Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8745

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
3204006 CV EXPL 14-18665
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een door een werving- en selectiebureau uit eigen beweging geïntroduceerde kandidaat wordt door gedaagde aangenomen. Bij gebreke van een overeengekomen vergoeding en aanknopingspunten voor een gebruikelijk tarief, stelt de kantonrechter zelf een redelijke vergoeding vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer \ rolnummer: 3204006 CV EXPL 14-18665

Uitspraak: 19 december 2014

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PAGE INTERIM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiser,

gemachtigde mr. A.J.W. van Elk te Haarlem,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTERCOAT NEDERLAND B.V.,

statutair gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudende te Vianen,

gedaagde,

gemachtigde mr. W.G.M. Hazewindus.

Partijen zullen hierna Page en Intercoat worden genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding van Page van 20 juni 2014, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van Intercoat, met producties.

Ingevolge tussenvonnis van 4 september 2014 heeft op 21 november 2014 een bijeenkomst van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal hiervan bevindt zich bij de stukken.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1.

Page is een werving- en selectiebureau dat zich richt op verschillende sectoren. Intercoat is een bedrijf dat zich bezig houdt met het vervaardigen van damesjassen. Intercoat heeft eind december 2013 op de website www.fashionunited.nl een vacature geplaatst voor een (tijdelijke) boekhouder / controller.

1.2.

Naar aanleiding van de vacature heeft [naam 1], bij Page in dienst als [functie] (hierna: [naam 1]), per e-mail van 23 december 2012 aan [naam 2] van Intercoat (hierna: [naam 2]) het c.v. van een mogelijk interessante kandidaat gestuurd. In de begeleidende e-mail schrijft [naam 1] onder meer het volgende:

‘Allereerst bedankt voor jou tijd en het leuke gesprek, hierbij stuur ik wat informatie toe en vrijblijvend een kandidaat die ik onlangs heb gesproken.(…)

Page Personnel is gespecialiseerd in het werven & selecteren en uitzenden van personeel op het gebied van o.a. Finance & Accounting.

Wij werken op no cure, no pay basis waardoor u vrijblijvend kandidaten kunt uitnodigen. Ons standaardtarief voor werving & selectie is 22,5% van het bruto jaarloon.’

1.3.

Bij e-mail van 22 januari 2014 heeft [naam 1] aan [naam 2] gevraagd of Intercoat al een juiste kandidaat voor de functie had gevonden. In diezelfde e-mail heeft [naam 1] het c.v. van [kandidaat] (hierna: [kandidaat]) bij [naam 2] onder de aandacht gebracht en hem gewezen op de jarenlange ervaring van [kandidaat] boekhouder en zijn affiniteit met de modebranche. [naam 2] heeft daarop geantwoord dat hij dit c.v. wel interessant vond. Vervolgens heeft [kandidaat] op 29 januari 2014 een sollicitatiegesprek gehad voor de functie.

1.4.

Tussen Page en Intercoat is verschil van mening ontstaan over de hoogte van de vergoeding die Intercoat aan Page verschuldigd zou zijn, ingeval zij zou besluiten [kandidaat] aan te nemen. Intercoat heeft zich op het standpunt gesteld dat een vergoeding van € 2.000,- redelijk is, Page is van mening dat er een hogere vergoeding verschuldigd is. Uiteindelijk zijn partijen niet tot overeenstemming gekomen over de hoogte van de vergoeding.

1.5.

Intercoat heeft [kandidaat] met ingang van 16 februari 2014 in dienst genomen. Intercoat heeft tot op heden geen vergoeding aan Page betaald voor de introductie van [kandidaat].

Vordering en verweer

2. Page vordert dat de kantonrechter Page bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt tot betaling van € 11.290,75 (inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der dagvaarding, de proceskosten en de nakosten, die kosten bij niet tijdige betaling te vermeerderen met de wettelijke rente.

3. Intercoat voert gemotiveerd verweer tegen de vordering. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Beoordeling

4. Tussen partijen is niet in geschil dat tussen hen een bemiddelingsovereenkomst tot stand is gekomen die Page aanspraak geeft op een vergoeding voor de introductie van [kandidaat]. Partijen twisten alleen over de hoogte van de vergoeding: Page vordert een vergoeding van € 9.331,20 (exclusief 21% btw), Intercoat is van mening dat zij gelet op de beperkte werkzaamheden van Page niet meer dan € 2.000,- (inclusief 21% btw) voor haar diensten hoeft te betalen.

5. Vaststaat dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst geen overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de verschuldigde vergoeding. Artikel 7:405 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt in een zodanig geval dat de opdrachtgever alsdan het op de gebruikelijke wijze berekende loon verschuldigd is of, bij gebreke daarvan, een redelijk loon.

