeft voorgehouden, waarop [eiser sub 1] commentaar heeft gegeven. Dit commentaar is volgens [gedaagden] ook in het boek verwerkt. [eisers] heeft dit betwist en gesteld dat hij slechts 2,5 pagina ter inzage heeft gekregen en dat hij in de meeste voor hem relevante passages geen inzage heeft gekregen. De voorzieningenrechter overweegt dat, anders dan [eisers] lijkt te veronderstellen, geen absoluut recht op wederhoor bestaat. Het enkele feit dat volgens [eisers] geen sprake is geweest van waarachtig wederhoor, hetgeen door [gedaagden] is betwist, betekent derhalve niet dat de rechtmatig bevonden uitlatingen in het boek en in de artikelen in het FD daardoor onrechtmatig worden. Verder volgt uit al het voorgaande dat de uitlatingen van [gedaagden] voldoende steun vinden in de feiten. Waar een wederhoor, zoals door [eisers] verlangd, toe zou hebben geleid is dan ook niet duidelijk. Daar komt bij dat [gedaagden] [eisers] alsnog in de gelegenheid heeft gesteld zijn visie op de uitlatingen te geven (zie 2.6), maar dat hij van die gelegenheid geen gebruik heeft willen maken. De slotsom is dan ook dat alle vorderingen van [eisers] zullen worden afgewezen.

4.12.

[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht € 608,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal €  1.424,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 1.424,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. S. van Excel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2014.1

1 type: coll: