Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8741

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
22-12-2014
Zaaknummer
13/654003-14 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot drie jaar celstraf voor zware mishandeling in coffeeshop met de dood tot gevolg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654003-14 (Promis)

Datum uitspraak: 22 december 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te[woonplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1960,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 4 april 2014, 27 juni 2014, 30 juni 2014 en 8 december 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.M. Smits en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. B.L.M. Ficq naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 8 december 2014 – ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 03 januari 2014 te Amsterdam opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg) met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in het (linkerboven)been gestoken en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair:

hij op of omstreeks 03 januari 2014 te Amsterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een steekwond in het (linkerboven)been en/of een doorsnijding van de uitwendige bekkenslagader van het (linkerboven)been), heeft toegebracht, door opzettelijk met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in het (linkerboven)been te steken en/of te snijden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Inleiding

Uit het dossier en wat ter zitting is besproken, leidt de rechtbank het volgende af.

Op 3 januari 2014 omstreeks 11.22 uur heeft de politie een melding gekregen dat er op de Oudezijds Voorburgwal zou zijn geschoten en dat er iemand op straat zou liggen. Ter plaatse zagen de verbalisanten in de ingang van de coffeeshop een plas bloed liggen en daarin een man die op zijn buik lag. De man leefde en keek om zich heen. Hij reageerde echter niet toen hij werd aangesproken. Verbalisant[verbalisant 2] heeft verdachte, die ter plaatse aanwezig was, gevraagd wat er was gebeurd. Hierop antwoordde verdachte: “Ik kom net naar werk. Ik zag mijn neef zo op de grond liggen en heb 112 gebeld. Ik werk hier in de coffeeshop en zou samen met mijn neef werken.”

Het slachtoffer is naar het ziekenhuis gebracht en is daar rond 12.30 uur overleden. Bij sectie werd als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend scherprandig perforerend geweld een steekwond aan de buiten/achterzijde van het linker bovenbeen gevonden. Deze steekwond had een steekkanaal van circa 13 centimeter van buiten/achterwaarts naar voor/middenwaarts dwars door het bovenbeen. In het steekkanaal was de bekkenslagader doorgesneden.

Verdachte heeft op het politiebureau – toen (nog) als getuige gehoord – wederom verklaard dat zijn neef op de grond lag toen hij de coffeeshop binnenging. Wanneer uit de camerabeelden van de gemeente en de naastgelegen coffeeshop blijkt dat, tussen het moment dat het slachtoffer de coffeeshop binnenging en het moment dat verdachte arriveerde, niemand anders de coffeeshop in of uit is gegaan en in de coffeeshop een mes op de tas van verdachte wordt aangetroffen, wordt verdachte aangehouden. In het verhoor dat daarop volgde, heeft verdachte verklaard dat hij op advies van zijn advocaat niets wilde zeggen, behalve dat hij bij zijn eerdere verklaring blijft. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat zijn eerste verklaring niet klopt en dat hij nu graag het echte verhaal wil vertellen. De hierop volgende verklaringen van verdachte komen kort samengevat op het volgende neer. Het slachtoffer was nog niet gewond toen verdachte de coffeeshop binnenging. Het slachtoffer was bezig met het veranderen van de positie van de spotjes boven de bar en riep verdachte, die een mes in zijn hand had in verband met het snijden van hasj, bij zich om te vragen of hij het mooi vond. Vervolgens wilde het slachtoffer van de ene kruk op de andere overstappen, waarbij hij zijn balans verloor. Het slachtoffer viel op verdachte af en in een fractie van een seconde probeerde verdachte hem vast te pakken of misschien te voorkomen dat hij zou vallen. Verdachte had op dat moment het mes echter nog in zijn hand. Vervolgens viel zijn neef op de grond en riep “au, au, mijn been, je hebt me in mijn been gestoken”, aldus verdachte.

In de coffeeshop heeft de politie een mes aangetroffen met een lemmet van circa 15 centimeter en circa 3 centimeter breed. Volgens verdachte is dit het mes waarmee het slachtoffer is verwond.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte het slachtoffer een steekverwonding heeft toegebracht als gevolg waarvan het slachtoffer is komen te overlijden. De vraag is echter of de steekverwonding opzettelijk is toegebracht of het gevolg is van een noodlottig ongeval.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

Op grond van de in het requisitoir genoemde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte het slachtoffer opzettelijk een steekverwonding heeft toegebracht waaraan het slachtoffer is komen te overlijden. De verklaringen van verdachte zijn innerlijk tegenstrijdig en ongeloofwaardig en moeten daarom terzijde worden geschoven. Het handelen van verdachte kan niet anders worden uitgelegd dan dat hij de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer bewust heeft aanvaard. Nu het voorwaardelijk opzet op de dood kan worden bewezen, moet verdachte voor de ten laste gelegde doodslag worden veroordeeld.

4.3

Het standpunt van de verdediging

Verdachte moet worden vrijgesproken van al hetgeen hem ten laste is gelegd, nu niet kan worden bewezen dat hij het slachtoffer opzettelijk – ook niet in voorwaardelijk zin – heeft gestoken.

Subsidiair heeft de raadvrouw ten aanzien van de ten laste gelegde doodslag aangevoerd dat, indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte wel (voorwaardelijk) opzet op het steken zou hebben gehad, de zaak dient te worden aangehouden om een traumatoloog te ondervragen over de aanmerkelijke kans op de dood door een messteek op de plek waar het slachtoffer is gestoken.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Voordat de rechtbank uiteenzet welke in de wettige bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden zij redengevend acht voor het bewijs, zal zij ingaan op het verweer van de verdediging dat geen sprake is van opzet.

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte het slachtoffer een steekverwonding heeft toegebracht als gevolg waarvan het slachtoffer is komen te overlijden. Het steekwapen betrof een mes met een lemmet van 15 centimeter lang. Het slachtoffer is geraakt in het linker bovenbeen, buiten/achterwaarts.

Uit het deskundigenrapport dat is opgemaakt op 20 mei 2014 door forensisch arts Van Venrooij blijkt het volgende. De vorm en diepte van de steekwond worden bepaald door een groot aantal factoren, zoals de specifieke eigenschappen van het veroorzakende voorwerp, de richting, kracht en snelheid van de beweging waarmee de geweldsinwerking plaatsvindt en de lokalisatie op het lichaam. Vervolgens wordt dan de maximale lengte van de huidperforatie afgezet tegen de maximale breedte van het lemmet en wordt voorts de lengte en het verloop van het steekkanaal bezien. Hieruit leidt de deskundige af dat de snijdende bewegingscomponent bij de in- en uitgaande beweging waardoor de steekwond in het been werd veroorzaakt, kan worden aangemerkt als relatief gering. De geringe bijkomende bijdrage van de snijdende bewegingscomponent aan de huidwondlengte past bij een opeenvolging van bewegingen waarbij de ingaande en de uitgaande beweging van een lemmet langs nagenoeg hetzelfde traject hebben plaatsgevonden zonder zijdelingse bewegingscomponenten van betekenis. Daarbij is een belangrijk gegeven dat de omgeving van het letsel volledig vrij is van andere verwondingen zoals krassen, huidverscheuringen en bloeduitstortingen. Ook dit past bij een ontstaanswijze van de verwonding met relatief weinig bijkomende dynamiek. In een situatie waarin het steekletsel zou zijn ontstaan door een val van enige hoogte in het mes dat steeds vastgehouden zou zijn, zouden zowel een grotere snijcomponent, een minder regelmatige wondvorm, onderbrekingen van de wondranden en begeleidend andersoortig letsel te verwachten zijn. Nu hiervan geen sprake is, komt de deskundige tot de conclusie dat de kans op het aantreffen van de onderzoeksbevindingen, het mes en de wondkenmerken van het steekletsel, veel groter is onder een scenario met relatief weinig dynamiek tussen beide betrokkenen dan onder een scenario met relatief veel dynamiek tussen betrokkenen.

Verdachte heeft verklaard dat hij zich niet precies kan herinneren hoe het slachtoffer is gevallen. Wel heeft hij tijdens de reconstructie verklaard dat hij het slachtoffer van zich af heeft geduwd en wel naar achteren. Naar het oordeel van de rechtbank valt de lezing van verdachte onder het scenario met relatief veel dynamiek tussen betrokkenen, hetgeen door de deskundige ter zitting van 8 december 2014 is bevestigd.

