Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8725

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
CV EXPL 14-15789
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verstekvonnis in telefonie-zaak. Vordering tot betaling van abonnementstermijnen in verband met verstrekte mobiele telefoon en telecommunicatiediensten. HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1385 is uitgangspunt. Kantonrechter stelt vast dat geen overeenkomst voor koop op afbetaling tot stand is gekomen met betrekking tot het verstrekte toestel. Het deel van de abonnementskosten dat betrekking heeft op het toestel wordt dus afgewezen. Wat gevorderde maandtermijnen met betrekking tot de telecommunicatiediensten betreft moet gedaagde de schade vergoeden die eiseres lijdt door ontbinding van de overeenkomst. Voor zover de gevorderde schadevergoeding meer bedraagt dan 50% van de resterende maandtermijnen (excl. BTW en excl. het toestelcomponent) wordt deze afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

verstek

Afdeling privaatrecht CV

zaaknummer: 3119259 CV EXPL 14-15789

kenmerk: AM.53079517

vonnis van: 19 december 2014

doc: Vvs

vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

Intrum Justitia Nederland B.V.

gevestigd te 's-Gravenhage

eisende partij

gemachtigde: Van Arkel Gerechtsdeurwaarders

t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij

niet verschenen.

Verder verloop van de procedure


Op 25 juli 2014 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft eisende partij stukken in het geding gebracht.

Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

Gronden van de beslissing

1. De bij akte door eisende partij gewijzigde eis wordt niet in de beoordeling betrokken. De eiswijziging is niet aan gedaagde partij betekend en het betreft geen wijziging van eis die, ingeval verstek is verleend, zonder betekening is geoorloofd. Er wordt dan ook beslist op de oorspronkelijke eis bij dagvaarding.

2. De vorderingen komen niet onrechtmatig en/of ongegrond voor behoudens voor zover hieronder anders is overwogen.

3. Eisende partij vordert betaling van abonnementstermijnen op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst uit hoofde waarvan eisende partij aan gedaagde partij een mobiele telefoon heeft verstrekt en telecommunicatiediensten heeft geleverd.

4. Als uitgangspunt heeft te gelden de overweging van de Hoge Raad in het arrest van 13 juni 2014, ECLI:NL:HR 2014,1385 dat het meest in overeenstemming is met de financiële en bedrijfseconomische werkelijkheid, de verwachtingen die partijen mogen hebben en de consumentenbeschermende strekking van de hiervoor bedoelde wettelijke regelingen, om tot uitgangspunt te nemen dat bij overeenkomsten als de onderhavige, de maandbedragen niet alleen betrekking hebben op de vergoeding voor de door de gebruiker af te nemen telecommunicatie-diensten, maar mede strekken tot afbetaling van de koopprijs voor de mobiele telefoon.

5. Gelet op het bepaalde in artikel 7A:1576 BW is er voor wat betreft de verstrekte mobiele telefoon dan ook sprake van een overeenkomst van koop op afbetaling. Een dergelijke overeenkomst is echter niet van kracht voordat partijen de door de koper te betalen prijs hebben bepaald (artikel 7A:1576 lid 2 BW). Bij het aangaan van de overeenkomst zal daarom de koopprijs van de mobiele telefoon tussen partijen moeten zijn bepaald om de overeenkomst - voor het deel dat ziet op koop en afbetaling van de telefoon - van kracht te laten zijn (zie r.o. 3.6. van voormeld arrest).

6. Het is dan ook aan eisende partij om voldoende te stellen en nader te onderbouwen dat bij het aangaan van de overeenkomst partijen een koopprijs voor de mobiele telefoon zijn overeengekomen.

7. In het geval dat niet kan worden vastgesteld dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst de prijs voor de mobiele telefoon hebben bepaald is daarmee het deel van de overeenkomst dat betrekking heeft op (koop en) afbetaling van de mobiele telefoon niet van kracht geworden. Het daarop gebaseerde deel van de vordering is dan niet toewijsbaar.

8. Gelet op de door eisende partij verstrekte toelichting is niet gebleken dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst een koopprijs voor de verstrekte telefoon zijn overeengekomen. Dat maakt dat het deel van de maandelijkse abonnementskosten dat betrekking heeft op het verstrekte toestel, zoals gespecificeerd in de akte, zal worden afgewezen.

Nu de overeenkomst van koop op afbetaling met betrekking tot het verstrekte telefoontoestel niet tot stand is gekomen, heeft de eisende partij zonder rechtsgrond een toestel verstrekt en heeft gedaagde daarvoor zonder rechtsgrond betaald. In de dagvaarding is daarop geen beroep gedaan, zodat eventuele vorderingen uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking in dit geding geen rol spelen.

9. Ten aanzien van de door eisende partij gevorderde maandtermijnen, die geen betrekking hebben op het verstrekte toestel maar op de geleverde telecommunicatiediensten, als schadevergoeding op grond van de overeenkomst en/of de wet overweegt de kantonrechter het volgende. Als uitgangspunt in deze verstekprocedure geldt dat de gedaagde partij tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en derhalve aan eisende partij, als rechtsopvolger, op grond van artikel 6:277 BW de schade dient te vergoeden die deze lijdt doordat ontbinding van de overeenkomst tot levering van telecommunicatiediensten plaats vindt. De gevorderde schadevergoeding komt de kantonrechter onrechtmatig, danwel ongegrond voor, voorzover deze meer bedraagt dan 50% van de resterende maandtermijnen (exclusief btw en exclusief het toestelcomponent), aangezien deze niet in redelijke verhouding staat tot het nadeel dat eisende partij lijdt en geen rekening houdt met het voordeel dat eisende partij heeft doordat zij een betaling ineens ontvangt met rente en geen diensten meer hoeft te leveren aan gedaagde partij.

10. De buitengerechtelijke kosten worden berekend over het toegewezen deel van de vordering en het eventueel meer gevorderde wordt afgewezen.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt de gedaagde partij aan de eisende partij te voldoen:

€ 425,75 ter zake van de hoofdsom vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 2014 tot de voldoening;

€ 63,86 ter zake van buitengerechtelijke kosten;

€ 12,40 ter zake van meegevorderde rente;

veroordeelt de gedaagde partij in de kosten van het geding, aan de zijde van de eisende partij tot aan deze uitspraak begroot op: € 79,15 aan explootkosten, € 100,00 aan salaris gemachtigde en € 462,00 aan griffierecht, één en ander, voor zover van toepassing, inclusief BTW;

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van een bedrag van € 50,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en de gedaagde partij niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, een en ander voor zover van toepassing, inclusief BTW;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. E. Pennink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier

De kantonrechter