Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8715

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
AMS 14-4590
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser ook in de in geschil zijnde periode ook op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in de grillroom. Het feit dat eiser op de exploitatievergunning als een van de zeven leidinggevenden stond vermeld en dat hij op een datum, gelegen voor de in geschil zijnde periode, werkend in de grillroom is aangetroffen, is daartoe onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 14/4590

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser, en

[eiseres][eiseres][eiseres], te [woonplaats], eiseres,

samen te noemen eisers,

gemachtigde: mr. J.C. Walker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde A.A. Brouwer.

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eisers op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) verleende bijstand vanaf 7 november 2013 ingetrokken.

Bij besluit van 7 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2014. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eisers ontvingen sedert 1 januari 2004 bijstand naar de norm voor een gezin.

2. Verweerder heeft aan het besluit tot intrekking van de bijstand ten grondslag gelegd dat eiser sinds 7 november 2013 oncontroleerbare op geld waardeerbare arbeid heeft verricht in [bedrijf]op het [adres] te [woonplaats].

3. Eiser heeft aangevoerd dat er geen reden is om de bijstand ook over de periode vanaf 11 december 2013 in te trekken. Eiser stelt dat hij consequent heeft verklaard dat hij vanaf 11 december 2013 niet meer in de [bedrijf] is geweest en dat dat wordt ondersteund door de verklaring van de eigenaar van de [bedrijf] die aangeeft dat eiser sinds half december 2013 niet meer in de [bedrijf] is geweest. Bij diverse waarnemingen ter plaatse is eiser niet in de [bedrijf] gezien. Het enkele feit dat eiser als leidinggevende op de exploitatievergunning staat vermeld is volgens eiser onvoldoende om te kunnen concluderen dat eiser ook op geld waardeerbare arbeid heeft verricht.

4. In geval van een besluit tot intrekking van bijstand waarbij verweerder de periode waarover wordt ingetrokken niet heeft begrenst, loopt de door de rechtbank te beoordelen periode vanaf de datum met ingang waarvan verweerder de bijstand heeft ingetrokken tot en met de datum van het primaire besluit. Nu eiser echter in beroep niet langer heeft betwist dat hij op geld waardeerbare arbeid heeft verricht in de periode van 7 november 2013 tot en met 10 december 2013, ligt in dit geval ter beoordeling voor de periode van 11 december 2013 tot en met 19 maart 2014.

5. De rechtbank stelt voorop dat de intrekking van de bijstand een belastend besluit is. Dit betekent dat de bewijslast op verweerder rust. Het ligt derhalve op de weg van verweerder om voldoende aannemelijk te maken dat eiser op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht.

6. Verweerder baseert zijn standpunt dat eiser ook in de in geschil zijnde periode op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht het feit dat eiser op een op 7 november 2013 verleende exploitatievergunning voor de[bedrijf] als één van de zeven leidinggevenden stond vermeld en voorts op de omstandigheid dat eiser bij een controle door de politie en arbeidsinspectie op 15 november 2013 werkend in de [bedrijf] is aangetroffen.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan. Door niet te melden dat hij op de exploitatievergunning werd vermeld als leidinggevende heeft eiser weliswaar zijn inlichtingenplicht geschonden, maar deze tekortkoming biedt op zichzelf evenwel onvoldoende basis voor de conclusie dat als gevolg daarvan niet kan worden beoordeeld of eisers gedurende de in geschil zijnde periode nog recht hadden op bijstand. Het feit dat eiser op de exploitatievergunning als leidinggevende stond vermeld doet weliswaar vermoeden dat hij werkzaamheden verrichtte, maar verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat eiser gedurende de in geschil zijnde periode ook daadwerkelijk op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Daarbij is mede van belang dat eiser als zesde van de zeven leidinggevenden stond vermeld op de exploitatievergunning en dat hij heeft verklaard dat hij op de vergunning stond zodat hij kon worden gebeld in geval van calamiteiten. De rechtbank wijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 februari 2012, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:CRVB:2012:BV7096. Voorts biedt de omstandigheid dat eiser op 15 november 2013 eenmaal werkend in de[bedrijf] is aangetroffen geen grondslag voor de conclusie dat eiser daar ook na 11 december 2013 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht.

8. Verweerder stelt in het bestreden besluit dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn aanwezigheid in de [bedrijf]. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Eiser heeft op 11 maart 2014 en op 13 mei 2015 consequent verklaard dat hij de laatste drie, respectievelijk 5 maanden niet in de [bedrijf] is geweest. Teruggerekend komt dat neer op 11 december 2013.

9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiser ook vanaf 11 december 2013 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht in de [bedrijf]. Het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is dus gegrond.

10. Omdat het primaire besluit van 19 maart 2014 is gebaseerd op dezelfde gebrekkige grondslag en niet valt in te zien dat verweerder dat gebrek thans nog zal kunnen herstellen, ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen voor zover daarbij de bijstand is ingetrokken over de periode vanaf 11 december 2013. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit. Dit betekent dat het recht op bijstand van eisers vanaf 11 december 2013 herleeft.

11. Tot slot ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 974,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 487,-) en € 974,- in beroep (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,-), in totaal € 1.948,-.

Voor zover aan eisers een toevoeging is verleend moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

12. Tevens dient verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 45,- aan hen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de intrekking van de bijstand over de periode vanaf 11 december 2013 is gehandhaafd;

 herroept het primaire besluit voor zover de bijstand is ingetrokken over de periode vanaf 11 december 2013;

 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten die eisers voor het maken van bezwaar en het instellen van beroep hebben gemaakt tot een totaalbedrag van € 1.948,-;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M. Beunk, rechter, in aanwezigheid van mr. H. van Hoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2014.

de griffier

de rechter

De griffier is buiten staat te tekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden op: