Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:8694

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
22-12-2014
Zaaknummer
C-13-568788 - HA ZA 14-701
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De familieleden en een pensioen bv van de vader hebben een beleggingsovereenkomst gesloten met Danske Bank. De rechtbank is bevoegd kennis te nemen van het geschil ten aanzien van de natuurlijke personen. De beginselen van een goede procesorde en overwegingen van doelmatigheid, in het licht van de considerans van de EEX-Vo, brengen mee dat de rechtbank zich ook bevoegd acht ten aanzien van de bv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/1018

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/568788 / HA ZA 14-701

Vonnis in incident van 3 december 2014

in de zaak van

1 [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eiseres in de hoofdzaak,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BADT HOLDING B.V.,

gevestigd te Amstelveen,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

4. [eiser sub 4],

wonende te [woonplaats],

eiseres in de hoofdzaak,

5. [eiser sub 5],

wonende te [woonplaats],

eiseres in de hoofdzaak,

advocaat mr. G.J. Brugman te ‘s-Gravenhage,

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

DANSKE BANK INTERNATIONAL S.A.,

gevestigd te Luxemburg (Groothertogdom Luxemburg),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. B.W.G. van der Velden te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eisers gezamenlijk] (afzonderlijk [eiser sub 1], [eiser sub 2], Badt,

[eiser sub 4] en [eiser sub 5]) en Danske genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 14 mei 2014, met producties

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende incidentele conclusie houdende exceptie van bevoegdheid, met producties

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord, met één productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 In de hoofdzaak

2.1.

[eisers gezamenlijk] vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Danske tot betaling aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] van € 949.251,03, aan Badt van € 207.823,87, aan [eiser sub 4] van € 142.852,55 en aan [eiser sub 5] van

€ 30.184,93, te vermeerderen met rente en kosten.

2.2.

[eisers gezamenlijk] stellen het volgende. De Nederlandse rechter is bevoegd op grond van de artikelen 5 lid 3, 15 lid 1 sub c en 16 van de Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo). [eisers gezamenlijk] verwijten Danske samengevat dat zij is tekortgeschoten althans onrechtmatig heeft gehandeld bij het aanbieden en adviseren van beleggingen in het ‘Danske Leveraged Fund’ wegens het niet naleven van financieel rechtelijke verplichtingen, misleiding en schending van haar zorgplicht. Als gevolg daarvan hebben [eisers gezamenlijk] schade geleden die Danske dient te vergoeden.

2.3.

Danske voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 In het incident

3.1.

Danske vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vordering van Badt in de hoofdzaak kennis te nemen.

3.2.

Danske stelt daartoe het volgende. In artikel 22 van de toepasselijke algemene voorwaarden is een forumkeuze voor de rechter in Luxemburg opgenomen, zodat de Nederlandse rechter onbevoegd is. Indien en voor zover deze forumkeuze ongeldig zou zijn, is de rechter in Luxemburg bevoegd nu Danske is gevestigd in Luxemburg. Ten opzichte van een vennootschap kan volgens vaste jurisprudentie geen bevoegdheid worden aangenomen op grond van bepalingen die zijn toegesneden op consumenten, zoals de artikelen 15 lid 1 sub c en 16 EEX-Vo. Dat deze bepalingen ook voor Badt gelden blijkt nergens uit, aldus Danske.

3.3.

Danske heeft haar algemene voorwaarden niet overgelegd. Bath betwist dat partijen een forumkeuze, althans een exclusieve forumkeuze, zijn overeengekomen. Bath betwist ook dat die voorwaarden haar ter hand zijn gesteld.

Bath is een persoonlijke holding van [eiser sub 1] waarin om fiscale redenen een deel van het vermogen van [eiser sub 1] is ondergebracht. Bath heeft geen werknemers in dienst en verricht geen activiteiten. Bath kan in feite worden vereenzelvigd met [eiser sub 1]. Verder brengen aard en strekking van de rechtsverhouding en bestendige praktijk tussen Danske en Bath mee dat Bath ook een beroep kan doen op de artikelen 15 en 16 EEX-Vo. Tenslotte stelt Bath dat het splitsen van de procedure zeer ongewenst is en in redelijkheid niet van Bath kan worden gevergd, nu het voeren van twee procedures over dezelfde verwijten, feiten en omstandigheden niet efficiënt is en onnodig dubbele kosten meebrengt. Bovendien leidt het voeren van dubbele procedures over samenhangende zaken tot een risico op onverenigbare rechtsoordelen van de Nederlandse en Luxemburgse rechter, aldus Bath.

3.4.

De rechtbank oordeelt als volgt. Nu Danske heeft nagelaten haar algemene voorwaarden over te leggen, waarin naar zij stelt een forumkeuze voor de rechter in Luxemburg is opgenomen, is niet komen vast te staan dat partijen de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Danske zijn overeengekomen. Aan de algemene voorwaarden kan dan ook geen bevoegdheid van de rechter in Luxemburg worden ontleend.

3.5.

De stellingen van partijen over de toepasselijkheid van de artikelen 5, 15 en 16 van de EEX-Vo daargelaten, geldt het volgende. De beginselen van een goede procesorde en overwegingen van doelmatigheid, in het licht van de considerans van de EEX-Vo onder (15) om parallel lopende processen zoveel mogelijk te beperken en te voorkomen dat in twee lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven, brengen mee dat het in het belang van alle betrokken partijen, mede gelet op de onderhavige beleggingsconstructie en de onderlinge verwevenheid van [eisers gezamenlijk] daarbij, wenselijk is dat het geschil in de hoofdzaak door dezelfde rechter zal worden beslist. Denkbaar is immers dat een oordeel van de Luxemburgse rechter naar Luxemburgs recht tegenstrijdig zal zijn is met het oordeel van de Nederlandse rechter, hetgeen niet bevorderlijk is voor de rechtszekerheid. Verder is het wenselijk dat alle partijen betrokken kunnen worden bij een schikkingspoging in het kader van een comparitie van partijen in de hoofdzaak.

Met Bath acht de rechtbank het voeren van twee procedures met dubbele kosten bovendien niet efficiënt. De rechter in Luxemburg zal naar verwachting op grond van artikel 28

EEX-Vo de zaak verwijzen naar de Nederlandse rechter of aanhouden in afwachting van de Nederlandse procedure, in welk laatstgenoemde geval Bath lang zal moeten wachten op een inhoudelijke beoordeling van haar vordering. Daarbij komt dat Danske haar belang bij het bevoegdheidsincident in het licht hiervan onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Danske zal immers ook extra kosten moeten maken in het geval van een separate vordering van Bath in Luxemburg.

Nu het geschil in de hoofdzaak van [eiser sub 1], [eiser sub 2], [eiser sub 4] en

[eiser sub 5] door de Nederlandse rechter zal worden beoordeeld, brengt het voorgaande mee dat de Nederlandse rechter zich ook bevoegd acht van de vordering in de hoofdzaak van Bath kennis te nemen.

3.6.

Danske zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Bath worden begroot op € 452,00 aan kosten advocaat.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1.

wijst het gevorderde af,

4.2.

veroordeelt Danske in de kosten van het incident, aan de zijde van Bath tot op heden begroot op € 452,00,

4.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

4.4.

verwijst de zaak naar de rol van 17 december 2014 voor beraad comparitie.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen, bijgestaan door mr. J.P. van der Stouwe, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2014.