Tegenover dit rapport staan de verklaringen van verdachte. Verdachte heeft in eerste instantie een leugenachtige verklaring afgelegd. Zowel ter plaatse als op het politiebureau heeft verdachte immers – naar later is gebleken in strijd met de waarheid – verklaard dat het slachtoffer al gewond was toen hij de coffeeshop binnenkwam. Nadat verdachte werd geconfronteerd met de eerder genoemde camerabeelden waaruit bleek dat tussen het moment dat het slachtoffer de coffeeshop binnenging en het moment dat verdachte arriveerde niemand anders de coffeeshop in of uit is gegaan, is verdachte op zijn eerdere verklaring teruggekomen. Zijn nieuwe verklaring heeft verdachte vervolgens in de loop van het onderzoek op meerdere (relevante) onderdelen aangepast. Zo heeft verdachte bij de politie verklaard dat het slachtoffer op een kruk stond toen hij met de spotjes aan het plafond bezig was. Op de foto in het dossier op pagina C 128 is te zien dat het slachtoffer volgens verdachte op de kruk stond en boven zijn hoofd met de spotjes bezig was. Uit de beschikbare informatie is gebleken dat dit, gezien de hoogte van de kruk en de lengte van het slachtoffer, feitelijk onmogelijk is. Bij de reconstructie is verdachte op deze verklaring teruggekomen en heeft hij verklaard dat het slachtoffer op de bar zat. Nadat verdachte ter zitting van 8 december 2014 met deze inconsequentie is geconfronteerd, heeft hij verklaard dat hij niet meer weet of het slachtoffer stond of zat en dat hij dat ook niet wist tijdens de reconstructie; hij heeft tijdens de reconstructie verklaard dat het slachtoffer op de bar zat omdat hij zich erg onder druk gezet voelde en niet de indruk wilde wekken dat hij niet wilde meewerken aan het onderzoek. De rechtbank acht deze uitleg van verdachte over de tegenstrijdigheden in zijn verklaringen onaannemelijk. Uit de beelden van de reconstructie blijkt immers dat verdachte wel degelijk kenbaar maakte wanneer hij zich bepaalde handelingen niet meer kon herinneren.

Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat verdachte het slachtoffer tijdens een val en per ongeluk heeft gestoken. Hierbij betrekt de rechtbank de opvallende gedragingen van verdachte na afloop van het steken.

Over zijn gedragingen na het steken heeft verdachte gesteld dat hij in een paniekreactie handelde. Verdachte heeft verklaard dat hij het alarmnummer was vergeten en dat hij daarom zijn oom 112 heeft laten bellen, dat hij het mes – dat op zijn tas is aangetroffen en waarmee het slachtoffer is gestoken – onder de kraan heeft gehouden om af te spoelen en dat hij naar buiten is gegaan om hulp in te roepen.

De rechtbank is van oordeel dat het afwassen van het steekwapen of het vergeten van het alarmnummer op zichzelf genomen zou kunnen worden verklaard door een paniekreactie, maar dat de omstandigheden in de onderhavige zaak, in onderlinge samenhang bezien, daartegen pleiten. In de eerste plaats heeft verdachte tegenstrijdige verklaringen afgelegd over zijn gemoedstoestand na het steken. Zo heeft verdachte meermalen verklaard dat hij, nadat het slachtoffer hem zei dat hij gestoken had, dacht dat het niet ernstig was, dat het slechts om een schrammetje zou gaan en dat het wel goed zou komen. In de tweede plaats heeft verdachte verklaard dat hij na de bovengenoemde opmerking van het slachtoffer meteen het mes ging afwassen en zijn oom ging bellen, zonder dat hij checkte hoe het met het slachtoffer gesteld was. In de derde plaats heeft verdachte verklaard dat hij in paniek naar buiten is gegaan om hulp te roepen en dat hij aan getuige [getuige] hulp heeft gevraagd, terwijl dit niet strookt met de camerabeelden en de verklaring van [getuige] zelf. Op de camerabeelden van voor de coffeeshop is immers te zien – in tegenstelling tot wat verdachte heeft verklaard – dat verdachte niet direct omstanders om hulp heeft gevraagd toen hij naar buiten liep. Hij heeft eerst nog bellend heen en weer gelopen, is gestopt met bellen en is opnieuw gaan bellen, is overgestoken en daar even blijven staan om vervolgens weer terug te lopen naar de coffeeshop. Nadat verdachte al ongeveer drie minuten buiten was, zag getuige [getuige] dat verdachte er erg beroerd uitzag en is daarom op hem afgestapt om te vragen of alles wel goed was. Verdachte heeft toen pas tegen [getuige] gezegd dat hij binnen moest kijken wat er is gebeurd.

De rechtbank is op grond van het voornoemde dan ook van oordeel dat de verklaring van verdachte, inhoudende dat de gedragingen kunnen worden verklaard uit een paniekreactie, als onaannemelijk terzijde dient te worden geschoven. Het samenstel van gedragingen past veeleer bij een situatie waarin verdachte zich bewust moet zijn geweest van zijn handelen.

De rechtbank stelt vast dat, gelet op het rapport van de wonddeskundige en het achterwege blijven van een aannemelijk alternatief scenario over de oorzaak van het door het slachtoffer opgelopen dodelijk letsel, in combinatie met bovenomschreven gedragingen, boven redelijke twijfel is verheven dat verdachte het slachtoffer opzettelijk met het mes in zijn bovenbeen heeft gestoken. Dat een mogelijk motief voor het steken niet is komen vast te staan, doet hier niet aan af.

Vrijspraak moord

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van voorbedachte raad, zodat verdachte van de hem ten laste gelegde moord zal worden vrijgesproken.

Vrijspraak doodslag

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de handelingen van verdachte willens en wetens op de dood van het slachtoffer waren gericht; van vol opzet is niet gebleken.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat evenmin kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad.

De rechtbank overweegt dat in het midden kan blijven of in het onderhavige geval de aanmerkelijke kans bestond dat door het handelen van verdachte de dood van het slachtoffer zou intreden, nu de rechtbank van oordeel is dat de hierboven beschreven omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat verdachte de kans op de dood van het slachtoffer bewust heeft aanvaard. In aanmerking genomen dat de precieze toedracht van het steken onbekend is gebleven, dat verdachte slechts éénmaal heeft gestoken, dat het slachtoffer hierbij buiten/achterwaarts ter hoogte van het linker bovenbeen is geraakt en dat verdachte derhalve niet rechtstreeks op de slagader heeft ingestoken, kan niet worden vastgesteld dat verdachte de dood van het slachtoffer op de koop heeft toegenomen. Verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank komt niet toe aan het door de raadsvrouw subsidiair gedane verzoek, nu de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte opzet op de dood van het slachtoffer had.

Zware mishandeling met de dood ten gevolge

De rechtbank is van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde wel kan worden bewezen, zoals hierna vermeld. Door met een mes met een lemmet van 15 centimeter diep in het (boven)been te steken, bestaat immers de aanmerkelijke kans dat er pezen, spieren, vaten en/of zenuwen worden geraakt en aldus lichamelijk letsel dat als zwaar kan worden gekwalificeerd als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht, wordt veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de uiterlijke verschijningsvormen van de gedragingen van verdachte, zoals hierboven geschetst, kan worden vastgesteld dat verdachte deze aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Hierdoor is sprake van – in ieder geval voorwaardelijk – opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Deze zware mishandeling heeft de dood ten gevolge gehad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het subsidiair ten last gelegde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat:

1. Een proces-verbaal met nummer 2014002348-2 van 3 januari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (doorgenummerde pag. A9-A20)

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 3 januari 2014 hoorden wij dat wij middels de portofoon opgeroepen werden door de meldkamer. Wij hoorden dat wij met spoed naar de Oudezijds Voorburgwal te Amsterdam dienden te gaan. Wij kwamen ter plaatse op het genoemde adres waar kennelijk coffeeshop ‘City Hall’ gevestigd was. Wij zagen ter hoogte van de genoemde coffeeshop een man die zich voorstelde als de neef van het slachtoffer. Ik hoorde de man antwoorden dat het slachtoffer gestoken was. Ondertussen zagen wij in de ingang van de coffeeshop City Hall een plas bloed liggen met daarin een man welke op zijn buik lag en omhoog keek naar ons. Ik, verbalisant[verbalisant 2], ging mij ontfermen over de neef van het slachtoffer. Ik, verbalisant[verbalisant 2], sprak bovengenoemde man die later opgaf te zijn genaamd [verdachte]. Hierop antwoordde hij: “Mijn neef heet [slachtoffer]”. Op de hoek van de bar zag ik een zwarte tas met daarop een mes. Het mes had een zwart heft met een lemmet van circa 15 centimeter en circa 3 centimeter breed.