6. Page heeft primair gesteld dat het percentage van 22,5% van het bruto jaarloon een gangbare en gebruikelijke vergoeding is voor de geleverde diensten en vordert daarom betaling van dit gebruikelijke loon. Intercoat heeft in reactie op deze stelling aangevoerd dat dit standaard ‘no cure no pay’ tarief gebruikelijk is voor een allesomvattende werving- en selectieopdracht, maar niet één op één kan worden toegepast op deze situatie, waarbij Page alleen - ongevraagd - het c.v. van een kandidaat heeft aangedragen en Intercoat een groot deel van de werving- en selectiewerkzaamheden - het opstellen van de vacature, adverteren en het bestuderen van c.v.’s - zelf heeft uitgevoerd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Page tegenover dit verweer onvoldoende onderbouwd dat het door haar genoemde tarief inderdaad - ook in dit specifieke geval - als een gebruikelijk loon kan worden beschouwd voor het werk dat zij in het kader van de introductie van [kandidaat] heeft verricht. Aldus zal bij gebreke van voldoende aanwijzingen voor een gebruikelijk loon, moeten worden beoordeeld wat een redelijke vergoeding voor het verrichte werk is.

7. De kantonrechter overweegt in dit laatste verband dat de stelling van Intercoat dat Page slechts een c.v. heeft opgestuurd niet (volledig) opgaat, aangezien Page hiertegenover gemotiveerd heeft gesteld - en Intercoat onvoldoende heeft weersproken - dat aan het opsturen van het c.v. van [kandidaat] een hoeveelheid werk is voorafgegaan; Page heeft immers geadverteerd om geschikte professionals te werven, gesprekken gevoerd met [kandidaat] en zijn c.v. en referenties gecontroleerd. Anderzijds heeft Page niet (voldoende) gesteld - en is ook niet gebleken - dat Page in dit geval buiten de twee door haar geïntroduceerde kandidaten (onder wie [kandidaat]) nog naar andere kandidaten voor de vacature van Intercoat heeft gezocht. Evenmin is gesteld of gebleken dat Page na de (succesvolle) introductie van [kandidaat] nog andere werkzaamheden voor Intercoat heeft verricht, zoals bijvoorbeeld het opstellen van arbeidsvoorwaarden. De kantonrechter is al met al van oordeel dat een vergoeding ter hoogte van de helft van het door Page genoemde tarief in dit geval een redelijke vergoeding voor het door haar verrichte werk is. Dit komt neer op een vergoeding van € 5.626,50 (inclusief 21% btw) Dit bedrag zal, zoals is gevorderd en niet is bestreden, worden vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf de dag der dagvaarding (20 juni 2014).

8. Hoewel Intercoat in dit geding ook deels in het gelijk is gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding om Intercoat toch in de proceskosten te veroordelen. Daartoe wordt overwogen dat Intercoat Page voor een voldongen feit heeft gesteld door [kandidaat] aan te nemen, terwijl er nog geen overeenstemming was bereikt over het daarvoor aan Page te betalen tarief. Daarmee heeft Intercoat welbewust het risico genomen dat Page juridische stappen zou ondernemen. Verder weegt mee dat Intercoat, hoewel zij steeds heeft erkend een vergoeding aan Page verschuldigd te zijn voor de introductie van [kandidaat], tot op heden niets aan Page heeft betaald, ook niet het door haar als redelijk beschouwde bedrag van € 2.000,- (inclusief 21% btw). Nu Intercoat aldus Page heeft genoodzaakt tot het starten van een gerechtelijke procedure, is het redelijk dat zij de kosten daarvan draagt. Die proceskosten worden aan de zijde van Page begroot op € 81,44 aan explootkosten, € 462,- aan griffierecht en € 400,- aan salaris gemachtigde (2 punten x liquidatietarief € 200,-), aldus in totaal: € 943,44. Ook wordt Intercoat veroordeeld in de nakosten, begroot zoals hierna weergegeven.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt Intercoat tot betaling aan Page van een bedrag van € 5.626,50 (inclusief 21% btw), dit totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 20 juni 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Intercoat in de proceskosten, aan de zijde van Page tot op heden begroot op € 943,44 en in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris gemachtigde; indien betekening van het vonnis plaatsvindt, worden de nakosten vermeerderd met € 68,- aan salaris gemachtigde en de explootkosten van de betekening van de uitspraak;

bepaalt dat indien de bovengenoemde kosten niet binnen 14 dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan, deze worden vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de 15e dag na betekening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. R. Raat, kantonrechter, bijgestaan door mr. A. Vogelaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2014.

De griffier De kantonrechter

*