2. De verklaring die verdachte bij de rechter-commissaris heeft afgelegd op 6 januari 2014, zakelijk weergegeven:

Ik kwam ’s morgens [de rechtbank begrijpt: op 3 januari 2014] in de coffeeshop. Mijn neef was er al. Op dat moment had ik het mes – dat gevonden is – in mijn handen. Vervolgens viel mijn neef op de grond en riep “au, au, mijn been, je hebt me in mijn been gestoken”.

3. Een proces-verbaal met nummer 2014002348 van 5 maart 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] (doorgenummerde pag. C32-49).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Op vrijdag 31 januari 2014 vond er een reconstructie plaats van het steekincident, in het perceel [perceel] te Amsterdam, waarbij de verdachte [slachtoffer] op de plaats delict werd gehoord. De verdachte verklaarde hierop onder andere het volgende: Ik kwam binnen. Hij zegt: “Auw, je hebt me in mijn been gestoken”. Ik pak mijn telefoon. Ik bel mijn zwager en zeg: “Die man is in zijn been gestoken, kan je snel een ambulance bellen?”. Er was een beetje bloed op het mes. Ik loop naar de kraan (wijst achter de bar). Ik was het mes. Toen hij zei: “Ik ben in mijn been gestoken”, keek ik naar het mes. Toen ik bloed zag ben ik gelijk gaan bellen. Ik keek naar het mes, er zat een klein beetje bloed op. Ik spoelde hem af onder de kraan.

4. Een proces-verbaal met nummer 2014002348 van 4 februari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (doorgenummerde pag. A71-73).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Coffeeshop City Hall (plaats delict) is gevestigd in perceel [perceel] te Amsterdam. Coffeeshop Greenhouse is gevestigd in perceel [perceel] te Amsterdam. Camera CH6 is bevestigd ter hoogte van de voordeur van de coffeeshop en “kijkt” in de richting van coffeeshop City Hall.

03.01.2014 vr 10.51.00 uur

Het latere slachtoffer (so) arriveert met zijn fiets bij coffeeshop City Hall (CH). So gaat CH binnen.

03.01.2014 vr 11.11.35 uur

De latere verdachte (vd) arriveert lopende bij CH en gaat naar binnen.

03.01.2014 vr 11.16.31 uur

De latere getuige (gt) [getuige] komt coffeeshop Greenhouse (G) uitlopen en spreekt met twee

bezoekers voor de deur.

03.01.2014 vr 11.16.37 uur

De vd komt al bellende CH uitlopen. Hij houdt de telefoon tegen zijn rechter oor.

03.01.2014 vr 11.16.58 uur

De gt kijkt in de richting van de vd en loopt heen en weer voor G.

De vd belt nog steeds.

03.01.2014 vr 11.17.06 uur

De gt loopt G binnen.

03.01.2014 vr 11.17.35 uur

De vd kijkt bij CH naar binnen en belt nog steeds.

03.01.2014 vr 11.17.50 uur

De vd stopt met bellen.

03.01.2014 vr 1.18.30 uur

De vd belt opnieuw.

03.01.2014 vr 11.18.49 uur

De vd steekt over en blijft aan de waterzijde even staan. De vd loopt vervolgens weer terug naar CH.

03.01.2014 vr 11.19.05 uur

De vd stopt met bellen.

03.01.2014 vr 11.19.43 uur

De vd wijst twee keer met zijn linkerhand naar de ingang van CH, terwijl hij bij CH naar binnen kijkt.

03.01.2014 vr 11.19.46 uur

Achtereenvolgens is te zien dat de gt G komt uitlopen en kijkt in de richting van de vd. Gt loopt in de richting van vd die op zijn beurt ook een aantal passen in de richting van gt doet. De gt en de vd lopen samen in de richting van CH en kijken naar binnen.

5. Een verslag van het Nederlands Forensisch Instituut, van 9 januari 2014, nummer 2014.01.03.067, opgemaakt door A. Maes, arts en patholoog (doorgenummerde pag. F5-F15).

Dit verslag houdt onder meer in als verklaring van voornoemde deskundige, zakelijk weergegeven:

Overledene: [slachtoffer]

Bij sectie werd als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend scherprandig perforerend geweld een steekwond aan de buiten/achterzijde van het linker bovenbeen gevonden met een steekkanaal van circa 13 centimeter van buiten/achterwaarts naar voor/middenwaarts dwars door het bovenbeen. Er was daarbij perforatie van de weke delen. In het steekkanaal was de uitwendige bekkenslagader doorgesneden. Er was door het oplopen van de wond veel bloed verloren, er waren bleke bloedarme inwendige organen. Er waren geen ziekelijke orgaanafwijkingen die aan het overlijden kunnen hebben bijgedragen. Het overlijden wordt door het massale bloedverlies zondermeer verklaard als gevolg van zuurstofgebrek op weefselniveau. [slachtoffer] is overleden als gevolg van een steekverwoning in het linker bovenbeen.

6. Een verslag van het Nederlands Forensisch Instituut, van 20 mei 2014, nummer 2014.01.03.067, opgemaakt door H.N.J.M. van Venrooij, forensisch arts KNMG (doorgenummerde pag. F143-F152).

Dit verslag houdt onder meer in als verklaring van voornoemde deskundige, zakelijk weergegeven:

Verdachte: [verdachte]

Slachtoffer: [slachtoffer]

Forensisch geneeskundig onderzoek naar aanleiding van een geweldsincident op 3-1-2014 in Amsterdam.

Samengevat werd bij sectie één scherprandige huidperforatie van 3,2 centimeter bij 1,5 centimeter aangetroffen die is aangeduid met A. Afgeleid kan worden dat de snijdende bewegingscomponent bij de in- en uitgaande beweging, waardoor de steekwond in het linkbovenbeen van het [slachtoffer] werd veroorzaakt, kan worden aangemerkt als relatief gering. Dit geldt des te sterker indien het relatief lange steektraject van 13 centimeter daarbij in aanmerking wordt genomen. Het bovenstaande past bij een ontstaanswijze van de steekwond waarbij deze is ontstaan door een in- en uitgaande steekbeweging onder een tamelijk rechte hoek ten opzichte van het lichaamsoppervlak. De geringe bijkomende bijdrage van de snijdende bewegingscomponent aan de huidwondlengte van letsel A past bij een opeenvolging van bewegingen waarbij de ingaande en uitgaande beweging van het lemmet langs nagenoeg hetzelfde traject hebben plaatsgevonden zonder zijdelingse bewegingscomponenten van betekenis. Op de sectiefoto’s waarop het letsel A is afgebeeld, is dit letsel ellipsvormig met gladde, scherpe wondranden waarin geen onderbrekingen voorkomen. Daarbij is de omgeving van het letsel volledig vrij van andere verwondingen zoals krassen, huidverscheuringen en bloeduitstortingen. In een situatie waarin het steekletsel zou zijn ontstaan door een val van enige hoogte in het (opgeheven) mes dat steeds vastgehouden zou zijn, zouden zowel een grotere snijcomponent, een minder regelmatige wondvorm, onderbrekingen van de wondranden en begeleidend andersoortig letsel te verwachten zijn, onder andere door mogelijke wrikkende, draaiende en schampende bewegingen met het mes.

De kans op het aantreffen van de onderzoeksbevindingen, bestaande uit

  • -

    a) De dimensies en de fysieke kenmerken van het mes en

  • -

    b) De wondkenmerken van het steekletsel beschreven onder A in het sectierapport

En zichtbaar op de sectiefoto’s bestaande uit:

  • -

    Een relatief diep, smal steekletsel

  • -

    Verlopend onder een tamelijk rechte hoek met het lichaamsoppervlak

  • -

    Uitgaande van een ellipsvormige scherprandige huidperforatie met regelmatige, gladde, ononderbroken wondranden

  • -

    Zonder bijkomend, mogelijk andersoortig letsel in de omgeving, zoals krassen, scheurverwondingen en bloeduitstortingen,

is veel groter onder een scenario met relatief weinig dynamiek zoals beschreven onder II dan onder een scenario met relatief veel dynamiek zoals beschreven onder I.

Beschrijving van beide scenario’s:

I. een scenario met relatief veel dynamiek tussen beide betrokkenen: het slachtoffer is,

staande op een barkruk, van een hoogte van 79,8 cm gevallen in het mes (vastgehouden door verdachte), en daarbij verwond aan de zijkant van het linker bovenbeen (letsel A), waarna hij verder is gevallen en op de grond terecht Is gekomen. Verdachte is blijven staan en had het mes, ook na de val, nog in zijn handen.

II. een scenario met relatief weinig dynamiek tussen beide betrokkenen: het slachtoffer is (door verdachte) gestoken in een bewegingssequentie bestaande uit een instekende beweging met het mes, gevolgd door een in dezelfde bewegingsrichting plaatsvindende uittrekkende beweging met het mes.

7. De verklaring die de deskundige H.N.J.M. van Venrooij op de terechtzitting van 8 december 2014 heeft afgelegd, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb onderzoek gedaan naar de wondkenmerken en de kenmerken van het mes. Dat is mijn vakgebied. Ik heb gebruik gemaakt van twee hypotheses. Het betreft een scenario met veel dynamiek tegenover een scenario met weinig dynamiek. Ik ga in onderhavige zaak uit van een situatie met relatief veel dynamiek. De dynamiek kan zowel komen van de kant van verdachte als van de andere betrokkene. Het kan ook de interactie tussen beide betrokkenen betreffen. Het door de raadsvrouw geschetste scenario inhoudende dat sprake is geweest van een val van het later overleden slachtoffer gepaard gaande met een instekende beweging en een terugtrekkende beweging van de vangarm van verdachte, valt onder een dynamische benadering zoals in hypothese één is geformuleerd, te weten een situatie met relatief veel dynamiek tussen beide betrokkenen.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 5. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 3 januari 2014 te Amsterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, een steekwond in het linker bovenbeen en een doorsnijding van de uitwendige bekkenslagader van het linker bovenbeen, heeft toegebracht, door opzettelijk met een mes in het linker bovenbeen te steken, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf en maatregel

9.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte doodslag zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaren, met aftrek van voorarrest.

De vordering van de benadeelde partij kan volledig worden toegewezen, nu deze voldoende is onderbouwd. Daarbij dient de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde en heeft daarom geen strafmaatverweer gevoerd.

De vordering van de benadeelde partij moet gelet op de bepleite vrijspraak worden afgewezen.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft het slachtoffer, de neef van verdachte, opzettelijk met een mes in zijn bovenbeen gestoken, ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Verdachte heeft met zijn handelen de dood veroorzaakt van een 44-jarige man en daarmee onherstelbaar leed en ontsteltenis bij diens nabestaanden teweeggebracht. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring van een zuster van het slachtoffer, zoals deze ter zitting onder woorden is gebracht. Voor de samenleving in het algemeen geldt dat misdrijven als het onderhavige als zeer bedreigend worden ervaren en gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaken. Dit klemt temeer nu verdachte geen enkel inzicht in de redenen voor zijn handelen heeft willen geven. Dit rekent de rechtbank hem zwaar aan.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van langere duur passend en geboden. Nu de rechtbank anders dan de officier van justitie uitgaat van zware mishandeling de dood ten gevolge hebbend, in plaats van doodslag, ziet de rechtbank aanleiding bij de strafoplegging aanzienlijk naar beneden af te wijken van de eis van de officier van justitie.

De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie tot gevangenneming afwijzen nu deze vordering is gebaseerd op een bewezenverklaring voor doodslag en de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] vordert € 11.073,88 (elfduizend drieënzeventig euro en achtentachtig cent) aan materiële schadevergoeding.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering tot materiële schadevergoeding van € 11.073,88 (elfduizend drieënzeventig euro en achtentachtig cent) – bestaande uit kosten voor de moskee, de uitvaartverzorging, het eten en de reiskosten – wordt als onbetwist toegewezen.

De rechtbank waardeert de totale schade op een bedrag van € 11.073,88 (elfduizend drieënzeventig euro en achtentachtig cent), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [benadeelde] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde:

zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst af de vordering tot gevangenneming.

Wijst de vordering van [benadeelde], toe tot € 11.073,88 (elfduizend drieënzeventig euro en achtentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 11.073,88 (elfduizend drieënzeventig euro en achtentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 90 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. Moors, voorzitter,

mrs. C.P.E. Meewisse en M.B. de Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. Bouwhuis, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 december 2014.